ECLI:NL:RBDHA:2026:5836

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/4392
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WsgArt. 3, eerste lid, onder a, Wsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens ontbreken opzettelijk geweldsmisdrijf

Eiser verzocht om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens psychisch geweld en bedreiging door zijn ex-partner, wat volgens hem ernstige lichamelijke en psychische schade heeft veroorzaakt. Verweerder wees het verzoek af omdat het psychisch geweld niet als een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf in de zin van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) wordt beschouwd.

De rechtbank bevestigt dat alleen strafrechtelijk erkende geweldsmisdrijven in aanmerking komen voor een uitkering. Psychisch geweld, zoals intimidatie, emotionele manipulatie en dreiging met het niet mogen zien van kinderen, is niet strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht en vormt daarom geen grond voor een uitkering. Eiser heeft onvoldoende objectieve aanwijzingen overlegd om aannemelijk te maken dat sprake is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.

De rechtbank oordeelt dat de medische stukken onvoldoende objectief bewijs vormen omdat deze gebaseerd zijn op de eigen verklaring van eiser. Ook het feit dat er geen strafrechtelijke vervolging is ingesteld, ondersteunt de afwijzing. De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Tevens is geen sprake van schending van het motiverings-, gelijkheids- of rechtszekerheidsbeginsel.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt afgewezen wegens ontbreken van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4392

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.L.O. van de Waarsenburg),
en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Pieters).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het afwijzen van eisers verzoek om een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg).
1.1
Met het primaire besluit van 5 september 2024 heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 april 2025 is verweerder bij die afwijzing gebleven.
1.2
De rechtbank Rotterdam heeft de zaak op 26 juni 2025 verwezen naar deze rechtbank.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 26 mei 2024 verzocht om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. In de aanvraag heeft eiser toegelicht dat hij in een aan zijn ex-partner gericht besluit ten onrechte door verweerder is aangemerkt als dader, met als gevolg dat aan zijn ex-partner een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven is toegekend in verband met huiselijk geweld en stalking. Eiser heeft hierdoor reputatieschade en psychische schade opgelopen. Verweerder heeft het verzoek van eiser afgewezen, omdat van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf geen sprake is.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt dat hij slachtoffer is van psychisch geweld en bedreiging door zijn
ex-partner. Het psychische geweld heeft herhaaldelijk plaatsgevonden in de periode van 2015 tot 2022 in de vorm van intimidatie, emotionele manipulatie, afpersing, het belemmeren van contact met de kinderen, het gebruiken van de kinderen als drukmiddel, financiële controle en isolatie. Eiser is herhaaldelijk bedreigd dat hij zijn kinderen zou verliezen en de ex-partner is zonder eisers toestemming verhuisd met de kinderen van [plaats 1] naar [plaats 2]. Eiser heeft daardoor ernstige lichamelijke en psychische schade opgelopen en krijgt al jarenlang hulp en ondersteuning van slachtofferhulp. Eiser vindt dat uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat wel degelijk sprake is geweest van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Daarnaast is sprake van strijd met het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt dat het door eiser gestelde psychische geweld geen opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf in de zin van artikel 3 van Pro de Wsg oplevert. Psychisch geweld is namelijk niet strafbaar gesteld in het strafrecht en manipulatie en dreigen met het niet meer mogen zien van de kinderen levert evenmin een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf op. Daarnaast is niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat eiser slachtoffer is geworden van bedreiging.
Wat is het toetsingskader?
5. De rechtbank stelt vast dat slachtoffers van geweldsmisdrijven in aanmerking komen voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven, indien zij slachtoffer zijn van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf en daarbij ernstig lichamelijk of geestelijk letsel hebben opgelopen. [1]
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het nemen van beslissingen op een verzoek om uitkering als bedoeld in artikel 3 van Pro de Wsg beslissingsruimte heeft en daaraan invulling heeft gegeven in de Beleidsbundel [2] (de Beleidsbundel). Volgens paragraaf 1.1.4 van de Beleidsbundel hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar moet dit aannemelijk worden gemaakt. In de eerste plaats is de feitelijke geweldshandeling van belang. Dat is de handeling waardoor het slachtoffer letsel opliep. Daarnaast moeten voor de aannemelijkheid ook de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding daarvan en de omstandigheden waaronder het geweldsmisdrijf plaatsvond voldoende duidelijk zijn. Een eigen verklaring van het slachtoffer, als dat het enige is, is onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer dan ondersteunen.
7. In paragraaf 1.1.4 van de Beleidsbundel is verder toegelicht dat medische informatie in principe niet bruikbaar is om de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond te onderbouwen. Het feit dat iemand bepaald fysiek of psychisch letsel heeft, geeft namelijk geen uitsluitsel over wat er is gebeurd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank stelt voorop dat het aan de aanvrager van een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven is om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk
te maken dat hij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. [3]
9. Volgens paragraaf 1.1 van de Beleidsbundel wordt met de term geweldsmisdrijf een in het Wetboek van Strafrecht (Sr) strafbaar gesteld misdrijf bedoeld. Als een voorval niet als misdrijf strafbaar is gesteld in het Sr levert dit volgens de Beleidsbundel geen geweldsmisdrijf op in de zin van artikel 3 van Pro de Wsg. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het door eiser omschreven psychische geweld geen strafbaar feit oplevert volgens het Sr. Al wat eiser heeft aangevoerd over wat hij heeft meegemaakt tijdens de relatie met zijn ex-partner, de omstandigheid dat hij zijn kinderen gedurende lange tijd niet heeft kunnen zien en de meldingen die eiser daarover bij de politie heeft gedaan, heeft verweerder dan ook op goede gronden niet als een opzettelijk gepleegd geweldmisdrijf in de zin van artikel 3 van Pro de Wsg aangemerkt. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de gebeurtenissen zoals eiser die heeft omschreven heel moeilijk voor hem zijn geweest, betreft het geen gedragingen die strafbaar zijn gesteld in het Sr. Dit betekent dat een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven niet mogelijk is. Daar komt bij dat uit de beschikbare informatie niet duidelijk wordt wat er precies is gebeurd, wat de aanleiding was en wat de omstandigheden waren, en met name ook niet wat de rol van eiser hierin is geweest. Eventueel psychisch letsel van eiser kan bovendien geen duidelijkheid geven over wat er precies is gebeurd. De behandelaar schrijft immers op wat de patiënt vertelt over de oorzaak van de klachten en stelt niet zelf vast wat er is gebeurd. Ook is niet duidelijk met welke klachten eiser te kampen heeft, anders dan dat hij lijdt onder de situatie.
10. De verwijzing van eiser naar diverse verdragen en het Istanboel protocol gaat in deze zaak niet op, omdat psychisch geweld dus niet onder het bereik van het strafrecht valt en daarmee dus ook niet onder het bereik van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. [4] Daarmee kunnen ook de stukken die eiser heeft overgelegd waarin hij bij verschillende instanties melding maakt van de gedragingen van zijn ex-partner, hem niet helpen. Eiser is immers zelf de ‘bron’ van die meldingen, zodat geen sprake is van informatie afkomstig van een onpartijdige bron.
11. De rechtbank leidt verder uit het dossier af dat eiser op 2 augustus 2021 aangifte heeft gedaan van een geweldsmisdrijf, te weten bedreiging met de dood door zijn ex-partner. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om met voldoende objectieve gegevens aannemelijk te maken dat sprake is geweest van een opzettelijk gepleegd geweldmisdrijf in de zin van artikel 3 van Pro de Wsg. Eiser heeft naast zijn eigen verklaring in de aangifte geen aanvullende informatie overlegd met voldoende objectieve aanwijzingen. De door eiser overlegde (medische) stukken vormen geen objectieve aanwijzingen, omdat deze gebaseerd zijn op wat eiser zelf heeft verklaard. Dat eiser behandeld wordt voor zijn psychische klachten, is daarom onvoldoende voor het oordeel dat sprake is geweest van een opzettelijk gepleegd geweldmisdrijf in de zin van artikel 3 van Pro de Wsg. Daar komt bij dat niet is gebleken dat er strafrechtelijk gevolg is gegeven aan de aangifte van bedreiging door zijn ex-partner. De omstandigheid dat eiser bijgestaan wordt door Slachtofferhulp Nederland, maakt het voorgaande niet anders. Slachtofferhulp Nederland doet immers niet aan waarheidsvinding en gaat volledig uit van het verhaal van eiser.
12. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de door eiser gestelde gebeurtenissen een grote impact op hem hebben gehad, kan wat eiser is overkomen dus niet worden aangemerkt als een opzettelijk gepleegd geweldmisdrijf als bedoeld in artikel 3 van Pro de Wsg. Verweerder hoefde hem daarom geen uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven toe te kennen.
13. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat sprake is van schending van
het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel.
14. Eiser heeft verder verzocht zijn bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen. Verweerder heeft in het bestreden besluit op het bezwaarschrift gereageerd. Voor zover eiser in beroep niet heeft aangegeven waarom de reactie van verweerder tekortschiet, kan deze beroepsgrond hierom al niet slagen.
15. De rechtbank overweegt ten overvloede nog dat zij de aanvraag van eiser van
4 december 2025 niet heeft kunnen betrekken bij dit beroep. Dit betekent dat verweerder daar alsnog op moet beslissen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag om een uitkering op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wsg.
2.Zie de Beleidsbundel van 1 juli 2024.
3.Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van
4.Tijdens het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 16 oktober 2024 is toegezegd dat er een wetsvoorstel wordt ingediend dat strekt tot een afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld. Op 10 juli 2025 is de Kamer geïnformeerd over de contouren van dit wetsvoorstel. Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2025/07/10/contouren-strafbaarstelling-van-psychisch-geweld. Het wetsvoorstel is tot op heden nog niet ingediend.