Uitspraak
Rechtbank den haag
1.Het wrakingsverzoek
2.De beoordeling
3.De beslissing
- de verzoekster;
- de Raad voor de Kinderbescherming;
- de vader;
- de rechter.
Rechtbank Den Haag
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken is bij de hoofdzaak betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van haar dochter. Het verzoek was gebaseerd op de stelling dat de rechter niet onpartijdig zou zijn.
De wrakingskamer heeft het dossier van de hoofdzaak bestudeerd en vastgesteld dat de gewraakte rechter tot op heden geen bemoeienis heeft gehad met de zaak. Een andere rechter heeft op 10 maart 2026 de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Verzoekster heeft geen concrete feiten aangevoerd die de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid van de gewraakte rechter onderbouwen.
De wrakingskamer concludeert dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een mondelinge behandeling van het verzoek. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing van onpartijdigheid.