ECLI:NL:RBDHA:2026:5748

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/09/701462 / KG RK 26-467
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in zaak voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken is bij de hoofdzaak betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van haar dochter. Het verzoek was gebaseerd op de stelling dat de rechter niet onpartijdig zou zijn.

De wrakingskamer heeft het dossier van de hoofdzaak bestudeerd en vastgesteld dat de gewraakte rechter tot op heden geen bemoeienis heeft gehad met de zaak. Een andere rechter heeft op 10 maart 2026 de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Verzoekster heeft geen concrete feiten aangevoerd die de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid van de gewraakte rechter onderbouwen.

De wrakingskamer concludeert dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een mondelinge behandeling van het verzoek. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing van onpartijdigheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/21
zaak- /rekestnummer: C/09/701462 / KG RK 26-467
Beslissing van 18 maart 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. R.G. de Lange-Tegelaar,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de (gewraakte) rechter.

1.Het wrakingsverzoek

1.1.
Het schriftelijke wrakingsverzoek is gedaan op 13 maart 2026.
1.2.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/09/701000 / JE RK 26/387 (hierna: de hoofdzaak). De hoofdzaak betreft een procedure over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de dochter van verzoekster. De wrakingskamer heeft de beschikking over het dossier in de hoofdzaak. In de hoofdzaak zijn de vader (van de dochter van verzoekster) en de Raad voor de Kinderbescherming belanghebbenden.
1.3.
Verzoekster heeft, voor zover van belang, het volgende aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:
“Via deze weg dien ik een wrakingsverzoek in tegen mevr. Tegelaar-De Lange.
Ter begeleiding verwijs ik hierbij naar de informatie die ik naar de rechtbank heb verstuurd, hetgeen u op heeft geantwoord.
Hieruit is duidelijk te herleiden dat Mevr. Tegelaar-de Lange niet onpartijdig is.”

2.De beoordeling

2.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
2.2.
Verzoekster heeft aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat uit de informatie die zij aan de rechtbank heeft verstuurd duidelijk te herleiden is dat de rechter niet onpartijdig is.
2.3.
Het is de wrakingskamer uit het dossier van de hoofdzaak gebleken dat bij beschikking van 10 maart 2026 een andere rechter dan de gewraakte rechter de dochter van verzoekster voorlopig onder toezicht heeft gesteld en een machtiging heeft verleend tot haar uithuisplaatsing. Ook is uit het dossier in de hoofdzaak gebleken dat verzoekster hoger beroep wil instellen tegen de eindbeslissing betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing.
2.4.
Dat duidelijk te herleiden valt dat de gewraakte rechter niet onpartijdig is, volgt naar het oordeel van de wrakingskamer echter niet uit het wrakingsverzoek en het dossier in de hoofdzaak. Sterker nog, uit het dossier in de hoofdzaak blijkt niet dat de gewraakte rechter tot op heden enige bemoeienis heeft gehad met de hoofdzaak. In de hoofdzaak is bij beschikking van 10 maart 2026 door een andere rechter de behandeling voor het overige aangehouden tot de zitting van 20 maart 2026 van de gewraakte rechter. Verzoekster heeft niet onderbouwd waaruit de gestelde (schijn van) partijdigheid of de vooringenomenheid van de gewraakte rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor is af te leiden. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer dit zou kunnen afleiden ontbreken. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is en zal het verzoek daarom afwijzen.
2.5.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

3.De beslissing

De wrakingskamer
3.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
3.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
3.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
  • de verzoekster;
  • de Raad voor de Kinderbescherming;
  • de vader;
  • de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, S.M. Westerhuis-Evers en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.