ECLI:NL:RBDHA:2026:572

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
NL25.26366
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Meesters - van Luijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbIB 2025/13WBV 2023/3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens onzorgvuldige motivering identiteit en buitenschuldbeleid

Eiser diende op 22 december 2023 een asielaanvraag in, die door de minister op 20 mei 2025 werd afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van zijn identiteit en onvoldoende bewijs van vervolgingsgevaar. Eiser stelde dat hij vanwege conflicten met de Jaulanko in Gambia moest vluchten. De minister achtte zijn verklaringen summier en onlogisch.

De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte de identiteit van eiser als ongeloofwaardig had bestempeld, mede omdat eiser een geboorteakte had overgelegd en zijn verklaringen niet wisselend waren over zijn identiteit, maar over registratie in Italië. Tevens werd geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het onderzoek naar adequate opvang niet was afgerond tijdens de minderjarigheid van eiser, wat vereist is volgens het buitenschuldbeleid.

De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het de identiteit en het buitenschuldbeleid betrof en beval de minister een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt gedeeltelijk vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26366

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.M. Suurmeijer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit waarin zijn asielaanvraag is afgewezen. Eiser heeft op 22 december 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2. De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit gedeeltelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt dat hij de Gambiaanse nationaliteit heeft en tot de Madinko bevolkingsgroep behoort. De vader van eiser werkte voor een spirituele organisatie, de Jaulanko. Nadat zijn vader is overleden is eiser in 2020 door de Jaulanko benaderd, omdat hij volgens de traditie zijn vader als marabout moet opvolgen. Nadat eiser dit heeft geweigerd hebben de Jaulanko eiser een paar dagen later meegenomen naar een bos, hem vastgehouden en rituelen uitgevoerd. Zo werd eiser ingesmeerd met bloed en “spul”. Tijdens een toiletbezoek wist eiser te ontsnappen en is hij gevlucht naar Senegal. Na een paar maanden is eiser op verzoek van zijn zus teruggekeerd, maar werd opnieuw ontvoerd door de Jaulanko. Eiser werd vastgebonden, geslagen en bedreigd met de dood. Nadat er brand ontstond wist eiser te ontsnappen, waarna hij Gambia heeft verlaten.
Het bestreden besluit
6. De minister stelt vast dat de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit niet zijn aangetoond met documenten en eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn identiteit. Wel houdt de minister in deze procedure de persoonsgegevens aan die eiser heeft genoemd. Eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. De door eiser aangevoerde problemen met de Jaulanko worden door de minister niet geloofwaardig geacht. De verklaringen zijn niet samenhangend, maar summier, vaag, onjuist en wisselend. Er is niet gebleken van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
De gronden van beroep
7. Eiser heeft aangevoerd dat door hem een geboorteakte is overgelegd. De minister had de geboorteakte bij de beoordeling en motivering moeten betrekken. Door eiser is niet wisselend verklaard over zijn eigen identiteit, maar zijn verklaringen zien op de wijze van registratie in Italië. Eiser heeft zich binnen 48 uur, en daarmee binnen de voorgeschreven tijd, na binnenkomst in Nederland gemeld voor het aanvragen van een verblijfsvergunning asiel. Aan eiser kan niet worden tegengeworpen dat hij summier, vaag en onjuist heeft verklaard. Hij is maar beperkt in staat om over Jaulanko en de rol van zijn vader te verklaren, omdat nagenoeg alle informatie hem pas is medegedeeld nadat hem werd aangegeven dat hij zijn vader moet opvolgen. Eiser is maar vier jaar naar school geweest en is opgegroeid in een traditionele omgeving. Het referentiekader van eiser brengt met zich dat hij niet uitgebreider kan en hoeft te vertellen dan hij heeft gedaan. Gelet op het arrest Zimir van het Hof van Justitie is de verlengde beslistermijn van vijftien maanden onjuist. De wettelijke beslistermijn is daarom geëindigd op 22 juni 2024, zodat er in het kader van een buitenschuldvergunning nog voldoende tijd was voor het onderzoek naar opvang.
Beoordeling
De geloofwaardigheid van de identiteit
8. Over de ongeloofwaardigheid van de gestelde identiteit heeft de minister in het verweerschrift aangegeven dat dit ten onrechte aan eiser is tegengeworpen en er onvoldoende is om deze ongeloofwaardig te achten. Kortom, de identiteit wordt wel geloofwaardig geacht. Dit betekent dat het standpunt van de minister is veranderd, na het afwijzen van de aanvraag van eiser. Dit onderdeel van het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit komt dan ook in aanmerking voor vernietiging. De rechtbank zal hierna beoordelen of er gelet op de beoordeling van de overige gronden aanleiding is de rechtsgevolgen in stand te laten. Het oordeel daarover is te vinden in overweging 12.
Referentiekader
9. De rechtbank kan de minister volgen in het standpunt dat voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Daaraan wordt door de minister ten grondslag gelegd dat rekening is gehouden met de leeftijd en achtergrond van eiser, de verklaring dat hij vier jaar onderwijs heeft gevolgd en hij zelfstandig naar Senegal is gereisd en daar vier maanden heeft verbleven. De minister stelt zich op het standpunt dat rekening houdend met deze omstandigheden en dit referentiekader van eiser verwacht kan worden dat hij kan verklaren over de Jaulanko, de functie van zijn vader waarvan de traditie zegt dat hij die na het overlijden van zijn vader overneemt en kan verklaren over basale dingen zoals de dagindeling tijdens zijn gevangenschappen. Aan eiser zijn hier tijdens de gehoren verschillende (nadere) vragen over gesteld, vragen zijn opnieuw geformuleerd of toegelicht wanneer dat nodig was en de wettelijk voogd van eiser was tijdens de gehoren aanwezig. De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat de minister te weinig rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser.
Problemen met Jaulanko
10. Over de ongeloofwaardigheid van de problemen met de Jaulanko is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser summier, vaag en onjuist heeft verklaard. Door de minister wordt aan dit standpunt onder meer ten grondslag gelegd dat eiser heeft verklaard dat zijn vader marabout bij de Jaulanko is en dat hij zijn vader na zijn overlijden moet opvolgen. De minister werpt eiser terecht tegen dat het niet geloofwaardig is dat eiser als zoon van de marabout niet wist dat hij de opvolger van zijn vader zou worden, terwijl een marabout een hele belangrijke rol in de samenleving heeft en veel aanzien geniet [1] . Het is niet geloofwaardig dat de vader van eiser hem niet heeft voorbereid op zijn toekomstige rol.
10.1
Ondanks de traditionele opvoeding, functie van zijn vader en toekomstige rol van eiser, verklaart hij slechts in algemene zin over de Jaulanko. Eiser verklaart over mensenoffers, voodoo en talismannen. De minister heeft eiser terecht tegengeworpen dat in openbare bronnen het uitvoeren van mensenoffers door de Jaulanko op geen enkele wijze wordt ondersteund.
10.2
De minister heeft eiser tegen kunnen werpen dat hij niets heeft ondernomen om bescherming te zoeken of te vluchten nadat de Jaulanko bij hem zijn geweest. Eiser zet enkel een raamwerk neer over zijn gevangenschappen en ontsnappingen. Zo verklaart hij over de twee maanden dat hij gevangen gehouden is in het bos alleen dat hij werd gewassen met bloed en “spul”, werd vastgebonden als hij niet meewerkte en in rieten huizen sliep. De minister wijst op de eenvoudige wijze waarop hij wist te ontsnappen en diezelfde avond zijn huis wist te bereiken zonder thuis of onderweg door de Jaulanko te zijn onderschept. Eiser is daarna naar Senegal gevlucht en verbleef daar veilig bij [naam 2] , maar is op verzoek van zijn zus teruggekeerd zonder te weten of er geen dreiging meer was vanuit de Jaulanko. Na terugkomst is eiser volgens zijn verklaringen thuis bij zijn familie ontvoerd en opnieuw vastgehouden. De rechtbank kan de minister volgen wanneer aan eiser wordt tegengeworpen dat het niet geloofwaardig is dat de Jaulanko eiser tijdens de tweede gevangenhouding wilden vermoorden, terwijl het volgens de traditie noodzakelijk is dat eiser zijn vader als marabout opvolgt. Eiser verklaart vervolgens summier dat hij door een brand opnieuw op eenvoudige wijze is ontsnapt aan de Jaulanko.
10.3
Alles overziend, kan de rechtbank de minister volgen in het standpunt dat de gestelde problemen met de Jaulanko niet geloofwaardig worden geacht.
Buitenschuldbeleid
11. Over het beroep op het buitenschuldbeleid oordeelt de rechtbank als volgt.
11.1
De minister is verplicht om, voordat er een terugkeerbesluit wordt opgelegd aan een niet-begeleide minderjarige vreemdeling, onderzoek te doen naar de aanwezigheid van adequate opvang in het land van herkomst. [2] Op het moment dat de vreemdeling meerderjarig wordt geldt deze verplichting niet langer.
11.2
De minister stelt zich op het standpunt dat er conform IB 2025/13 is beslist en
eiser binnen de (verlengde) beslistermijn van de asielaanvraag meerderjarig is geworden, zodat het onderzoek naar adequate opvang niet op tijd af had kunnen zijn. [3] De aanvraag van eiser is van 22 december 2023. In haar uitspraak van 13 november 2025 heeft deze rechtbank [4] geoordeeld dat het daarmee van toepassing zijnde wijzigingsbesluit WBV 2023/3, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025 [5] , onrechtmatig is en dat dit betekent dat de minister in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser diende te nemen. Dat betekent dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser binnen de (verlengde) beslistermijn meerderjarig is geworden. Een andere motivering van het standpunt dat het onderzoek naar adequate opvang niet kon worden afgerond is door de minister niet gegeven. Het is aan de minister inzichtelijk te maken waarom het onderzoek naar adequate opvang niet was afgerond ten tijde van de minderjarigheid van eiser. Nu de minister verder niet is ingegaan op het onderzoek naar adequate opvang ten tijde dat eiser nog minderjarig was, is de rechtbank van oordeel dat de minister het besluit daarmee onvoldoende heeft gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op de overwegingen onder 11.2 bestaat er geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb. [6] De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin is beslist over de identiteit en het buitenschuldbeleid voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling.
13. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72 vierde Pro lid van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak.
14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het gedeelte van het besluit van 20 mei 2025 voor zover daarin is beslist dat de identiteit ongeloofwaardig is en eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling en laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
  • draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters - van Luijk, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.https://www.my-gambia.com/mymagazine/juju-and-charms-superstition-in-the-gambia/
2.Zie het arrest van 14 januari 2021, T.Q. tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, zaaknummer C-441/19 (ECLI:EU:C:2021:9) en de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1530) en (ECLI:NL:RVS:2022:1532).
3.Informatiebericht 2025/13 Beslissen op amv-zaken na Afdelingsuitspraken van 8 juni 2022, §3.1.4.
5.ECLI:EU:C:2025:326, alsmede de conclusie van de advocaat-generaal: ECLI:EU:C:2024:1028.
6.De Algemene wet bestuursrecht.