De minister legde op 25 februari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet (Vw), gevolgd door een tweede maatregel op 5 maart 2026 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Eiser stelde beroep in tegen beide maatregelen en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank behandelde de zaken op 13 maart 2026 via telehoren. De rechtbank oordeelde dat de bewaring terecht was opgelegd op basis van de a- en b-gronden van artikel 59b en 59 Vw, waarbij eiser onvoldoende meewerkte aan het vaststellen van zijn identiteit en er een risico op onttrekking aan toezicht bestond. De medische en psychische omstandigheden van eiser, waaronder neurologische ziekte en suïciderisico, zijn door de minister voldoende betrokken bij de beslissing.
Eiser kon zijn familierechtelijke band met zijn vrouw, kinderen en pasgeboren baby niet aannemelijk maken, en er was geen bewijs dat de bewaring zijn zorgtaken beïnvloedde. De rechtbank vond dat de minister voortvarend handelde in de asielprocedure en dat de bewaring niet onrechtmatig was. De beroepen werden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.