ECLI:NL:RBDHA:2026:571
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit niet-Oekraïense derdelander
Verzoeker, een niet-Oekraïense derdelander van Nigeriaanse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit dat hem oplegt Nederland binnen vier weken te verlaten. Hij verzocht om een voorlopige voorziening om zijn recht op gemeentelijke opvang en noodzakelijke medische zorg te behouden gedurende de behandeling van zijn beroep en lopende aanvraag op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er weliswaar sprake is van een spoedeisend belang vanwege het beëindigen van de opvang, maar dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. De motiverings- en zorgvuldigheidsbeginselen zijn niet geschonden, en de minister hoeft niet ambtshalve te toetsen aan artikel 8 EVRM Pro bij de uitvoering van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Ook is het beroep op artikel 22 van Pro de RTB niet relevant omdat geen sprake is van gedwongen terugkeer.
Verder is het opleggen van het terugkeerbesluit tijdens de bevriezingsmaatregel toegestaan en is voldaan aan de hoorplicht. De lopende aanvraag om uitstel van vertrek schort de vertrekplicht niet op. De aangevoerde gezondheidsrisico’s en het ontbreken van ziektekostenverzekering vormen geen zwaarwegend belang voor toewijzing van de voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit wordt afgewezen wegens gebrek aan redelijke kans van slagen.