Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[partij A sub 1] te [woonplaats 1] ,
2.
[partij A sub 2] B.V.te [plaats 1] ,
1.[partij B sub 1] te [woonplaats 2] ,
2.
[partij B sub 2] B.V.te [plaats 2] ,
3.[partij C sub 1] te [woonplaats 3] ,
[partij C sub 2]te [woonplaats 4] ,
1.De procedure
2.De feiten
N.B.
1 juli 2025 hebben [partij B] c.s. en [partij A] c.s. ter uitvoering van de regeling een depotovereenkomst ondertekend, zijn de beslagen op het onroerend goed van [partij B sub 1] opgeheven en is een bedrag van € 250.000,- in depot gehouden door de notaris.
30 juni 2025.
3.Het geschil
4.De beoordeling
men” opdracht geeft aan [partij B sub 2]
“tot het doen van schetstekeningen, het ontwikkelen, begeleiden en bouwen van [adres 1] tot en met [adres 2] ”en ook dat [partij B sub 2] een bedrag van € 250.000,- (ex btw) ontvangt dat zal worden aangewend voor de voorbereidende kosten. De rechtbank overweegt dat in het midden kan blijven of – juridisch gezien – [partij B sub 2] partij is bij de overeenkomst of dat deze rechten en plichten een andere juridische basis hebben. [partij A] c.s. heeft namelijk niet gesteld dat [partij B sub 2] op enig moment zich op het standpunt heeft gesteld dat zij niet gebonden is aan de verplichtingen als bedoeld in de overeenkomst. [partij B sub 2] heeft daarentegen tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat zij geen bezwaar had tegen het uitvoeren van de overeenkomst, voor zover daar voor haar verplichtingen uit voortvloeiden. Van bedrog of dwaling op dit punt is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake.
e-mails van de desbetreffende advocaat overgelegd. [partij A] c.s. heeft gemotiveerd betwist dat deze advocaatkosten betrekking hadden op het project en dat het kosten zijn voor het onderzoek als bedoeld in de overeenkomst.
€ 14.000.000,- op grond van artikel 7:764 BW Pro omdat [partij A] c.s. de aannemingsovereenkomst met [partij B sub 2] heeft opgezegd. Ook zou [partij A] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens [partij B sub 2] . [partij B] c.s. maakt aanspraak op betaling van de contractuele boete van € 250.000,-. Deze vorderingen worden afgewezen, waartoe de rechtbank als volgt overweegt.
nadereaannemingsovereenkomst zou zijn gesloten tussen haar en [partij A] c.s., maar die stelling heeft [partij B sub 2] onvoldoende toegelicht. Een
nadereaannemingsovereenkomst kan - anders dan [partij B sub 2] stelt - niet worden afgeleid uit de enkele betaling aan [partij B sub 2] door [partij A] c.s. van het voorschot. Die betaling is geschied op grond van de afspraken in de overeenkomst en had betrekking op het verrichten van het vooronderzoek. Zoals hiervoor is overwogen, bevond het project zich in de voorbereidende fase, maar verder dan dat zijn partijen niet gekomen. Uit de overeenkomst blijkt alleen van een voorgenomen samenwerking die na het doen van het benodigde vooronderzoek verder geconcretiseerd moest worden. De financiële haalbaarheid van het plan diende te worden beoordeeld en ook diende te worden beoordeeld of het plan zou passen in het geldende bestemmingsplan. Het stond nog niet vast wat er gebouwd zou gaan worden, waarbij partijen nog aan het onderzoeken waren of er bijvoorbeeld ook woningen konden worden gerealiseerd.
16 december 2024, wordt [partij B sub 1] daarin niet gevolgd. In het boetebeding is vermeld dat de boete verschuldigd is bij het “
tussentijds uitstappen zonder moverende en geaccepteerde redenen door de contractanten”. Een redelijke uitleg hiervan aan de hand van de eerder aangehaalde Haviltex-maatstaf brengt met zich dat een contractspartij niet zonder reden mocht uitstappen. [partij B sub 1] heeft, gelet op de stellingen van [partij A] c.s., onvoldoende gesteld dat daarvan sprake was, waartoe de rechtbank als volgt overweegt.