ECLI:NL:RBDHA:2026:5642

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
SGR 24/4070
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens tegemoetkoming arbeidsongeschiktheidsuitkering

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over een verzoek tot proceskostenveroordeling. Verzoekster was arbeidsongeschikt verklaard voor 65,69% in een besluit van 11 september 2023, dat door verweerder werd gehandhaafd in een bestreden besluit van 22 april 2024. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige, wiens rapport leidde tot een tussenuitspraak waarin werd geoordeeld dat het bestreden besluit gebrekkig was. Verweerder kreeg de gelegenheid het besluit te herstellen en deed dit met een gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 januari 2026, waarin het bezwaar alsnog werd gegrond verklaard en verzoekster recht kreeg op een uitkering.

Naar aanleiding hiervan trok verzoekster het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding. Verweerder stemde hiermee in. De rechtbank oordeelde dat het verzoek kennelijk gegrond was en veroordeelde verweerder tot betaling van € 934 aan proceskosten, inclusief vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 18 februari 2026.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 934 aan proceskosten aan verzoekster na intrekking beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4070

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).

Inleiding

1. In het besluit van 11 september 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat de mogelijkheden van verzoekster om te werken zijn gewijzigd en dat zij voor 65,69% arbeidsongeschikt wordt geacht. Dit besluit is gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige.
1.1.
In het besluit van 22 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Dit besluit is gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en de arbeidsdeskundige b&b.
1.2.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om verzekeringsarts drs. [naam] als onafhankelijke deskundige te benoemen. De rechtbank heeft het deskundigenrapport op 30 september 2025 ontvangen. Partijen is gevraagd om op het deskundigenrapport te reageren. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om uitstel te verlenen tot 1 februari 2026 voor reactie op het deskundigenrapport.
1.5.
De rechtbank heeft op 31 oktober 2025 tussenuitspraak gedaan en bepaald dat de rechtbank de conclusie van de door haar ingeschakelde deskundige volgt en dat het door verweerder verzochte uitstel tot 1 februari 2026 om op het deskundigenrapport te reageren niet wordt verleend. De rechtbank heeft verder bepaald dat de medische onderbouwing van de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat het bestreden besluit dus gebrekkig is. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen.
1.6.
De rechtbank heeft aanvullende stukken ontvangen van verweerder. De deskundige heeft een aanvullend rapport ingediend.
1.7.
Verweerder heeft het bestreden besluit vervangen door het besluit van 13 januari 2026. Met deze gewijzigde beslissing op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond verklaard en bepaald dat zij per 27 februari 2023 recht heeft op een uitkering op grond van de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
1.8.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft meegedeeld akkoord te zijn met een veroordeling in de proceskosten.
1.9.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is verweerder aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder aan haar is tegemoetgekomen. De rechtbank zal daarom het verzoek om een proceskostenveroordeling toewijzen.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht rekent de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. De vergoeding bedraagt in totaal € 934,-.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. [3] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.