ECLI:NL:RBDHA:2026:5641

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.17798
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbVreemdelingenwet 2000 art. 69 lid 1Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens niet tijdige indiening niet-ontvankelijk verklaard

Eiser, een Venezolaanse nationaliteit dragende man, diende op 30 november 2023 een asielaanvraag in met het asielrelaas dat hij homoseksueel is en hiv-positief, en vanwege medicijntekorten en bedreigingen in Venezuela en Mexico naar Nederland vluchtte. De minister wees de aanvraag op 16 maart 2025 af als ongegrond. Eiser stelde beroep in, maar dit werd pas op 16 april 2025 ingediend, na de wettelijke termijn van vier weken.

De rechtbank oordeelde dat het beroep niet tijdig was ingediend en dat er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. De gemachtigde van eiser had voldoende notificaties ontvangen en had alert moeten zijn op het besluit. Ook waren er geen bijzondere Bahaddar-omstandigheden die de niet-ontvankelijkverklaring konden doorbreken.

De rechtbank concludeerde dat de uitzetting van eiser naar Venezuela niet onmiskenbaar een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert, mede omdat eiser geen aannemelijk bewijs leverde van discriminatie of vervolging vanwege zijn seksuele geaardheid of hiv-status. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.17798
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1969, van Venezolaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. H.M.M. van Dooren).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, R. Caicedo als tolk in de Spaanse taal, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Asielrelaas
1. Eiser heeft op 30 november 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en meerdere relaties heeft gehad. Eiser heeft zijn homoseksuele gerichtheid in Venezuela niet in het openbaar geuit. In 2008 is bij eiser vastgesteld dat hij hiv heeft. Eiser kreeg hiervoor aanvankelijk medicatie, maar vanaf 2017 ontstonden er medicijntekorten en kon eiser de benodigde medicatie niet meer verkrijgen. Eiser is vervolgens vertrokken naar Mexico waar zijn medicatie wel voorhanden was. Eiser heeft Mexico wegens bedreigingen in 2023 verlaten en is vervolgens naar Nederland gevlucht.
Het bestreden besluit
2. Volgens de minister bestaat het asielrelaas van eiser uit de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
De homoseksuele geaardheid van eiser.
De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. Eiser komt volgens de minister echter niet in aanmerking voor een asielvergunning, omdat hij geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag [1] en ook geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM [2] . De houding van de maatschappij tegenover lhbti’ers vormt namelijk niet een dusdanige beperking van de bestaansmogelijkheden van eiser dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Eiser heeft in Venezuela toegang gehad tot scholing, huisvesting en werk. Ook heeft eiser vorm kunnen geven aan zijn relatie en in eigen kring open kunnen zijn over deze relatie. Dat eiser zijn leven in Venezuela niet kan leiden op dezelfde wijze als in Nederland, betekent nog niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft in Venezuela. Uit de landeninformatie over Venezuela blijkt volgens de minister niet dat het voor lhbti’ers niet mogelijk is om hun geaardheid te uiten. De situatie in Venezuela is weliswaar niet gemakkelijk, maar niet onhoudbaar. Verder blijkt volgens de minister niet uit de verklaringen van eiser dat hij te maken heeft gehad met discriminatie bij het krijgen van gezondheidszorg. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het een bewuste keuze is geweest van de autoriteiten om geen hiv-medicatie in te kopen omdat lhbti-rechten niet als prioriteit worden gezien.
De ontvankelijkheid van het beroep
3. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het beroep ontvankelijk is. De termijn voor het indienen van een beroepschrift in zaken waarin een asielaanvraag in de verlengde asielprocedure ongegrond is verklaard, bedraagt vier weken. [3] Het bestreden besluit is op 16 maart 2025 bekendgemaakt. Dat betekent dat de termijn voor het indienen van het beroep de volgende dag, op 17 maart 2025, is gaan lopen [4] en dat deze op 14 april 2025 eindigde. Nu eiser zijn beroepschrift pas op 16 april 2025 heeft ingediend, is het beroep niet tijdig ingediend. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is, tenzij eiser aannemelijk maakt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb.
Is er sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding?
4. Eiser meent dat er sprake is van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Hij stelt dat het bestreden besluit als bericht in het digitale portaal is geüpload en dat de gemachtigde hierbij een notificatie per e-mail kreeg dat het nieuwe bericht een toestemmingsverklaring medische gegevens en een beslissing ongegrond betrof. Doordat het bestreden besluit werd genomen terwijl de termijn voor het indienen van de zienswijze op het voornemen nog liep en de wijze waarop de notificatie werd weergegeven, heeft de gemachtigde het bestreden besluit over het hoofd gezien en pas op 16 april 2025 beroep ingesteld.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden geen aanleiding geven om aan te nemen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het is aan de gemachtigde van eiser als professioneel rechtsbijstandverlener om de termijnen te bewaken en oplettend te zijn of een besluit is genomen waartegen tijdig beroep moet worden ingesteld. Uit de notificatie die de gemachtigde van eiser heeft ontvangen komt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk naar voren dat de minister had beslist op de asielaanvraag van eiser, nu hierin van een ‘beslissing ongegrond’ wordt gesproken. Ook de omstandigheid dat de termijn voor het indienen van de zienswijze ten tijde van het bestreden besluit nog niet was afgelopen, maakt niet dat de gemachtigde van eiser redelijkerwijs niet kon verwachten dat dit besluit al voor het aflopen van die termijn zou worden genomen. Eiser had zijn zienswijze op het voornemen immers al ingediend en heeft daarbij niet aangegeven dat de zienswijze nog nader zou worden aangevuld. De gemachtigde van eiser had er daarom op bedacht moeten zijn dat ook al voor het verstrijken van de zienswijzetermijn op de asielaanvraag zou kunnen beslissen.
Is sprake van bijzondere feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar die aan niet-ontvankelijkverklaring in de weg staan?
5. Nu geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, is het beroep in beginsel niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep toekomt, waaronder ook het door eiser in beroep aangevoerde nieuwe asielmotief. Dit ligt enkel anders als sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten of omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het Bahaddar [5] -arrest die het noodzakelijk maken om ter voorkoming van schending van artikel 3 van Pro het EVRM het te laat indienen van het beroepschrift niet aan eiser tegen te werpen. Zulke ‘Bahaddar-omstandigheden’ doen zich voor als dat wat eiser heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de minister bij uitzetting van eiser het refoulementverbod, neergelegd in artikel 3 van Pro het EVRM zou schenden. [6] De rechtbank dient de beoordeling of daarvan sprake is te verrichten aan de hand van wat eiser heeft aangevoerd en heeft overgelegd en het standpunt dat de minister daarover heeft ingenomen. Ook moet de rechtbank algemeen bekende informatie over het land waarnaar eiser volgens de minister moet terugkeren (Venezuela) in haar beoordeling te betrekken.
5.1.
De rechtbank is op basis van wat in de procedure naar voren is gekomen en de algemeen bekende informatie over Venezuela van oordeel dat de uitzetting van eiser niet onmiskenbaar een schending van artikel 3 van Pro het EVRM oplevert. De minister is in het bestreden besluit ingegaan op wat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht over hoe hij bij terugkeer naar Venezuela vreest te worden behandeld en heeft geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM loopt. De door de minister gegeven motivering komt de rechtbank niet kennelijk onjuist voor. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het een bewuste keuze is geweest van de Venezolaanse autoriteiten om hem geen hiv-medicatie te verstrekken. Evenmin is gebleken dat eiser als homoseksuele man bij terugkeer naar Venezuela onmiskenbaar een behandeling te wachten staat die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Ook het door eiser in beroep aangevoerde asielmotief vormt geen Bahaddar-omstandigheid. Eiser heeft aangevoerd dat hij vreest voor vervolging omdat hij zich in een interview met een bekende vlogger kritisch heeft uitgelaten over de Venezolaanse autoriteiten en heeft deelgenomen met een demonstratie gericht tegen deze autoriteiten. Eiser heeft deze stellingen echter niet met stukken onderbouwd, noch heeft eiser toegelicht wat de inhoud is van de kritiek die hij op de Venezolaanse autoriteiten heeft geuit en waarom hij meent dat hij hierdoor in de negatieve aandacht van deze autoriteiten is komen te staan. Tot slot geven ook de recente ontwikkelingen in Venezuela – zoals op de zitting besproken – geen aanleiding om aan te nemen dat eiser wegens zijn enkele aanwezigheid daar of wegens zijn individuele omstandigheden een evident risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
5.2.
Nu er geen sprake is van Bahaddar-omstandigheden, bestaat er geen aanleiding om de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege te laten.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat niet tijdig beroep is ingesteld. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen
4 wekenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Dit staat in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, app. no. 25894/94,
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.