Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen
Koninklijke PostNL B.V., uit Den Haag, eiseres
[derde-partij], uit [woonplaats] (de ex-werknemer).
Rechtbank Den Haag
Koninklijke PostNL B.V. werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) teruggevorderd voor meerdere Ziektewet-uitkeringen die onterecht aan haar waren uitbetaald ten behoeve van een ex-werknemer. De terugvordering betrof bedragen over perioden tussen 2020 en 2022, waarbij de uitkeringen ook met terugwerkende kracht aan de ex-werknemer waren betaald.
PostNL stelde dat de terugvordering onterecht was omdat de uitkeringen aanvankelijk rechtmatig aan haar waren betaald en de ex-werknemer pas jaren later bezwaar maakte tegen de betalingswijze. De rechtbank oordeelde dat de besluiten tot betaling aan PostNL tussen 2020 en 2021 onherroepelijk waren geworden doordat de ex-werknemer geen bezwaar had gemaakt. Hierdoor mocht PostNL erop vertrouwen dat de betalingen terecht waren.
De rechtbank vond dat het terugvorderen van de uitkeringen drie tot vier jaar na betaling in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook was de ZW-uitkering al beëindigd voordat de terugvordering plaatsvond. Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en herroept zij de primaire besluiten tot terugvordering. PostNL hoeft de bedragen niet terug te betalen en krijgt het betaalde griffierecht vergoed. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot terugvordering van ZW-uitkeringen en bepaalt dat PostNL de bedragen niet hoeft terug te betalen.