ECLI:NL:RBDHA:2026:5623

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
SGR 23/6780 en SGR 24/8080
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens tegemoetkoming in WIA-uitkering

Verzoekster had beroep ingesteld tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over haar mate van arbeidsongeschiktheid en de hoogte van haar WIA-uitkering. Na benoeming van deskundigen en ontvangst van hun rapporten heeft verweerder gewijzigde besluiten genomen waarin de mate van arbeidsongeschiktheid werd verhoogd naar 80-100%, waarmee de eerdere besluiten werden ingetrokken.

Hierdoor heeft verzoekster haar beroepen ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten. Verweerder stemde in met vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank oordeelt dat bij intrekking van beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan de proceskostenveroordeling toewijsbaar is.

De rechtbank berekent de proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij voor de beroepsmatige rechtsbijstand punten worden toegekend voor het indienen van het beroepschrift en de schriftelijke zienswijze. De totale vergoeding bedraagt € 2.335,-, exclusief griffierecht dat verweerder eveneens moet vergoeden.

De rechtbank wijst de verzoeken om proceskostenveroordeling als kennelijk gegrond toe en veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten aan verzoekster. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar op 13 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van haar beroepen wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6780 en SGR 24/8080

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. J.G.J. Spiekker),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In het besluit van 24 augustus 2022, gewijzigd bij het besluit van 5 december 2022 (het primaire besluit I), heeft verweerder bepaald dat verzoekster per 15 augustus 2022 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) naar een mate van 62,08% arbeidsongeschiktheid.
1.1.
In het besluit van 27 februari 2023 (het primaire besluit II) heeft verweerder bepaald dat de loongerelateerde WIA-uitkering van verzoekster per 15 mei 2023 wordt omgezet in een WIA-loonaanvullingsuitkering naar een mate van 62,08% arbeidsongeschiktheid.
1.2.
In het besluit van 21 juli 2023 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit I gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid verhoogd naar 67,91%.
1.3.
In het besluit van 4 september 2024 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit II gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid verhoogd naar 69,38%.
1.4.
Verzoekster heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
1.5.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft in de zaak met registratienummer SGR 23/6780 neuropsycholoog [naam 1], longarts [naam 2] en verzekeringsarts [naam 3] als deskundigen benoemd voor het instellen van een gecombineerd onderzoek en het uitbrengen van advies.
1.7.
De rechtbank heeft het rapport van de neuropsycholoog op 20 maart 2025 ontvangen. Het gecombineerde rapport van de longarts en verzekeringsarts is op 24 maart 2025 ontvangen. Partijen hebben hierop gereageerd.
1.8.
Verweerder heeft op 9 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (het gewijzigde besluit I) waarmee verweerder het bestreden besluit I intrekt en bepaalt dat verzoekster per 15 augustus 2022 recht heeft op een WIA-uitkering naar een mate van 80-100% arbeidsongeschiktheid.
1.9.
Op 19 november 2025 heeft de rechtbank verweerder verzocht om aan te geven wat het gewijzigde besluit I betekent voor het beroep met zaaknummer SGR 24/8080.
1.10.
Verweerder heeft op 2 december 2025 een gewijzigde beslissing op het bezwaar genomen (het gewijzigde besluit II) waarmee verweerder het bestreden besluit II intrekt en bepaalt dat verzoekster per 15 mei 2023 recht heeft op een loonaanvullingsuitkering naar een mate van 80-100% arbeidsongeschiktheid.
1.11.
Verzoekster heeft beide beroepen ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft in SGR 23/6780 meegedeeld de proceskosten en het griffierecht te vergoeden. In SGR 24/8080 heeft verweerder meegedeeld de proceskosten te vergoeden.
1.12.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst de verzoeken om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is verweerder aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. Verzoekster heeft de beroepen ingetrokken omdat verweerder aan haar is tegemoetgekomen. De rechtbank zal daarom de verzoeken om proceskostenveroordeling toewijzen.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst de verzoeken als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb) rekent de rechtbank in SGR 23/6780 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na het verslag deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. In SGR 24/8080 rekent de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand 1 punt voor het indienen van het beroepschrift. De rechtbank merkt de beroepen niet aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Bpb, omdat de werkzaamheden van de gemachtigde van verzoekster niet nagenoeg identiek konden zijn. De vergoeding bedraagt in totaal € 2.335,-.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- in SGR 23/6780 en van € 51,- in SGR 24/8080 te vergoeden. [3] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.