ECLI:NL:RBDHA:2026:5615

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.38414
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit in vreemdelingenrecht toegewezen

Verzoeker heeft op 5 december 2024 uitstel van vertrek gevraagd op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft dit verzoek op 14 augustus 2025 afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat het bezwaar is behandeld.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en vroeg de minister of hij zich tegen toewijzing verzette. De minister gaf aan geen bezwaar te hebben tegen toewijzing. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen.

De uitzetting blijft achterwege totdat op het bezwaar is beslist, waardoor verzoeker gedurende de bezwaarprocedure niet mag worden uitgezet. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,- aan verzoeker, omdat verzoeker vrijgesteld is van griffierecht en verder geen andere kosten vergoed worden.

De uitspraak is gedaan door rechter Y. Yeniay - Cenik en griffier S. Voolstra, uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen waardoor de uitzetting wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38414

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. L.I. Siers),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

1. Verzoeker heeft op 5 december 2024 verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Met het besluit van 14 augustus 2025 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot het achterwege laten van uitzetting totdat op het bezwaar is beslist.
1.1.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Uit artikel 8:81 van Pro de Awb volgt dat de voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Bij brief van 2 januari 2026 heeft de griffier van de rechtbank de minister verzocht om schriftelijk mee te delen of hij zich tegen toewijzing van het verzoek verzet. De minister heeft daarop laten weten zich niet tegen toewijzing van het verzoek te verzetten. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toe.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist. Dat betekent dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure niet mag worden uitgezet.
4.1.
Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij vanwege de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend, waarvoor gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht 1 punt wordt toegekend. Omdat verzoeker is vrijgesteld van het betalen van het griffierecht, hoeft de minister dit niet te vergoeden. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe;
  • treft de voorlopige voorziening dat uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).