ECLI:NL:RBDHA:2026:5599

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/09/690985 / HA RK 25/466
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019w RvArt. 1019aa lid 1 RvArt. 6:96 lid 2 BWArt. 186 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevaststelling na verkeersongeval met tegenstrijdige neuropsychologische rapporten

In deze zaak erkende schadeverzekeraar NN aansprakelijkheid voor een verkeersongeval in 2016 waarbij verzoekster letsel opliep. Diverse expertises, waaronder neuropsychologische en neurologische onderzoeken, leverden tegenstrijdige rapporten op over de aard en oorzaak van haar cognitieve klachten.

Verzoekster wilde dat het rapport van neuropsycholoog [naam 4] bindend werd verklaard en dat causaal verband tussen het ongeval en haar klachten werd vastgesteld. NN betwistte de geldigheid van dit rapport, onder meer vanwege het ontbreken van voldoende validiteitstests en tegenstrijdigheden met het neurologisch rapport van [naam 3].

De rechtbank oordeelde dat het rapport van [naam 4] niet bindend is vanwege inhoudelijke bezwaren en dat het causaal verband niet kon worden vastgesteld. Wel werd NN verplicht mee te werken aan een nieuwe neuropsychologische expertise en het schaderegelingstraject voort te zetten. Het verzoek om belangenbehartiger te accepteren werd afgewezen wegens procedurele ongeschiktheid.

De rechtbank begrootte de kosten van de procedure en veroordeelde NN tot betaling daarvan. De uitspraak benadrukt het belang van een nieuwe, gezamenlijke expertise om het geschil over de schade vast te stellen en het schaderegelingstraject te bespoedigen.

Uitkomst: Verzoek om bindendheid neuropsychologisch rapport en causaal verband afgewezen; NN moet nieuwe expertise toestaan en schaderegeling voortzetten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer / rekestnummer: C/09/690985 / HA RK 25/466
Beschikking van 12 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster]te [woonplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. P. van Huizen,
tegen
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.te Den Haag,
verweerster,
hierna te noemen: NN,
advocaat: mr. A.N.L. de Hoogh.

1.Samenvatting

Schadeverzekeraar NN heeft aansprakelijkheid jegens [verzoekster] erkend vanwege een verkeersongeval in 2016. In de periode daarna hebben diverse expertises plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is niet eensluidend. Partijen twisten over de vraag welk expertiserapport leidend is bij de vaststelling van de schade. [verzoekster] verzoekt de rechtbank om voor recht te verklaren dat één van de expertiserapporten bindend is bij de begroting van de schade en dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval en haar (cognitieve) klachten, dan wel dat NN moet meewerken aan een nieuwe neuropsychologische expertise op gezamenlijk verzoek van partijen. [verzoekster] verzoekt daarnaast dat het schaderegelingstraject weer voortgezet moet worden en dat NN [belangenbehartiger] weer als belangenbehartiger van [verzoekster] moet accepteren. NN weigert dat momenteel wegens misstanden bij de voormalige werkgever van [belangenbehartiger] . De rechtbank wijst de verzoeken van [verzoekster] af, behoudens het verzoek om NN te veroordelen om mee te werken aan een nieuwe gezamenlijke neuropsychologische expertise. In het verlengde daarvan bepaalt de rechtbank dat NN het schaderegelingstraject met [verzoekster] moet voortzetten.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift van 1 september 2025 met producties 1 tot en met 10,
- de brief namens [verzoekster] van 30 september 2025 met producties 11 en 12,
- de brief namens [verzoekster] van 1 december 2025 met producties 13 tot en met 18,
- het verweerschrift van 4 december 2025 met producties 1 tot en met 21,
- de brief namens [verzoekster] van 8 december 2025 met producties 19 tot en met 25,
- de brief van NN van 9 december 2025 met producties 22 tot en met 24,
- de door partijen overgelegde spreekaantekeningen.
2.2.
Op 11 december 2025 heeft de mondelinge behandeling (hierna: zitting) van de zaak plaatsgevonden waarbij spreekaantekeningen zijn voorgedragen en overgelegd. Partijen hebben vervolgens om aanhouding verzocht in verband met schikkingsonderhandelingen. Op 22 januari 2026 heeft [verzoekster] de rechtbank bericht dat geen schikking is bereikt, zodat is verzocht om een beschikking van de rechtbank.

3.De feiten

3.1.
[verzoekster] is op 11 januari 2016 door een auto aangereden terwijl zij via een zebrapad de straat overstak. [verzoekster] was op dat moment 18 jaar oud.
3.2.
NN is de schadeverzekeraar van de auto(mobilist) die het ongeval heeft veroorzaakt. NN heeft aansprakelijkheid jegens [verzoekster] erkend in verband met het ongeval op 11 januari 2016.
3.3.
Kort na het ongeval is een ambulance ter plaatse gekomen die [verzoekster] naar het ziekenhuis heeft vervoerd. In het ambulanceritformulier is het volgende opgenomen:
“Pte zittend op een bankje aangetroffen, norm wob, alert, norm gel kleur, transpireert niet; geen zieke indruk. Anamnese; [verzoekster] steekt de straat over, over het zebrapad. Aankomende automobiliste ziet haar over het hoofd bij regenachtig weer. Snelheid onbekend, auto heeft geen zichtbare schade. Pte wordt van opzij aangereden. Na de aanrijding op de grond gevallen, niet buiten bewustzijn geweest. Hoofdklacht pijnlijke humerus li, Tevens opp schaafverwonding aan het hoofd, niet pijnlijk”
3.4.
In het ziekenhuis is duidelijk geworden dat [verzoekster] een gebroken linker bovenarm en een schaafwond aan haar hoofd aan het ongeval heeft overgehouden. Een dag later is [verzoekster] opnieuw in het ziekenhuis onderzocht en is een schedelfractuur en een bloeding tussen het harde hersenvlies en schedelbot vastgesteld.
3.5.
In het kader van de revalidatie van [verzoekster] is in 2016 een neuropsychologisch onderzoek verricht door drs. [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Van dit onderzoek is op 31 oktober 2016 een verslag opgesteld.
3.6.
Eind 2018 hebben de belangenbehartiger van [verzoekster] (hierna: [belangenbehartiger] ) en NN gesproken over het laten uitvoeren van onafhankelijke deskundigenonderzoeken. Partijen hebben besproken dat behoefte is aan orthopedische, neurologische en neuropsychologische expertises. Per brief van 7 september 2018 heeft [belangenbehartiger] de concept-aanbiedingsbrieven aan orthopedisch chirurg dr. [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en aan neuroloog dr. [naam 3] (hierna: [naam 3] ) voorgelegd. In de concept-aanbiedingsbrief aan [naam 3] is de volgende passage opgenomen:
“Gezien de gedocumenteerde cognitieve klachten lijkt een neuropsychologisch onderzoek op zijn plaats, tenzij u van mening bent dat dit geen toegevoegde waarde heeft. Wij verzoeken U vriendelijk uw visie te beargumenteren. Indien u van mening bent dat een neuropsychologisch onderzoek op zijn plaats is, zullen wij een neuropsychologisch onderzoek aanvragen. U gelieve te wachten met het opstellen van uw conceptrapport tot u over het (concept) neuropsychologisch onderzoeksrapport beschikt, teneinde de onderstaande vragen gedocumenteerd te kunnen beantwoorden.”
3.7.
Op 1 oktober 2018 schrijft de medisch adviseur van NN in een brief aan NN:
“Ten aanzien van de expertises kan ik laten weten akkoord te kunnen gaan met de voorgestelde experts en de vraagstelling, waarbij ik nog wel overleg wil hebben over de aan te stellen neuropsycholoog.”
3.8.
Op 23 november 2018 heeft [belangenbehartiger] het door [naam 1] opgestelde verslag van 31 oktober 2016 naar NN verstuurd. Het betreft een document van zeven pagina’s.
3.9.
Op 15 april 2019 vindt overleg plaats tussen de medisch adviseurs van beide partijen. [belangenbehartiger] heeft vervolgens een e-mail aan NN gestuurd:

Het navolgende bericht ontving ik van mijn medisch adviseur naar aanleiding van het telefonische overleg met uw medisch adviseur.
Geachte heer,
Tijdens overleg met MAA is het volgende besproken:
1.
Het gehele NPO rapport van gezondheidszorgpsycholoog [naam 1] (en dus niet alleen de samenvatting) moet naar MAA en [naam 4] , die onder die voorwaarden akkoord is bevonden.
2.
Vanuit medisch perspectief is dat wat mij betreft akkoord, op voorwaarde (en die toezegging heb ik gekregen) dat dit rapport niet naar juristen gaat
3.
Orthepedische expertise bij [naam 2] .”
3.10.
Per e-mail van 25 april 2019 bevestigt NN aan [belangenbehartiger] dat de medisch adviseurs overeenstemming hebben bereikt over de expertises. NN bevestigt dat zij daar ook mee instemt en verzoekt [belangenbehartiger] de expertises in gang te zetten. Per e-mail van 29 april 2019 heeft [belangenbehartiger] concept-aanbiedingsbrieven aan GZ-psycholoog en klinisch neuropsycholoog [naam 4] (hierna: [naam 4] ) en [naam 3] ter goedkeuring aan NN voorgelegd. In de concept-aanbiedingsbrief aan [naam 3] is, voor zover relevant, de volgende passage opgenomen:

Er werd tevens een neuropsychologisch onderzoek bij Prof [naam 4] aangevraagd, u gelieve te wachten met het uitvoeren van de expertise en opstellen van uw conceptrapport tot u over het (concept) neuropsychologisch onderzoeksrapport beschikt, teneinde de onderstaande vragen gedocumenteerd te kunnen beantwoorden.”
3.11.
Op 29 april 2019 is het medische dossier van [verzoekster] inclusief het gehele verslag van het door [naam 1] uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek van 31 oktober 2016 met de expertiseaanvraag naar [naam 4] verstuurd. [naam 4] heeft [verzoekster] vervolgens onderzocht en heeft in mei 2019 een rapport opgesteld van de neuropsychologische expertise. Het rapport vermeldt, voor zover van belang:
“Stoornissen zijn gevonden op vijf functiegebieden.
[…]
Er heeft zich een hoog-energetisch neurotrauma voorgedaan. De botsing was heftig genoeg gelet op de schouderfractuur. Er is in ieder geval sprake geweest van een commotio cerebri (CT cerebrum op 12-01-2016; epiduraal hematoom links temporaal met schedelfractuur. Controle CT cerebrum d.d. 14-01-2016: epiduraal hematoom links temporaal, mogelijk iets toegenomen […]). Ondanks het ontbreken van de contusiehaarden is ten tijde van de Tolbrug een neurologische diagnose contusio cerebri gesteld.
De klachten zijn na het ongeval ontstaan en corresponderen geheel met de door ons geconstateerde stoornissen die bovendien beschreven zijn als de langere termijn gevolgen van een neurotrauma.
[…]
Noch anamnestisch, noch uit de mij ter beschikking gestelde gegevens komen andere oorzaken naar voren die het gevonden profiel kunnen verklaren.
Onderzoek heeft aangetoond […] dat tot 3 jaar na een commotio nog herstelprocessen kunnen optreden. Naar alle waarschijnlijkheid daarna niet meer. Veel verbetering acht ik echter niet waarschijnlijk gelet op de leeftijd van betrokkene en de ernst van de stoornissen. Ik acht daarom het uiterst waarschijnlijk dat een eindtoestand is bereikt.”
3.12.
Op 5 november 2019 heeft [naam 3] [verzoekster] onderzocht. Zijn bevindingen zijn in een rapport 8 juni 2020 neergelegd. Het rapport vermeldt, voor zover van belang:

De diagnose op mijn vakgebied luidt: trauma capitis met als gevolg een fractuur van het os temporale met ter plekke een epiduraal hematoom. Op grond van de anamnese en na bestudering van het medisch dossier heb ik geen aanknopingspunten voor een commotio of contusio cerebri. Betrokkene is niet bewusteloos geweest, er is geen amnesie voor het ongeval, evenmin is er sprake van een retrograde of posttraumatische amnesie. De verrichte CT-scans van de schedel tonen een klein epiduraal hematoom, zonder onderliggende contusiehaard(en). Als restklachten zijn er voornamelijk cognitieve klachten, met name vermoeidheid, geheugenklachten en concentratiestoornissen, en klachten van hoofdpijn, en klachten van de linkerarm/schouder. Bij het neurologisch onderzoek zijn er geen aanwijzingen voor een lesie van het centrale of het perifere zenuwstelsel.
[…]
Ten aanzien van de cognitieve klachten.Met betrekking tot de boven vermelde bevindingen bij het neuropsychologische onderzoek ben ik van mening dat deze niet berusten op een hersenbeschadiging ten gevolge van het onderhavige ongeval. Mijn argumenten hiervoor zijn de volgende:
1.
Noch uit de anamnese, noch uit de aan mij verstrekte gegevens uit het medisch dossier blijkt dat er spake is geweest van bewustzijnsverlies, van een amnesie voor het ongeval, of een retrograde, of van een posttraumatische amnesie. Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake is geweest van “contusioneel gedrag”. Ze heeft zittend in de ambulance zelf naar huis gebeld.
2.
Mijn tweede argument is dat bij mijn anamnese en onderzoek mij niets is gebleken van een alertheidsstoornis, of van een toenemende traagheid welke optreedt in de loop van het onderzoek. De aandacht van betrokkene was goed te trekken en te behouden gedurende het gesprek en het neurologische onderzoek. Het geheugen was in korte en lange termijn ongestoord, en het kostte ook niet evident moeite (biografische) gegevens te herinneren. Ook meer recente gebeurtenissen werden duidelijk weergegeven, hetgeen ook gold wanneer gerefereerd werd aan onderwerpen die eerder tijdens het gesprek aan bod kwamen. Een vertraging van de centrale informatieverwerking op het niveau van een bradyfrenie, zoals de neuropsycholoog meldt, heb ik tijdens mijn anamnese en onderzoek niet kunnen vaststellen.”
3.13.
Zowel [naam 4] als [naam 3] heeft gereageerd op het (concept)rapport van de ander. Beide deskundigen hebben – kort samengevat – aangegeven dat het rapport van de ander geen aanleiding geeft om hun eigen conclusies en beantwoording van de vragen aan te passen.
3.14.
Op 26 november 2020 heeft NN een advies van haar medisch adviseur van 16 juli 2020 naar [belangenbehartiger] verstuurd. Het advies vermeldt, voor zover relevant:

Ik kan mij volledig vinden in het rapport van de neuroloog. Hij heeft vastgehouden aan zijn eerdere conclusies en is uitgebreid en voldoende gemotiveerd ingegaan op de vragen van de medisch adviseur van de belangenbehartiger.
Verder heeft hij naar mijn mening ook het rapport van [naam 4] voldoende kunnen weerleggen. De neurologische en orthopedische expertise zijn in gezamenlijkheid afgesproken en nu het, zoals eerder aangegeven, goed onderbouwde rapporten betreft, lijkt het mij dat partijen zich aan de uitkomst ervan zullen moeten houden.”
3.15.
Op 1 november 2023 heeft [belangenbehartiger] namens [verzoekster] een regelingsvoorstel naar NN gestuurd. [verzoekster] verzoekt de zaak te regelen voor een bedrag van € 2.131.772,88, plus vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. NN heeft het voorstel per brief van 8 februari 2024 afgewezen. In de brief schrijft NN verder:

Het rapport van [naam 4] wordt ondeugdelijk geacht door [naam 3] , en medisch adviseur [naam 5] heeft daarover nog opgemerkt dat de gang van zaken in dit dossier niet geweest is, zoals tussen de medisch adviseurs overeengekomen werd. Het neuropsychologische onderzoek is verricht zonder conceptfase en er zijn bovendien onvoldoende validiteitstests verricht. Het rapport van [naam 4] is dus onbruikbaar.”
3.16.
Partijen hebben vervolgens gediscussieerd over de omvang van de schade en de uitgangspunten die daaraan ten grondslag zouden moeten liggen.
3.17.
Per brief van 5 juli 2024 heeft NN het kantoor waar [belangenbehartiger] op dat moment werkzaam is bericht dat zij dat kantoor niet langer als belangenbehartiger accepteert vanwege een aantal misstanden. Op 22 juli 2024 heeft NN [verzoekster] verzocht zich door een andere belangenbehartiger te laten vertegenwoordigen dan wel de schade zelf rechtstreeks met NN te regelen. [verzoekster] heeft dit geweigerd.
3.18.
Op 9 december 2024 heeft neuropsycholoog dr. [naam 6] (hierna: [naam 6] ) op eenzijdig verzoek van NN een (concept)rapport uitgebracht vanwege de discussie tussen partijen over de rapporten van [naam 4] en [naam 3] . Het rapport van [naam 6] vermeldt, voor zover relevant:

Antwoord: Als u bedoelt of er voldoende prestatievaliditeitstaken zijn afgenomen, dan is het antwoord nee. Voor neuropsychologisch expertiseonderzoek geldt de regel dat er ten minste twee op zichzelf staande prestatievaliditeitstaken dienen te worden afgenomen tijdens een neuropsychologisch onderzoek, naast zoveel mogelijk ingebouwde prestatievaliditeitsindicatoren binnen bestaande tests. […] In het rapport van prof. [naam 4] van 8 mei 2019 kan ik enkel de afname van één ingebouwde prestatievaliditeitsindicator terugvinden […]. Omdat er geen vrijstaande prestatievaliditeitstaken werden afgenomen, wordt afgeweken van genoemde richtlijn. Daarmee is de prestatievaliditeitsbeoordeling niet volgens geldende maatstaven uitgevoerd.
[…]
7. Wat is uw verklaring voor het feit dat de uitkomst van het onderzoek van prof. [naam 4] niet overeenstemt met de bevindingen en visie van dr. [naam 3] ?
Antwoord: Uit de rapportages van beiden valt op te maken dat prof. [naam 4] zijn bevindingen grotendeels baseert op 1. de gerapporteerde klachten van betrokkene, en 2. de lage neuropsychologische testscores. Dr. [naam 3] heeft zich primair gericht op het medisch dossier en het klinische beeld van betrokkene tegen die achtergrond beoordeeld. Deze verschillen dragen mijns inziens primair bij aan de uiteenlopende conclusies. Voorts is het mijn inschatting dat prof. [naam 4] beperkte expertise heeft over de gevolgen van een licht traumatisch schedel-hersenletsel (LTSH), daar deze in verreweg de meeste gevallen niet gepaard gaan met blijvende cognitieve stoornissen. Alternatieve verklaringen voor lage neuropsychologische testprestaties werden door prof. [naam 4] niet overwogen, terwijl gevonden bodemscores niet passend zijn bij status 3 jr. na LTSH.”
3.19.
Per brief van 30 december 2024 aan [verzoekster] heeft NN aangegeven dat zij zich niet gebonden acht aan het rapport van [naam 4] en dat er geen noodzaak is om een nieuw neuropsychologisch onderzoek te laten verrichten. NN concludeert dat bij de afwikkeling van de schade alleen rekening hoeft te worden gehouden met de lichte beperkingen van [verzoekster] die door [naam 2] zijn beschreven, zodat NN met het tot op dat moment betaalde bedrag van € 156.700 ruimschoots aan haar schadevergoedingsplicht heeft voldaan. NN gaat daarom over tot sluiting van het dossier.
3.20.
Op 21 januari 2025 heeft [belangenbehartiger] [naam 4] verzocht een aantal vragen over zijn rapport uit 2019 te beantwoorden. Op 13 maart 2025 geeft [naam 4] aan dat hij achter de conclusies van zijn rapport staat, maar dat de beroepscode voorschrijft dat dergelijke rapporten een geldigheidsduur van 2 tot 3 jaar hebben zodat de inhoud van zijn rapport niet meer geldig is. [belangenbehartiger] heeft [naam 4] vervolgens verzocht te reageren op de kritiek van [naam 6] over onder meer het gebrek aan validiteitstests en de stelling dat een neuropsychologisch onderzoek niet kan worden geïnterpreteerd zonder neurologisch onderzoek. Op 14 maart 2025 schrijft [naam 4] , voor zover relevant:
“1. De gewoonte om symptoomvaliditeitstest af te nemen is van meer recente datum zeker om meerdere af te nemen. De richtlijn is van 2016 en het heeft even geduurd voordat dit ‘common practice’ was. In 2019 was dit in ieder geval nog niet nadrukkelijk de praktijk van handelen.
[…]
3. Dat is gedeeltelijk waar. Dit is niet opgenomen in de richtlijn voor neuropsychologische expertises maar is in de meeste letsel-schadezaken wel de ‘gouden weg’. Ikzelf word ook het liefst ingeschakeld door een neuroloog en zie mijn rapportage als onderdeel van de neurologische eindrapportage.”
3.21.
In februari 2025 heeft [belangenbehartiger] de overstap gemaakt naar Constans Letselschade B.V. (hierna: Constans). NN en ( [belangenbehartiger] namens) [verzoekster] hebben vervolgens gecorrespondeerd over de afwikkeling van de schade en het al dan niet accepteren van [belangenbehartiger] als belangenbehartiger van [verzoekster] , maar zij hebben daarover geen overeenstemming bereikt.
3.22.
Op 20 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag vonnis gewezen in een procedure tussen enerzijds NN en anderzijs onder meer Constans. Constans heeft in die procedure gevorderd dat NN haar weer moet accepteren als belangenbehartiger en een aantal schaderegelingstrajecten moet voortzetten, op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen. Tegen het vonnis is hoger beroep ingesteld.

4.Het verzoek en het verweer

4.1.
[verzoekster] verzoekt de rechtbank, na vermeerdering van eis ter zitting – zakelijk weergegeven – bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):
primair
I. voor recht te verklaren dat het neuropsychologische expertiserapport van [naam 4] uit 2019 bindend is voor partijen bij de begroting van de schade van [verzoekster] als gevolg van het ongeval op 11 januari 2016;
II. voor recht te verklaren dat er (juridisch) causaal verband bestaat tussen het ongeval op 11 januari 2016 en de (cognitieve) stoornissen bij [verzoekster] zoals genoemd in het expertiserapport van [naam 4] ;
subsidiair
III. te beslissen dat NN moet meewerken aan het gezamenlijk aanvragen van een nieuwe neuropsychologische expertise;
in alle gevallen
IV. te oordelen dat NN de schaderegeling met [verzoekster] weer ter hand moet nemen en [belangenbehartiger] als belangenbehartiger van [verzoekster] moet accepteren, op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag dat zij daar niet aan voldoet met een maximum van € 500.000;
V. de kosten van het deelgeschil te begroten op € 11.230 (inclusief btw), plus een vermeerdering van 8 uur tegen een uurtarief van € 275 exclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht, en NN te veroordelen tot betaling daarvan aan [verzoekster] binnen 14 dagen, en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na de beschikking.
4.2.
[verzoekster] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [naam 4] op gezamenlijk verzoek van partijen een neuropsychologische expertise heeft verricht en dat het rapport van [naam 4] bindend is voor partijen. Volgens [verzoekster] is het rapport op de juiste wijze tot stand gekomen en bestaan er geen geldige bezwaren tegen de inhoud van het rapport. Ook is sprake van rechtsverwerking en afstand van recht aan de zijde van NN.
4.3.
NN verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken.
4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Verzoeken geschikt voor deelgeschil?
5.1.
[verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv, dat het mogelijk maakt om een uitspraak te vragen over een onderdeel van wat partijen verdeeld houdt in een zaak waarin sprake is van schade door dood of letsel (een deelgeschil) en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.
5.2.
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of partijen zijn gebonden aan het rapport van [naam 4] en of sprake is van causaal verband tussen het ongeval op 11 januari 2016 en de cognitieve stoornissen bij [verzoekster] zoals genoemd in het rapport van [naam 4] . Daarnaast bestaat een geschil over de betrokkenheid van [belangenbehartiger] als belangenbehartiger van [verzoekster] .
5.3.
Volgens NN leent het verzoek om haar te verplichten [belangenbehartiger] als belangenbehartiger van [verzoekster] te accepteren zich niet voor behandeling in deelgeschil, omdat het onder meer een verkapt verzoek betreft dat ziet op het geschil tussen NN en Constans en [verzoekster] onvoldoende belang heeft bij dit verzoek.
5.4.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek onder 4.1 sub IV. zich niet leent voor behandeling in een deelgeschil. Het verzoek ziet weliswaar op het accepteren van [belangenbehartiger] als belangenbehartiger van [verzoekster] en lijkt daarmee afgebakend te zijn in deze procedure, maar tegelijkertijd hangt het verzoek samen met een omvangrijk geschil tussen enerzijds Constans en haar medewerkers en anderzijds NN en gaat het meer over de algemene vraag of (medewerkers van) Constans als belangenbehartiger moet worden geaccepteerd door een letselschadeverzekeraar als NN. Nu [belangenbehartiger] ter zitting heeft erkend dat hij in loondienst is bij Constans, kan een oordeel over dit verzoek dan ook niet los worden gezien van een oordeel over het accepteren van Constans als belangenbehartiger van derden en daarvoor is de deelgeschillenprocedure niet bedoeld. De rechtbank zal [verzoekster] daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van het verzoek.
5.5.
Partijen twisten niet over de vraag of de overige verzoeken van [verzoekster] zich lenen voor een behandeling in deelgeschil. De rechtbank is van oordeel dat met een oordeel over deze verzoeken de tussen partijen ontstane impasse mogelijk kan worden doorbroken. Dit betekent dat de rechtbank de overige verzoeken van [verzoekster] inhoudelijk zal beoordelen.
Rapport [naam 4] niet bindend bij de begroting van de schade
5.6.
[verzoekster] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat het neuropsychologische expertiserapport van [naam 4] bindend voor partijen is bij de begroting van de schade van [verzoekster] als gevolg van het ongeval op 11 januari 2016. De expertise is op gezamenlijk verzoek van partijen verricht door [naam 4] . Volgens [verzoekster] bestaan er geen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport, zodat het rapport niet terzijde mag worden geschoven.
Geldigheid rapport [naam 4]
5.7.
Het meest verstrekkende verweer van NN is dat het rapport van [naam 4] volgens NN niet meer geldig is. Uit de Beroepscode voor psychologen volgt dat in de rapportage vermeld moet worden na verloop van welke termijn de conclusies redelijkerwijs hun geldigheid verloren kunnen hebben. Het rapport van [naam 4] vermeldt een dergelijke termijn niet. NN heeft in dit kader verwezen naar de e-mail van [naam 4] van 13 maart 2025 waarin hij verklaart dat zijn rapport zes jaar na dato niet meer geldig is en de verklaring van [naam 6] dat de geldigheid van neuropsychologische expertises meestal tussen de één en drie jaar is.
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank vormt het tijdsverloop vooralsnog geen reden om het rapport van [naam 4] terzijde te schuiven. Het rapport is in ieder geval relevant voor de periode tot en met drie jaar na het rapport. Voor de periode daarna geldt dat niet is gebleken dat zich relevante medische ontwikkelingen hebben voorgedaan en zowel [naam 4] als [naam 3] hebben geconstateerd dat sprake is van een medische eindsituatie waarbij een verdere verbetering of verslechtering niet in de lijn der verwachtingen ligt. De rechtbank oordeelt dan ook dat, hoewel sprake is van een groot tijdsverloop, dit er op zichzelf staand niet toe leidt dat het rapport van [naam 4] terzijde moet worden geschoven.
Totstandkoming van het rapport
5.9.
NN voert aan dat de expertises niet in de juiste volgorde zijn verricht. Volgens NN had eerst de neurologische expertise moeten plaatsvinden en had de neuroloog moeten bepalen of een neuropsychologische expertise aangewezen was. Als [naam 3] zijn neurologische onderzoek eerst had verricht, was de conclusie geweest dat er geen sprake was van een hersenbeschadiging en er dus ook geen noodzaak was voor een neuropsychologische expertise, aldus NN.
5.10.
De rechtbank oordeelt dat het in het algemeen onjuist is dat een neuropsychologisch onderzoek alleen op indicatie van de neuroloog kan plaatsvinden. Een neuropsychologisch onderzoek kan (ook) als zelfstandig onderzoek, of voorafgaand aan een neurologische expertise worden gedaan. In dit geval hebben partijen in verband met de bezwaarprocedure van [verzoekster] bij het UWV er ook voor gekozen om de neuropsychologische expertise eerst te laten plaatsvinden. Dat kan NN [verzoekster] achteraf niet tegenwerpen.
Symptoomvaliditeitstest en verhouding met rapport [naam 3]
5.11.
NN betoogt verder dat het rapport van [naam 4] niet bruikbaar is omdat [naam 4] in strijd met de Richtlijn voor neuropsychologische expertise uit 2016 heeft gehandeld. Volgens die richtlijn moeten bij het onderzoek tenminste twee verschillende op zichzelf staande symptoomvaliditeitstaken (hierna: SVT) worden gebruikt en daarnaast zoveel mogelijk ingebouwde validiteitsindicatoren binnen de verschillende tests.
5.12.
[naam 4] heeft op 14 maart 2025 verklaard dat bij de expertise twee ingebouwde taken zijn aangeboden: de 15-woordentest en de reliable digit span. In het rapport uit 2019 heeft [naam 4] verklaard dat gebruik is gemaakt van één SVT: de 15-woordentest. Dit betreft een ingebouwde validiteitsindicator, terwijl de richtlijn tenminste twee verschillende op zichzelf staande SVT’s voorschrijft. Naar het oordeel van de rechtbank kan van de richtlijn worden afgeweken, mits daarvoor een goede reden bestaat en dit deugdelijk wordt gemotiveerd. Dat is hier echter niet gebeurd. [naam 4] heeft achteraf enkel verklaard dat het uitvoeren van meerdere op zichzelf staande SVT’s in 2019 nog geen common practice was. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank zonder goede reden afgeweken van de professionele standaard voor neuropsychologische expertises, zodat er zwaarwegende inhoudelijke bezwaren tegen het rapport kunnen worden aangenomen.
5.13.
De rechtbank oordeelt verder dat het rapport van [naam 4] niet kan worden gebruikt bij de begroting van de schade, omdat enkele conclusies uit dat rapport haaks op de conclusie van het rapport van neuroloog [naam 3] – waartegen door [verzoekster] geen (inhoudelijke) bezwaren zijn aangevoerd – staan. Zo concludeert [naam 4] op basis van het medisch dossier dat er in ieder geval sprake is geweest van een commotio cerebri, terwijl [naam 3] op basis van datzelfde medisch dossier concludeert dat daarvan juist geen sprake is geweest. Daarnaast heeft [naam 4] stoornissen op vijf functiegebieden vastgesteld, waaronder een ernstige stoornis van het geheugen, een alertheidsstoornis en een vertraging van de centrale informatieverwerking op het niveau van een bradyfrenie. [naam 3] verklaart daarentegen in zijn rapport dat hij tijdens zijn onderzoek niet heeft geconstateerd dat [verzoekster] last had van een alertheidsstoornis of dat haar aandacht niet goed te behouden was. Het geheugen van [verzoekster] was volgens [naam 3] in korte en lange termijn ongestoord en het kostte [verzoekster] niet evident moeite om (biografische) gegevens te herinneren. Ook heeft [naam 3] geen vertraging van de centrale informatieverwerking op het niveau van een bradyfrenie kunnen vaststellen. [naam 3] is van oordeel dat de cognitieve klachten niet berusten op een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval, terwijl dat volgens [naam 4] wel het geval is.
5.14.
Zowel [naam 4] als [naam 3] is gevraagd om te reageren op de resultaten van het (concept)rapport van de ander. Beide deskundigen hebben – kort samengevat – aangegeven dat zij volledig achter de inhoud, resultaten en validiteit van hun eigen rapport staan.
5.15.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet oordelen dat het rapport van [naam 4] als enige bindend is voor partijen bij de begroting van de schade. Dat zou anders kunnen zijn indien sprake is van rechtsverwerking of afstand van recht, zoals [verzoekster] stelt. Daarvan is, zoals de rechtbank hierna toelicht, geen sprake.
Rechtsverwerking
5.16.
Volgens [verzoekster] heeft NN zich gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het zich niet gebonden achten aan het rapport. [verzoekster] stelt dat NN het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij zich niet zou beroepen op de ongeldigheid van het rapport van [naam 4] , omdat zij zich vanaf 2019 heeft gedragen alsof het rapport bindend was. NN heeft de kosten van het rapport vergoed, heeft onderhandeld over de schade, heeft aanvullende voorschotten aan [verzoekster] betaald en heeft gedurende vier jaar na het opstellen van het rapport geen bezwaren geuit tegen het rapport. De rechtbank volgt [verzoekster] daarin niet.
5.17.
Het beroep op rechtsverwerking is een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Voor het slagen van een beroep hierop is nodig dat vast komt te staan dat NN zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens buiten beschouwing laten van het rapport van [naam 4] bij de vaststelling van de schade van [verzoekster] . Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarvoor onvoldoende dat er alleen tijd is verstreken voordat er aanspraak is gemaakt. Er moeten bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan bij [verzoekster] gerechtvaardigd het vertrouwen is gewekt dat NN haar aanspraak niet meer geldend zal maken.
5.18.
NN heeft weliswaar diverse voorschotten aan [verzoekster] betaald en haar begeleid bij het opzetten van haar eigen bedrijf, maar dat maakt niet dat NN het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij zich kon vinden in de inhoud van het rapport van [naam 4] en zich daaraan heeft gecommitteerd. Reeds op 26 november 2020 heeft NN een advies van haar medisch adviseur naar [belangenbehartiger] verstuurd waarin is vermeld dat de medisch adviseur zich volledig kan vinden in het rapport van [naam 3] en dat [naam 3] het rapport van [naam 4] voldoende heeft weerlegd, zodat partijen zich volgens NN aan de uitkomst van het rapport van [naam 3] (en [naam 2] ) zullen moeten houden. Het rapport van [naam 3] staat, zoals hiervoor toegelicht, haaks op het rapport van [naam 4] . Ook in de periode daarna heeft NN meerdere keren bezwaren geuit tegen het rapport van [naam 4] . Dat NN intussen enkele voorschotten aan [verzoekster] heeft voldaan, maakt het voorgaande niet anders. Van rechtsverwerking is dan ook geen sprake.
Afstand van recht
5.19.
[verzoekster] stelt verder dat sprake is van afstand van recht. Zij heeft niet gesteld dat NN eenzijdig en uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van haar rechten ten aanzien van het rapport van [naam 4] , zodat in zoverre al geen sprake kan zijn van afstand van recht. Voor zover [verzoekster] bedoeld heeft dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat NN zich aan het rapport van [naam 4] committeerde, omdat NN na de ontvangst van de aanvraag van de expertise, het conceptrapport en het definitieve rapport van [naam 4] geen bezwaren tegen het rapport heeft geuit, slaagt dat niet. Onder 5.18 is al geoordeeld dat NN op meerdere momenten bewaren heeft geuit tegen het rapport van [naam 4] , zodat het voor [verzoekster] duidelijk had moeten en kunnen zijn dat NN zich niet committeerde aan dat rapport. Het beroep op afstand van recht slaagt daarom niet.
Conclusie
5.20.
De rechtbank wijst het verzoek om een verklaring voor recht dat het expertiserapport van [naam 4] uit 2019 bindend is voor partijen bij de begroting van de schade van [verzoekster] af.
Causaal verband tussen ongeval en de (cognitieve) stoornissen bij [verzoekster] ?
5.21.
[verzoekster] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat er (juridisch) causaal verband bestaat tussen het ongeval op 11 januari 2016 en de (cognitieve) stoornissen bij [verzoekster] zoals genoemd in het expertiserapport van [naam 4] . [verzoekster] wijst in dat kader op het feit dat [naam 4] op vijf gebieden cognitieve stoornissen bij [verzoekster] heeft vastgesteld en dat er geen andere oorzaken zijn die deze stoornissen kunnen verklaren. Het causaal verband volgt daarom uit het rapport van [naam 4] , aldus [verzoekster] . De rechtbank volgt [verzoekster] daarin niet, omdat er zwaarwegende inhoudelijke bezwaren tegen het rapport kunnen worden aangenomen en enkele conclusies van het rapport haaks op de conclusie van het rapport van [naam 3] – waartegen door [verzoekster] geen (inhoudelijke) bezwaren zijn aangevoerd – staan.
5.22.
Verder stelt [verzoekster] dat sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, zodat haar klachtenpatroon plausibel is. Van het bestaan van haar klachten – ook als het niet of moeilijk objectiveerbare klachten betreft – kan daarom worden uitgegaan. Hoewel de rechtbank het bestaan van de klachten aannemelijk acht, kan de rechtbank niet vaststellen dat ook sprake is van een consequent patroon van klachten. Het rapport van [naam 3] bevat immers een contra-indicatie voor het bestaan van (in ieder geval een groot gedeelte van) de klachten van [verzoekster] . Daarnaast is de oorzaak van de door [verzoekster] gestelde klachten niet duidelijk. De rechtbank wijst de verzochte verklaring voor recht daarom af.
NN moet meewerken aan een nieuwe neuropsychologische expertise en het schaderegelingstraject voortzetten
5.23.
[verzoekster] verzoekt subsidiair, in het geval de verzoeken onder I. en II. worden afgewezen, dat NN moet meewerken aan een nieuwe neuropsychologische expertise. Volgens [verzoekster] heeft zij ondanks dat [naam 3] geen neurologische afwijkingen heeft vastgesteld belang bij een nieuw neuropsychologisch onderzoek.
5.24.
De rechtbank stelt vast dat [verzoekster] belang heeft bij een nieuwe neuropsychologische expertise. Het is aannemelijk dat [verzoekster] met cognitieve stoornissen te kampen heeft, maar de omvang daarvan is op basis van de huidige (op onderdelen tegenstrijdige) rapporten van [naam 4] en [naam 3] niet vast te stellen. Dat [naam 3] geen neurologische afwijkingen heeft vastgesteld vormt geen beletsel om aan een nieuw neurospychologisch onderzoek mee te werken, onder meer omdat een neuropsychologisch onderzoek ook zelfstandig en zonder indicatie van de neuroloog kan plaatsvinden en omdat partijen hebben afgesproken dat naast de neurologische expertise een neuropsychologische expertise zou plaatsvinden. Daarnaast heeft ook [naam 3] een aantal kanttekeningen bij zijn rapport geplaatst in de beantwoording van de aanvullende vragen. Zo stelt [naam 3] dat een hoog energetisch trauma heeft plaatsgevonden en dat ook sprake van een contusio cerebri kan zijn zonder een zichtbare hersenkneuzing op een CT-scan in de acute fase. Verder stelt [naam 3] dat, zeker bij jonge mensen, niet altijd sprake is van het verlies van bewustzijn ondanks een contusio cerebri. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat [verzoekster] een contusio cerebri heeft gehad en dat als gevolg daarvan cognitieve stoornissen zijn opgetreden.
5.25.
In beginsel kan de rechtbank op grond van artikel 186 lid 5 Rv Pro de deskundigen verzoeken om een nadere toelichting of aanvulling te geven. Pas nadat de deskundigen hiertoe in de gelegenheid zijn gesteld, kan de rechtbank een of meer andere deskundigen benoemen, tenzij de rechtbank een nadere toelichting of aanvulling niet zinvol acht. In dit geval heeft zowel [naam 4] als [naam 3] het rapport van de ander ingezien en aan hen is gevraagd om daarop te reageren. [naam 4] en [naam 3] hebben vervolgens vastgehouden aan hun eigen conclusies. De rechtbank acht het daarom niet zinvol om [naam 4] en [naam 3] nogmaals om een nadere toelichting te vragen. Om het schaderegelingstraject voortgang te laten vinden, ligt een nieuwe neuropsychologische expertise voor de hand en daaraan zal NN moeten gaan meewerken. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze expertise op de kortst mogelijke termijn moet plaatsvinden. Vanaf de datum van het ongeval zijn inmiddels tien jaren verstreken en het is in het belang van [verzoekster] , als benadeelde, om het schaderegelingstraject zo spoedig mogelijk af te ronden.
5.26.
Het voorgaande impliceert ook dat NN het schaderegelingstraject met [verzoekster] weer moet voortzetten. De rechtbank zal dat als zodanig op na te melden wijze in haar beslissing bepalen waarbij een dwangsom niet nodig wordt geacht, omdat er op dit moment geen aanwijzingen zijn dat NN zich niet aan deze beschikking zal houden.
Kosten deelgeschil
5.27.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Daarvan is in dit geval geen sprake.
5.28.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
5.29.
[verzoekster] heeft de kosten van het deelgeschil aanvankelijk begroot op 35,5 uur (waarvan 3,5 uur tegen de helft van het uurtarief) tegen een uurtarief van € 275 exclusief 21% btw, te vermeerderen met het griffierecht. Tijdens de zitting heeft [verzoekster] om een vermeerdering met 8 uur verzocht. Dit resulteert in een totale urenbesteding van 43,5 uren (waarvan 3,5 uur tegen de helft van het uurtarief) en een totaalbedrag van € 11.481,25 exclusief btw en griffierecht. NN heeft bezwaar gemaakt tegen de begroting van de kosten. NN acht een bedrag van € 8.000 exclusief griffierecht redelijk.
5.30.
Gelet op de aard en complexiteit van de zaak en mede met het oog op het gehanteerde uurtarief, acht de rechtbank een tijdsinvestering van de advocaat van [verzoekster] in verband met het deelgeschil van 30 uur in totaal reëel. De werkzaamheden van de advocaat van [verzoekster] die verband houden met de discussie over [belangenbehartiger] en Constans komen niet voor begroting in aanmerking. Het gehanteerde uurtarief acht de rechtbank niet onredelijk, met dien verstande dat geen kantoorkosten in rekening worden gebracht. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 30 uren × € 275 + 21% btw, dus op € 8.250 exclusief btw / € 9.982,50 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 331. De rechtbank zal NN ook veroordelen tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de verzochte wettelijke rente.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek voor zover dat is gericht op het weer ter hand nemen van de schaderegeling met [verzoekster] en daarbij [belangenbehartiger] als belangenbehartiger van [verzoekster] te accepteren;
6.2.
bepaalt dat NN medewerking moet verlenen aan het gezamenlijk aanvragen van een nieuwe neuropsychologische expertise;
6.3.
bepaalt dat NN het schaderegelingstraject met [verzoekster] moet voortzetten met een schriftelijke bevestiging hiervan aan [verzoekster] uiterlijk 5 dagen na de beschikking;
6.4.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 9.982,50 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 331, en veroordeelt NN tot betaling daarvan aan [verzoekster] binnen 14 dagen na de beschikking; bij niet betaling binnen deze termijn te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de beschikking tot de dag van algehele voldoening;
6.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
3556