ECLI:NL:RBDHA:2026:5551

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.59484
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwArt. 30 Vw
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag na Dublinonderzoek

Eiser diende op 22 maart 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister vroeg op 14 april 2025 Frankrijk om terugname van eiser, maar na aanvankelijke acceptatie weigerde Frankrijk dit op 30 april 2025. De minister verzocht om heroverweging, maar kreeg geen akkoord, waardoor Nederland per 16 mei 2025 verantwoordelijk werd voor de aanvraag.

De minister had uiterlijk 16 november 2025 moeten beslissen, maar stelde niet tijdig een besluit vast. Eiser stelde de minister op 17 november 2025 in gebreke en diende daarna beroep in, dat gegrond werd verklaard. De rechtbank bepaalde dat de minister binnen 8 weken na uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen 8 weken daarna een besluit moet nemen.

Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. De minister werd ook veroordeeld tot betaling van proceskosten van €467 aan eiser. De rechtbank vernietigde het niet tijdig genomen besluit en gaf een duidelijke termijn voor het alsnog nemen van een besluit.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een nadere beslistermijn en dwangsom op aan de minister.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.59484
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser gegrond?
3. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen4, vangt de zesmaandentermijn aan op het moment waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.5
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4 Artikel 30 van Pro de Vw.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
4. Eiser heeft op 22 maart 2025 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 14 april 2025 heeft de minister Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen6. De Franse
autoriteiten hebben dit verzoek op 28 april 2025 aanvankelijk (fictief) geaccepteerd, maar op 30 april 2025 alsnog geweigerd.
5. Op 1 mei 2025 heeft de minister Frankrijk verzocht de weigering te heroverwegen en binnen twee weken, dus uiterlijk op 15 mei 2025, op dit verzoek te reageren. De Franse autoriteiten hebben geen aanleiding gezien om alsnog akkoord te gaan met het terugnameverzoek van 14 april 2025. De minister is daarom per 16 mei 2025 verantwoordelijk geworden voor de asielaanvraag van eiser. Dit betekent dat de minister uiterlijk op
16 november 2025 op de aanvraag had moeten beslissen.7
6. Eiser heeft de minister op 17 november 2025 in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

7. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.8 In deze zaak is dit aan de orde.
8. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser in deze zaak nog niet is gehoord omtrent zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor omtrent de asielmotieven van eiser moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit op de aanvraag bekend moet maken.

Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?

9. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.9 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
10. Eiser heeft de rechtbank verzocht om “te bepalen dat verweerder de wettelijke dwangsommen is verschuldigd”. De rechtbank leest dit als een verzoek tot het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke dwangsom.
11. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.10 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in
6 Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
7 Artikel 42, eerste lid, van de Vw.
8 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
10 Stb. 2025, 96.
gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen zestien weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nader gehoor af te nemen en binnen acht weken na het nader gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 maart 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.