ECLI:NL:RBDHA:2026:5548

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
12001481 / RL EXPL 25-22849
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 611a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kort geding vordering voorschot schadevergoeding tegen school en bestuursvoorzitter

Eiser vordert in kort geding een voorschot op een schadevergoeding van €24.000 wegens inkomensschade als gevolg van vermeende benadeling van zijn minderjarige zoon op een basisschool van Panta Rhei. Tevens vordert hij een dwangsom en proceskostenvergoeding.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vordering niet toewijsbaar is omdat eiser geen spoedeisend belang heeft aangetoond, de schade onvoldoende is onderbouwd en het causaal verband tussen de gedragingen van de school en de schade ontbreekt. Daarnaast is de vordering onduidelijk geformuleerd, met onzorgvuldige pleitnota en onrechtmatige negatieve kwalificaties jegens de school.

De school en de bestuursvoorzitter betwisten de feiten en schade gemotiveerd. De rechter benadrukt dat in kort geding geen ruimte is voor nadere bewijsvoering en dat het niet verantwoord is om vooruit te lopen op een bodemprocedure. De vordering wordt integraal afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang, onvoldoende onderbouwing en ontbreken van causaal verband.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Kantonrechter, zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12001481 / RL EXPL 25-22849
CB/c
Vonnis in kort geding van 13 maart 2026
in de zaak van:
[eisende partij],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: dr. D.B. Pathak (Stichting Juridisch Centrum),
tegen
1. de stichting
Stichting r.-k, Algemeen Bijzonder en Openbaar Primair Onderwijs PANTA RHEI,tevens handelende onder de naam
Panta Rhei,
gevestigd te Leidschendam,
hierna te noemen: Panta Rhei,
en

2 [gedaagde partij] ,

wonende te [woonplaats 2]
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gedaagde partijen,
gemachtigde: mr. W. Brussee.

1.De procedure

1.1
De dagvaarding van 29 januari 2026, met veertien producties (nrs. 1 tot en met 14), waarvan twee ‘lege’ producties (nrs. 12 en 13).
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026. Daarbij is [eisende partij] in persoon verschenen samen met zijn gemachtigde, is namens Panta Rhei de gemachtigde verschenen en is [gedaagde partij] in persoon verschenen samen met zijn gemachtigde. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisende partij] en de gemachtigde (deels) een pleitnota voorgedragen. Van hetgeen verder tijdens de mondelinge behandeling is besproken heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.
1.3
Tijdens de zitting meldde de gemachtigde van Panta Rhei en [gedaagde partij] dat hij op 4 februari 2026 een conclusie van antwoord inclusief producties per e-mail had ingestuurd. Bij controle door de griffier tijdens de mondelinge behandeling bleek daarvan niet. Wel is gebleken dat op 9 februari 2026 een conclusie van antwoord per e-mail is ingestuurd. Gelet op het feit dat deze na de mondelinge behandeling is ontvangen en Panta Rhei en [gedaagde partij] tijdens de mondelinge behandeling verweer hebben gevoerd, zal deze conclusie buiten beschouwing blijven.
1.4
Bij verzoekschrift van 11 februari 2026 heeft [eisende partij] de kantonrechter gewraakt. Daarop is de procedure geschorst. Bij beslissing van 9 maart 2026 is [eisende partij] niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek. Daarop kon de procedure worden voortgezet.
1.5
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1
[eisende partij] heeft een zoon, [zoon] (hierna: [zoon] ).
2.2
[zoon] is/was ingeschreven als leerling op Basisschool [school] te [woonplaats 1] , een van de scholen van Panta Rhei.
2.3
[gedaagde partij] is bestuursvoorzitter van Basisschool [school] .

3.Het geschil

3.1
[eisende partij] vordert om Panta Rhei en [gedaagde partij] met een vonnis, bij voorraad uitvoerbaar, te veroordelen: (A.) in [een] schadevergoeding ad Eur 24.000 wegens [+?]; (B.) de totale vordering zal de grens van Eur 25.000 niet overschrijden; (C.) in een dwangsom ad Eur 500 per dag met een maximaal [maximum] van Eur 50.000; (D.) een nasalaris ad Eur 137 indien Panta Rhei en [gedaagde partij] binnen 14 dagen na het vonnis geen gehoor geven of de betekenis [betekening] van het vonnis noodzakelijk wordt; (E.) Panta Rhei en [gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten zijdens [eisende partij] .
3.2
Aan zijn vordering legt [eisende partij] ten grondslag dat hij inkomensschade heeft geleden in de vorm van inkomensderving als gevolg van structurele benadeling van [zoon] , waardoor deze onderwijs heeft moeten missen.
3.3
Panta Rhei en [gedaagde partij] voeren verweer. Zij betwisten de door [eisende partij] naar voren gebrachte feiten, zij betwisten het spoedeisend belang van [eisende partij] en zij betwisten de schade.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Beoordelingskader
4.1
Deze procedure is een kort geding procedure. In een kort geding procedure heeft de voorzieningenrechter in het oordeel te betrekken in hoeverre aannemelijk is dat de rechter in (een nog te voeren) bodemprocedure de vordering van de eisende partij zal toewijzen. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter te beoordelen in hoeverre het verantwoord is op een oordeel in de bodemprocedure met een voorlopige voorziening vooruit te lopen, een en ander met inachtneming van de gerechtvaardigde belangen van de gedaagde partij.
4.2
In deze kort geding procedure wordt een geldsom gevorderd. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eisende partij op de gedaagde partij voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is hoe dan ook terughoudendheid geboden. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, mocht de bodemrechter anders beslissen.
Inhoudelijke beoordeling
4.3
De vordering van [eisende partij] is om meerdere redenen niet toewijsbaar. De voorzieningenrechter zal een aantal van die redenen hieronder benoemen. Elk van deze redenen is op zich al voldoende reden om de (geld)vordering van [eisende partij] in kort geding af te wijzen.
4.4
In de eerste plaats mist de vordering van [eisende partij] naar het oordeel van de voorzieningenrechter spoedeisend belang. Weliswaar benoemt de dagvaarding onder hoofdstuk III. dat [zoon] al vier maanden onderwijs mist, maar de vordering van [eisende partij] ziet op een voorschot op een schadevergoeding, die betrekking heeft op inkomensschade van [eisende partij] zelf. Het was aan [eisende partij] om de spoedeisendheid van zijn vordering te onderbouwen, zeker in het geval van een geldvordering (zie hiervoor rechtsoverweging 4.2), waarbij nog meer terughoudendheid geboden is dan in het geval van een te treffen voorlopige voorziening. Op geen enkele wijze wordt duidelijk in hoeverre een voorschot op een schadevergoeding spoedeisend is. Dat alleen al is voldoende reden om de vordering af te wijzen.
4.5
In een kort geding procedure is geen ruimte voor nadere bewijsvoering. De dagvaarding van [eisende partij] bevat onder de punten 1 tot en met 33 een lange lijst van beweringen en zelfs beschuldigingen, soms in niet mis te verstane negatieve kwalificaties aan het adres van (met name) Panta Rhei, met betrekking tot de wijze waarop Panta Rhei invulling heeft gegeven aan het onderwijs aan [zoon] en meer in het bijzonder de wijze waarop Panta Rhei [zoon] en zijn ouders behandeld zou hebben in de problematiek waarmee [zoon] kampt.
4.6
In de dagvaarding schetst [eisende partij] een zeer negatief beeld van Panta Rhei als onderwijsinstelling en schuwt [eisende partij] herhaaldelijke negatieve beschuldigingen aan het adres van Panta Rhei niet, zoals ‘structurele misstanden, incompetente leraren/medewerkers, geen pedagogisch vermogen, brutale gedragingen, beruchte, misvormde en zeer slechte scholengroep, beeld van zakkenvullers en fraudeurs, hoogmoedige arrogantie, agressieve, ondeugende en grensoverschrijdende gedragingen’ en vele meer. Met het noemen van dergelijke kwalificaties miskennen [eisende partij] en zijn gemachtigde dat van procespartijen verwacht mag worden dat zij zich in processtukken beperken tot feiten en zich daarbij onthouden van negatieve of diffamerende subjectieve kwalificaties van die feiten.
4.7
Tegen elk van de beweringen van de zijde van [eisende partij] voeren Panta Rhei en [gedaagde partij] gemotiveerd verweer en zij doen dit op een in tegenstelling tot [eisende partij] beschaafde en afgewogen wijze.
4.8
Als eerder overwogen moet de voorzieningenrechter in een kort geding procedure onderzoeken in hoeverre het verantwoord is op oordeel in een nog te voeren bodemprocedure vooruit te lopen, waarbij een belangrijk gegeven is dat in een kort geding procedure geen ruimte is voor nadere bewijsvoering.
4.9
Van beide zijden wordt een volledig tegengesteld beeld geschetst van hetgeen zich rondom het onderwijs van [zoon] zou hebben afgespeeld. Omdat de voorzieningenrechter ten opzichte van de gemotiveerde verweren van Panta Rhei en [gedaagde partij] de stellingen van [eisende partij] niet zonder meer voor waar kan aannemen, is het niet verantwoord zonder een nader debat tussen partijen en wellicht een nadere bewijsvoering door [eisende partij] nu reeds een voorschot te nemen op een beslissing in een bodemprocedure. Ook daarom moet de vordering van [eisende partij] worden afgewezen.
4.1
Voorts vordert [eisende partij] een bedrag van € 24.000,- bij wijze van voorschot op zijn vermeende schade. [eisende partij] laat echter na te onderbouwen waaruit zijn (geldelijke) schade bestaat en hoe hij tot het bedrag van € 24.000 is gekomen. De enige informatie die uit de dagvaarding is te herleiden is dat [eisende partij] inkomen heeft moeten missen, maar elke informatie over de hoogte en/of de duur van het inkomensverlies ontbreekt, zoals ook elke informatie ontbreekt over waarom [eisende partij] thans een voorschot vordert van € 24.000,-, hetgeen suggereert dat zijn schadevordering dat bedrag zal overschrijden. In onderdeel B. van het petitum van de dagvaarding wordt nog gesteld dat de totale vordering de grens van € 25.000,- niet zal overschrijden. Dat zou betekenen dat het bedrag dat bij wijze van voorschot in deze procedure wordt gevorderd ook vrijwel het gehele bedrag van de schade zou betreffen. Wegens het ontbreken van elke onderbouwing ten aanzien van de hoogte van de schade valt bovendien niet uit te sluiten dat deze minder bedraagt dan
€ 24.000,-. In dat geval zou er een terugbetalingsverplichting van [eisende partij] jegens Panta Rhei kunnen ontstaan, met het daaraan verbonden incassorisico (zie ook rechtsoverweging 4.2).
4.11
Ook vordert [eisende partij] een dwangsom van € 500,- per dag, maar op geen enkele manier wordt duidelijk gemaakt waarop de dwangsom betrekking zou moeten hebben. Het verbinden van een dwangsom aan de betaling van een geldbedrag is niet mogelijk (artikel 611a lid 1 Rv). Normaal gesproken kan in een kort geding procedure een dwangsom worden verbonden aan een voorlopige voorziening, die de voorzieningenrechter treft, maar [eisende partij] vordert niet een dergelijke voorlopige voorziening, zodat bij gebrek aan een dergelijke gevorderde voorlopige voorziening er ook geen sprake kan zijn van een dwangsom.
4.12
Tenslotte wil de voorzieningenrechter niet onvermeld laten dat zelfs in het geval al zou kunnen worden aangenomen dat sprake is van onrechtmatige gedragingen van Panta Rhei (hetgeen als gevolg van de gemotiveerde betwistingen van Panta Rhei in deze kort geding procedure al niet mogelijk is) [eisende partij] geen enkele onderbouwing heeft gegeven dat er sprake is van causaal verband tussen de gedragingen van Panta Rhei en zijn inkomensschade. Omdat kennelijk de grondslag van de vordering van [eisende partij] onrechtmatige daad is, dient hij alle voorwaarden die leiden tot een aanspraak op schadevergoeding te stellen en desnoods te bewijzen. Daarbij kan hij niet de belangrijke voorwaarde van het causaal verband tussen daad en schade onbesproken laten.
4.13
In deze procedure is [gedaagde partij] in persoon ook gedagvaard, als bestuursvoorzitter van Basisschool [school] . In de dagvaarding ontbreekt elke onderbouwing op grond waarvan [gedaagde partij] in persoon aansprakelijk zou zijn voor gedragingen van Panta Rhei. Een bestuurder is niet zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, aansprakelijk voor gedragingen van de rechtspersoon, waarvan hij of zij bestuurder is.
4.14
Zoals reeds in rechtsoverweging 4.3 besproken is elk van de hiervoor genoemde redenen aanleiding om de vordering van [eisende partij] af te wijzen. De voorzieningenrechter wil daarenboven nog een aanvullend onderwerp bespreken.
4.15
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisende partij] en zijn gemachtigde een pleitnota voorgedragen. Tijdens deze voordracht bleek dat meerdere passages (onder meer nrs. 7.3, 7.4, 8.1 en 10.3) dienden te worden geschrapt, omdat deze blijkbaar betrekking hadden op een totaal andere procedure. Het opnemen van deze passages leidde tot veel verwarring zowel bij de voorzieningenrechter als bij de gemachtigde van Panta Rhei en [gedaagde partij] . Tenminste mag verwacht worden dat de opsteller van een pleitnota deze zorgvuldig voorbereidt. Daarvan lijkt geen sprake te zijn geweest.
4.16
De slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van [eisende partij] integraal zullen worden afgewezen. Zoals hiervoor al is toegelicht kon deze vordering vanwege de wijze van procederen al nimmer tot enige veroordeling leiden. Het is dat Panta Rhei en [gedaagde partij] geen integrale proceskostenveroordeling van [eisende partij] vorderen (en dus ook niet kan worden toegewezen), maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter zou daar alle aanleiding toe geweest kunnen zijn.
4.17
[eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Panta Rhei worden begroot op een bedrag van € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 voor nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter;
5.1
wijst de vorderingen van [eisende partij] af;
5.2
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.009,00 aan de zijde van Panta Rhei en [gedaagde partij] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling van [eisende partij] uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom als voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.