Eiser vordert in kort geding een voorschot op een schadevergoeding van €24.000 wegens inkomensschade als gevolg van vermeende benadeling van zijn minderjarige zoon op een basisschool van Panta Rhei. Tevens vordert hij een dwangsom en proceskostenvergoeding.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vordering niet toewijsbaar is omdat eiser geen spoedeisend belang heeft aangetoond, de schade onvoldoende is onderbouwd en het causaal verband tussen de gedragingen van de school en de schade ontbreekt. Daarnaast is de vordering onduidelijk geformuleerd, met onzorgvuldige pleitnota en onrechtmatige negatieve kwalificaties jegens de school.
De school en de bestuursvoorzitter betwisten de feiten en schade gemotiveerd. De rechter benadrukt dat in kort geding geen ruimte is voor nadere bewijsvoering en dat het niet verantwoord is om vooruit te lopen op een bodemprocedure. De vordering wordt integraal afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.