Verzoekers hebben asielaanvragen ingediend die door de minister van Asiel en Migratie bij afzonderlijke besluiten van 17 juli 2025 als kennelijk ongegrond zijn afgewezen. Tegen deze besluiten hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank.
Verzoekers hebben vervolgens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om de afwijzing van hun asielaanvragen te schorsen. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan.
De voorzieningenrechter overweegt dat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het ingestelde beroep, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.