Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Op 13 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser en de minister van Asiel en Migratie. Eiser had op 26 februari 2025 een asielaanvraag ingediend, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling. Eiser heeft op 28 februari 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting behandeld op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of eiser nog procesbelang had bij zijn beroep, aangezien verweerder op 28 maart 2025 had meegedeeld dat eiser per 24 maart 2025 met onbekende bestemming was vertrokken. Eiser had zich sindsdien niet meer gemeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) of andere instanties. De rechtbank heeft de toenmalig gemachtigde van eiser gevraagd naar het laatste contact met eiser, maar deze heeft op 11 december 2025 laten weten dat zij geen contact meer had gehad en zich als gemachtigde onttrok.
De rechtbank concludeert dat, volgens vaste rechtspraak, wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder kennisgeving, er vanuit wordt gegaan dat hij geen prijs meer stelt op internationale bescherming. Aangezien er geen recent contact met eiser is en hij geen nieuwe gemachtigde heeft aangesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser geen belang meer heeft bij zijn beroep. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.