ECLI:NL:RBDHA:2026:553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
AWB 25/4883
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van asielaanvraag wegens vertrek zonder kennisgeving

Op 13 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser en de minister van Asiel en Migratie. Eiser had op 26 februari 2025 een asielaanvraag ingediend, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling. Eiser heeft op 28 februari 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting behandeld op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of eiser nog procesbelang had bij zijn beroep, aangezien verweerder op 28 maart 2025 had meegedeeld dat eiser per 24 maart 2025 met onbekende bestemming was vertrokken. Eiser had zich sindsdien niet meer gemeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) of andere instanties. De rechtbank heeft de toenmalig gemachtigde van eiser gevraagd naar het laatste contact met eiser, maar deze heeft op 11 december 2025 laten weten dat zij geen contact meer had gehad en zich als gemachtigde onttrok.

De rechtbank concludeert dat, volgens vaste rechtspraak, wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder kennisgeving, er vanuit wordt gegaan dat hij geen prijs meer stelt op internationale bescherming. Aangezien er geen recent contact met eiser is en hij geen nieuwe gemachtigde heeft aangesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser geen belang meer heeft bij zijn beroep. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/4883

uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

[V-nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft op 28 februari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep, omdat verweerder bij brief van 28 maart 2025 heeft meegedeeld dat eiser per 24 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Daarnaast is niet gebleken dat hij zich inmiddels weer heeft gemeld bij de IND, COA, AVIM of DT&V. Verweerder heeft daarbij een schermafbeelding overgelegd uit zijn interne systeem.
2. Naar aanleiding van deze brief heeft de rechtbank de toenmalig gemachtigde van eiser op 2 april 2025 gevraagd wanneer zij voor het laatst contact heeft gehad met eiser en op welke wijze dit is gebeurd. Omdat de rechtbank de verzochte inlichtingen niet binnen de daartoe gestelde termijn van 5 werkdagen heeft ontvangen, heeft zij de toenmalig gemachtigde van eiser op 8 december 2025 nogmaals verzocht de gevraagde informatie te verstrekken. De toenmalig gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 11 december 2025 per e-mail laten weten dat zij zich onttrekt als gemachtigde van eiser, dat zij al maanden geen contact meer heeft gehad met eiser en dat zij niet weet waar hij verblijft.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt.
4. Uit de toelichting van de toenmalige gemachtigde van eiser blijkt dat geen sprake is van recent contact met eiser. Er heeft zich geen nieuwe gemachtigde gesteld. Ook heeft eiser niet zelf kenbaar gemaakt dat hij nog belang heeft bij zijn beroep.
5. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en de informatie van de toenmalig gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 13 januari 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.