ECLI:NL:RBDHA:2026:5514

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/4989 en AWB 24/6426
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning regulier wegens ontbreken beschermenswaardig gezinsleven

Eiseres, met de Surinaamse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier als familie- of gezinslid bij haar zus in Nederland. De minister wees deze aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan het mvv-vereiste en er geen sprake was van een beschermenswaardig gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelt dat tussen eiseres en haar referent geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. De door eiseres overgelegde bewijsstukken, waaronder een verklaring van de referent, een verzendbewijs van een pakket en familiefoto’s, bieden onvoldoende objectieve onderbouwing van bijkomende afhankelijkheidselementen. Ook medische en financiële afhankelijkheid werden niet aannemelijk gemaakt.

Verder concludeert de rechtbank dat de minister terecht geen belangenafweging hoefde te maken, omdat het gezinsleven niet als beschermenswaardig kan worden aangemerkt. De hardheidsclausule wordt niet toegepast wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/4989 en AWB 24/6426
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 20 februari 2026 in de zaken tussen

[eiser] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. C. Wesenbeek).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag die in bezwaar is gehandhaafd. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 september 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [2] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling griffierecht
3. Eiseres heeft om vrijstelling verzocht van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat zij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Eiseres wordt in deze procedure daarom (definitief) vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Waar gaat deze zaak over?
4.1.
Eiseres heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1960. Eiseres heeft op 9 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ omdat zij in Nederland wil verblijven bij haar zus (referente).
4.2.
In het primaire besluit heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet beschikt over een geldige mvv [3] en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister is in het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens de minister bestaat er tussen eiseres en referente geen beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM omdat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente. De minister heeft daarnaast een belangenafweging gemaakt en deze in het nadeel van eiseres en referente laten uitvallen. Verder stelt de minister dat geen sprake is van privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Tot slot is er volgens de minister geen reden om aan eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning of uitstel van vertrek te verlenen en is er geen sprake van vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
5.1.
Eiseres voert aan dat er sprake is van ‘een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’, omdat deze beoordeling van feitelijke aard is en dat er daadwerkelijk hechte persoonlijke banden bestaan. Er is sprake van een hechte en vertrouwde relatie tussen eiseres en haar zus binnen het gezin waarin zij elkaar het nodige verschaffen. Zij heeft dit ook duidelijk aangetoond door middel van een verklaring van referente. Eiseres heeft verder aangevoerd dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente, omdat eiseres niet zelfredzaam is en daardoor op zowel medisch als financieel gebied volledig afhankelijk is van referente. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres voorafgaand aan de zitting stukken overgelegd, die op de zitting door haar gemachtigde zijn toegelicht. Een stuk betreft een screenshot van de verzending van een pakket naar Suriname in 2022. Volgens eiseres gaat het om de verzending van een pakket naar haar zoon. Daarnaast legt zij foto’s uit 2021 van de familie over.
5.2.
Uit rechtspraak van het EHRM [4] volgt dat bij relaties tussen meerderjarige familieleden voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM sprake moet zijn van emotionele banden die het gangbare overstijgen (‘more than the normal emotional ties’). [5] Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar de bijkomende elementen van afhankelijkheid (‘additional elements of dependancy’). [6] Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [7] Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de overgelegde verklaring van referente geen objectieve onderbouwing is van de door eiseres gestelde bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dit volgt ook niet uit het verzendbewijs van een pakket dat naar de zoon van eiseres is gestuurd in 2021 op het moment dat eiseres al in Nederland was. Ook de familiefoto’s uit 2021 kunnen niet aan het standpunt van eiseres bijdragen. De rechtbank volgt verweerder verder in zijn standpunt dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat eiseres door haar (medische) beperkingen volledig afhankelijk is van de zorg van referente.
5.4.
Op zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat zij een achterkleindochter heeft in Nederland. Dit standpunt is naar het oordeel van de rechtbank te laat aangevoerd en bovendien niet onderbouwd. Daarnaast ziet de rechtbank niet in hoe dit kan bijdragen aan het standpunt van eiseres dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid in de relatie tussen eiseres en referente.
5.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat tussen eiseres en referente geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dus niet van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
Belangenafweging
6.1.
Eiseres stelt verder dat er geen redelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. Er moet onderzocht worden of er een evenwicht is tussen het belang van een individu en het belang van de gemeenschap. Per geval moeten alle concrete omstandigheden worden bekeken, om te kunnen beoordelen of er al dan niet sprake is van een positieve verplichting voor de staat om het recht op gezinsleven te handhaven; dit heeft de minister flagrant geschonden en is eveneens in strijd met artikel 4:84 van Pro de Awb. Er is geen sprake van een ‘fair balance’ die de minister hanteert in de omstandigheden van eiseres.
6.2.
Op 27 maart 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister bij een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM mag volstaan met de vaststelling dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen een vreemdeling en een referent bestaan, als de minister daarbij alle relevante individuele aspecten heeft betrokken. [8] Anders dan uit eerdere rechtspraak volgt, hoeft de minister vervolgens niet de belangen van de Nederlandse Staat af te wegen tegen de belangen van de betrokken vreemdeling. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, heeft de minister zich in deze zaak op goede gronden op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en referente geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM bestaat. In die beoordeling heeft de minister alle individuele feiten en omstandigheden van eiseres en referente betrokken, zodat – achteraf gezien – in zoverre geen belangenafweging meer nodig was.
Hardheidsclausule
7.1.
Eiseres vindt dat er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard om haar in Nederland toe te laten, temeer nu zij door afwijzing van haar verblijf in een zeer moeilijke sociale positie zal komen te verkeren: eiseres kan door verwijdering uit Nederland in een sociaal-medische noodsituatie vervallen omdat zij niemand heeft in het land van herkomst, noch enig inkomen en huisvesting, terwijl ze bij referente in een vertrouwd gezin is opgenomen en met haar een beschermwaardig gezinsleven uitoefent, waarbij sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen haar en referente.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres niet heeft hoeven vrijstellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule, omdat eiseres op grond van het voorgaande niet heeft onderbouwd dat sprake is van voldoende bijzondere omstandigheden.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
8.2.
Nu met deze uitspraak op het beroep van eiseres is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
8.3.
Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak AWB 24/6426:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak AWB 24/4989:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zaak AWB 24/4948.
3.Machtiging tot voorlopig verblijf.
4.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
5.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, app.no. 47486/06.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
7.Zie onder meer het arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.