ECLI:NL:RBDHA:2026:5512

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL26.3545
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 lid 3 VwArt. 62a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen rechtmatige staandehouding en ophouding vreemdeling

Eiser, een Braziliaanse vreemdeling met een tijdelijke Portugese verblijfsvergunning, werd op 19 januari 2026 staande gehouden en opgehouden door de vreemdelingenpolitie in een woning waar meerdere niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen aanwezig waren. Tijdens de controle bleek dat eiser een bevel tot terugkeer naar Portugal had ontvangen op 26 november 2025 en dat hij Nederland niet had gemeld bij terugkeer.

Eiser voerde aan dat hij rechtmatig verbleef omdat hij gebruik maakte van zijn vrije termijn en een verblijfsrecht in Portugal had. De rechtbank oordeelde echter dat de staandehouding en ophouding rechtmatig waren omdat de politie op grond van de beschikbare gegevens mocht aannemen dat eiser niet rechtmatig verbleef. De verzending van het terugkeerbesluit was aantoonbaar en de politie had geen kennis van eisers vertrek uit Nederland in december 2025.

Hoewel later bleek dat eiser rechtmatig verbleef en de ophouding werd opgeheven, verandert dit niets aan de rechtmatigheid van de ophouding op het moment van uitvoering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen de staandehouding en ophouding is ongegrond verklaard omdat deze rechtmatig plaatsvonden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.3545
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Eiser is op 19 januari 2026, om 18:34 uur opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op diezelfde datum, omstreeks 20:35 uur is eiser met een bevel terugkeer naar Portugal heengezonden.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting bleek de verzending van de asielbeschikking van 26 november 2025 in geschil te zijn. De rechtbank heeft het beroep vervolgens aangehouden om verweerder de mogelijkheid te geven stukken in te dienen om de verzending van de beschikking aan te tonen. Verweerder heeft op 28 januari 2026 een brief verstuurd met een bijlage waaruit blijkt dat de beschikking per post is verzonden. Op 29 januari 2026 heeft eiser hierop gereageerd. Op 2 februari heeft de rechtbank verweerder verzocht om op de reactie van eiser te reageren. Op 4 februari 2026 heeft verweerder dit ook gedaan. De rechtbank heeft, met toestemming van partijen, het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Braziliaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1987.
2. Eiser voert aan dat de staandehouding en ophouding onrechtmatig hebben plaatsgevonden.
3. Voor de beoordeling van de vraag of de staandehouding en ophouding rechtmatig hebben plaatsgevonden is het volgende feitencomplex van belang.
3.1.
Uit het proces-verbaal staandehouding/overbrenging/overdracht volgt dat de verbalisanten op 19 januari 2026 een her-controle uitvoerden op een adres waar meerdere Braziliaanse vreemdelingen verbleven die niet rechtmatig in Nederland verbleven. In deze woning bevond eiser zich op dat moment ook. Eiser gaf desgevraagd zijn tijdelijke Portugese verblijfsvergunning en gaf aan dat zijn paspoort in de auto lag. De verbalisant scande de verblijfsvergunning en zag dat eiser gesignaleerd stond voor een terugkeerbesluit. De verbalisant heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met een collega, die eiser in de politiesystemen heeft nagelopen. Hieruit bleek dat er op 26 november 2025 een beschikking is geslagen, waarin stond dat eiser op grond van artikel 62a Vw onmiddellijk Nederland diende te verlaten en terug te gaan naar Portugal (hierna: bevel terugkeer). In eisers Braziliaanse paspoort bleken de laatste in- en uitreisstempels van september 2025. Eiser is vervolgens overgebracht en opgehouden op grond van artikel 50, derde lid van de Vw.
3.2.
Ten tijde van de ophouding is middels eisers telefoon gebleken dat hij Nederland in december 2025 heeft verlaten.
3.3.
Bij zijn daaropvolgende terugkeer naar Nederland heeft eiser zich niet gemeld bij de korpschef dan wel de minister op een andere wijze laten weten dat hij weer in Nederland was.
3.4.
In een op 20 januari 2026 opgemaakt M-106C formulier ‘Intrekken bevel om zich onmiddellijk te begeven naar lidstaat van verblijf’ staat geschreven dat eiser zich op 19 januari 2026 in zijn vrije termijn bevond en aldus rechtmatig in Nederland verbleef. Verder wordt medegedeeld dat in overleg met de IND het op 19 januari 2026 opgelegde bevel naar Portugal terug te keren zal worden ingetrokken als ook dat een eerder opgelegd terugkeerbesluit zal worden opgeheven.
4. Eiser meent dat hij onrechtmatig is staandegehouden en opgehouden omdat hij op dat moment rechtmatig verblijf had in Nederland. Eiser heeft een verblijfsrecht in Portugal en hij maakte op 19 januari 2026 gebruik van zijn vrije termijn, aldus eiser.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser op rechtmatige wijze staandegehouden. Daartoe is van belang dat de vreemdelingenpolitie op 19 januari 2026 een woning betrad waarvan bekend was dat zich daar niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen ophielden. Eiser is in die woning om zijn persoonsgegevens gevraagd. De staandehouding heeft aldus rechtmatig plaatsgevonden.
5.2.
Bij het checken van de gegevens op het door eiser verstrekte Portugese verblijfsdocument bleek dat eiser op 26 november 2025 een bevel terugkeer had gekregen. Uit de door de minister op verzoek van de rechtbank verstrekte gegevens is gebleken dat dit bevel aan eiser is toegezonden en aldus op rechtmatige wijze bekend is gemaakt.
Omdat uit het door de politie gecheckte paspoort voorts niet bleek dat eiser Nederland nadien had verlaten, heeft de vreemdelingenpolitie op goede gronden kunnen aannemen dat zich de situatie voordeed als bedoeld in artikel 50, derde lid Vw. De ophouding heeft dan ook rechtmatig plaatsgevonden.
5.3.
Dat later op het politiebureau is gebleken dat eiser wel rechtmatig in Nederland verbleef en de ophouding vervolgens is opgeheven, maakt het voorgaande niet anders. De politie had op het moment van overbrenging en opleggen van de ophouding immers nog geen kennis van eisers vertrek uit Nederland in december 2025. Zou eiser zich bij zijn daaropvolgende terugkeer naar Nederland wel bij de korpschef hebben gemeld, dan zou de ophouding achteraf bezien wel onrechtmatig zijn geweest.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.