ECLI:NL:RBDHA:2026:5509

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
09/236296-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor aanmerkelijk onvoorzichtig rijden door rood licht met zwaar letsel

Op 27 maart 2025 reed de verdachte in Den Haag met een snelheid tussen 51 en 54 kilometer per uur door een rood verkeerslicht dat al 7,4 seconden rood was. Hierdoor botste zij met een overstekende voetganger die zwaar lichamelijk letsel opliep, waaronder een open botbreuk en gescheurde enkelbanden.

De rechtbank oordeelde dat het rijgedrag van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend was, maar sprak haar vrij van het gebruik van een mobiele telefoon tijdens het rijden wegens gebrek aan bewijs. De ernst van het letsel en de omstandigheden van het ongeval maakten het handelen van de verdachte strafbaar onder artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte had geen strafblad en toonde berouw. Gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden legde de rechtbank een taakstraf van 120 uur op en een voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank hield rekening met de impact van het ongeval op de verdachte en haar familie.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf en 6 maanden voorwaardelijke rijontzegging wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijden door rood licht met zwaar letsel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/236296-25
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
BRP-adres: [adres 1], [postcode] [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 4 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.R.C. Polderman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.A.J. Brahm naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 27 maart 2025 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Vaillantlaan en/of de Frans Halsstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:
- tijdens het rijden een telefoon te gebruiken en/of te bedienen, althans haar aandacht niet voortdurend en/of voldoende op die weg en/of die zich aldaar bevindende verkeersdeelnemers te houden, en/of
- een voor haar rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht niet (tijdig) op te merken en/of te negeren, en/of
- de kruising te benaderen met een snelheid tussen de 51 en 54 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of
- haar snelheid niet zodanig te regelen dat zij, verdachte, in staat was haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met een aldaar overstekende voetganger (te weten [slachtoffer]),
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een open botbreuk van het rechteronderbeen en/of gescheurde enkelbanden, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
Op 27 maart 2025 omstreeks 10:20 uur reed de verdachte in haar auto op de Vaillantlaan te Den Haag in de richting van de Parallelweg. Ter hoogte van het kruispunt met de Frans Halsstraat bevond zich een voetgangersoversteekplaats die was voorzien van een voetgangersverkeerslicht. Ook de Vaillantlaan was ter hoogte van deze voetgangersoversteekplaats voorzien van een driekleurig verkeerslicht. Toen de verdachte ter hoogte van voornoemde voetgangersoversteekplaats reed, kwam zij in botsing met een overstekende voetganger, genaamd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]). Door het ongeval heeft [slachtoffer] letsel opgelopen.
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte, zoals haar in de tenlastelegging wordt verweten, zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), waarbij de vraag beantwoord moet worden of het handelen van de verdachte is aan te merken als roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, in die zin dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, omdat zij door rood licht is gereden en met een voor de situatie ter plaatse te hoge snelheid heeft gereden. Zij acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ten tijde van het ongeval haar mobiele telefoon heeft gebruikt en/of bediend. Van die onderdelen in de tenlastelegging moet de verdachte worden vrijgesproken, aldus de officier van justitie.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Voor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de raadsvrouw.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft
in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Bij de beantwoording van de vraag voor of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een overtreding van artikel 6 WVW Pro, moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het ongeval. Daarbij verdient opmerking dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding, is voldoende voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. Het gaat erom of het rijgedrag (aanmerkelijk) onder de maat is gebleven ten opzichte van wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld mag worden verwacht.
Deze zaak
De rechtbank is van oordeel dat in het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is om tot de conclusie te komen dat de verdachte roekeloos, dan wel zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Ook acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte ten tijde van het ongeval haar mobiele telefoon heeft gebruikt of bediend. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van die onderdelen in de tenlastelegging.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 27 maart 2025 de verdachte in haar auto en [slachtoffer] met elkaar in botsing zijn gekomen ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats op de kruising van de Vaillantlaan met de Frans Halsstraat te Den Haag. In het verkort proces-verbaal analyse VRI data is te lezen dat het verkeerslicht voor de rijrichting van de verdachte 7,4 seconden rood licht uitstraalde op het moment dat de verdachte de stopstreep was gepasseerd en dat de verdachte het kruispunt naderde met een gemiddelde indicatieve snelheid tussen de 51 en 54 kilometer per uur.
Anders dan de raadsvrouw ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan voornoemd verkort proces-verbaal. Dat in de conclusie staat vermeld dat het ongeval op 7 maart 2025 heeft plaatsgevonden, beschouwt de rechtbank als een kennelijke verschrijving, nu uit de overige inhoud van het proces-verbaal zonder twijfel afgeleid kan worden dat dit proces-verbaal betrekking heeft op het ongeval van 27 maart 2025 waarbij de verdachte en [slachtoffer] betrokken zijn geweest.
Voorts wordt de conclusie van het verkort proces-verbaal analyse VRI data dat de verdachte door rood licht is gereden ondersteund door de in het dossier aanwezige dashcambeelden van een van de getuigen die in zijn auto voor het kruispunt voor het rode verkeerslicht op een andere rijbaan stilstond en door de camerabeelden van [naam café], gevestigd aan de [adres 2]. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat zij het oranje licht is gepasseerd, dan ook onaannemelijk.
Dit leidt tot de conclusie dat de verdachte met een snelheid van tussen de 51 en 54 kilometer per uur door rood licht is gereden, terwijl het verkeerslicht al 7,4 seconden rood licht uitstraalde. Door het rode verkeerslicht te negeren en daarbij geen vaart te minderen terwijl zij een kruising op een drukke weg met veel verkeer opreed, en aldus met een te hoge snelheid reed voor de situatie ter plaatse, heeft de verdachte niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse. Als gevolg heeft het ongeval plaatsgevonden. De rechtbank acht dit handelen van de verdachte in de gegeven omstandigheden en gelet op de aard en ernst van de verkeersovertreding aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Daarom is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro.
Letsel
De rechtbank is van oordeel dat het letsel dat bij [slachtoffer] is veroorzaakt, te weten een open botbreuk van het rechteronderbeen waaraan zij geopereerd moest worden, en gescheurde enkelbanden, gelet op de aard en de gevolgen daarvan, waarbij volledig herstel niet mogelijk is, kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, zodat ook dat onderdeel van de tenlastelegging kan worden bewezen verklaard.
Conclusie
De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij op 27 maart 2025 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Vaillantlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, als volgt te handelen:
- haar aandacht niet voortdurend en voldoende op die weg en die zich aldaar bevindende verkeersdeelnemers te houden en
- een voor haar rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht niet tijdig op te merken en te negeren en
- de kruising te benaderen met een snelheid tussen de 51 en 54 kilometer per uur en
- haar snelheid niet zodanig te regelen dat zij, verdachte, in staat was haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met een aldaar overstekende voetganger, te weten [slachtoffer],
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een open botbreuk van het rechteronderbeen en gescheurde enkelbanden werd toegebracht.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verzocht aan de verdachte op te leggen een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich als bestuurder van een auto schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Hierdoor heeft de verdachte een onaanvaardbaar risico genomen en de verkeersveiligheid van medeweggebruikers in gevaar gebracht. Dat risico heeft zich verwezenlijkt doordat er een ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer draagt de gevolgen van het ongeluk nog steeds met zich, nu uit de medische informatie blijkt dat zij nimmer volledig zal herstellen.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft gelet op de LOVS-oriëntatiepunten. Deze indiceren voor een geval als het onderhavige, waarbij door aanmerkelijke schuld zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt, een taakstraf van 120 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
Voorts heeft de rechtbank ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank houdt rekening met de (psychische) gevolgen die het ongeval op het leven van de verdachte en haar dochter – die naast haar in de auto zat – heeft gehad. Ook op de terechtzitting is gebleken dat de verdachte hevig is geraakt door het feit. Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte na het ongeval en tijdens de terechtzitting haar medeleven voor het slachtoffer heeft getoond. Tot slot houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte haar rijbewijs nodig heeft voor haar dagelijkse bezigheden, zoals het doen van boodschappen en het halen en het brengen van haar kleinkinderen van/naar school.
In voornoemde persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank – evenals de officier van justitie – aanleiding om gedeeltelijk van het uitgangspunt van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken, in die zin dat zij een geheel voorwaardelijke rijontzegging passend acht.
Al met al is de rechtbank dan ook van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
120 (HONDERDTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
60 (ZESTIG) DAGEN;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor
6 (ZES) MAANDEN.
bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
2 (TWEE) JARENvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.L. Harmsen, voorzitter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
mr. S.S. Buisman, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2026.
Mr. Buisman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.