De rechtbank Den Haag behandelde op 2 maart 2026 de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden van de terbeschikkinggestelde, die sinds 16 februari 2021 onder deze maatregel valt. De maatregel was eerder met één jaar verlengd op 15 april 2025.
De psychiater adviseerde een verlenging van één jaar, gezien de matig ernstige verstandelijke beperking, impulscontrolestoornis en persoonlijkheidstrekken van de terbeschikkinggestelde, en het matig tot hoge recidiverisico op agressie. De reclassering adviseerde een verlenging van twee jaar vanwege het gemiddelde recidiverisico en de noodzaak voor verdere resocialisatie, waarbij de terbeschikkinggestelde sinds september 2025 stabiel en rustig was.
De raadsman verzocht primair om aanhouding in afwachting van een WLZ-indicatie en onderzoek naar zorgmogelijkheden, subsidiair om verlenging met één jaar. De officier van justitie handhaafde de vordering tot verlenging met twee jaar.
De rechtbank concludeerde dat de stoornissen nog aanwezig zijn en het recidiverisico matig tot groot is. Gezien de stabilisatie en afhankelijkheid van een WLZ-indicatie voor vervolgtraject, besloot de rechtbank de maatregel met één jaar te verlengen en het verzoek tot aanhouding af te wijzen.