ECLI:NL:RBDHA:2026:5501

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
09-098564-24, 09-330640-25 (ttz. gev.) en 09-012698-23 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77x Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen poging doodslag; bewezenverklaring diefstal met geweld en openlijk geweld in vereniging

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen de verdachte, geboren in 2007, die werd verdacht van meerdere feiten waaronder medeplegen van diefstal met geweld, medeplegen van poging tot doodslag of zware mishandeling, en openlijk geweld in vereniging. De zaak werd behandeld op 26 februari 2026 en het vonnis werd uitgesproken op 12 maart 2026.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van het medeplegen van poging tot doodslag of zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs van nauwe en bewuste samenwerking. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte samen met anderen AirPods en €50,- heeft gestolen met bedreiging met geweld, en dat hij openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen twee personen, waarbij onder meer met een afrokam werd gestoken en geslagen en geschopt werd.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zwakbegaafdheid en gedragsstoornissen. De verdachte werd veroordeeld tot 74 dagen jeugddetentie waarvan 44 dagen onvoorwaardelijk en 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, onder bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, contactverbod, avondklok, en begeleiding. Tevens werd een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie omgezet in een werkstraf van 84 uren. De vordering tot schadevergoeding werd afgewezen wegens vrijspraak van het betreffende feit.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 74 dagen jeugddetentie deels voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en vrijgesproken van medeplegen poging tot doodslag.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-098564-24, 09-330640-25 (ttz. gev.) en 09-012698-23 (tul)
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres en verblijfsadres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 26 februari 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. R. Knobbout en de raadsman van de verdachte is mr. C. Krijger te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Dagvaarding I: 09-098564-24
1. het medeplegen van diefstal van AirPods en € 50,- met (bedreiging met) geweld van/jegens [slachtoffer 1] op 20 januari 2024 in Delft;
2. het medeplegen van een poging tot doodslag van [slachtoffer 2] op 6 maart 2024 in Delft dan wel het medeplegen van een poging tot zware mishandeling;
Dagvaarding II: 09-330640-25
- het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] op 2 oktober 2025 in Delft.
De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I onder 1 en 2, primair, ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten. De raadsman stelt zich verder op het standpunt dat ten aanzien van dagvaarding II de bewezenverklaring beperkt moet blijven tot het slaan en schoppen.
3.3
Vrijspraak – Dagvaarding I feit 2 primair en subsidiair
Aan de verdachte is in dagvaarding I onder feit 2 primair het medeplegen van een poging tot doodslag en subsidiair het medeplegen van een poging tot zware mishandeling ten laste gelegd.
Medeplegen?
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een ander of anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat sprake is geweest van een dergelijke samenwerking en bijdrage van de verdachte. Vastgesteld kan worden dat de verdachte is gebeld door de medeverdachte en dat de verdachte vervolgens naar de plaats van het delict is gekomen. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een mes bij zich had en daarmee of anderszins een bijdrage heeft geleverd aan het steekincident. De verdachte stond bovendien op het moment van het steekincident nog op enige afstand. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij achter de aangever is aangerend.
De rechtbank is van oordeel dat het naar de plaats van het delict komen en achter de aangever aan rennen geen bijdrage van voldoende gewicht is om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. Het voorgaande betekent dat de verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs zal worden vrijgesproken van het in dagvaarding I onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding I feit 1
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met onderzoeksnummer DH5R024020, van de Districtsrecherche Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 730).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van verhoor (mede)verdachte ( [medeverdachte 1] ), opgemaakt op 10 april 2024, voor zover inhoudende (p. 70-90):
V: Jullie kregen ruzie en daarna heb je zijn Airpods afgepakt.
A: Uhuh (bevestigend)
A: Het was gewoon bekvechten met elkaar.
A: Als ik in mijn eentje ben tegen 2, zou ik ook iet (de rechtbank begrijpt: niet) zo snel wat doen. Je bent alleen, wat wil je doen.
V: En waar had je dat mes dan?
A: Ik had dat mes gewoon hier.
B: VE wijst naar zijn linkerheup.
A: Maar hij wist gewoon dat ik een mes bij me had.
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 20 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 572-578):
Ik ben vandaag op 20 januari 2024, om ongeveer 19.15 uur, in de tram gestapt op
station Delft. Toen de tram net wegreed van station Delft merkte ik dat de twee daders mij heel lang aanstaarden. Zij kwamen toen richting mij gelopen. Ik hoorde ze zeggen: “kan je me nog herinneren”? of in andere woorden gezegd. Ik herkende de twee daders nog van ongeveer 2 a 3 jaar geleden. Van dit incident weet ik dat 1 van de daders [medeverdachte 1] heette. In de tram gingen de daders ondertussen door met doodsbedreigingen: “Ik kan je doodmaken, ik ga je doodmaken”, “zie je dit mes, deze kan heel diep in jouw lichaam gaan”. Hierbij lieten de daders allebei zien dat zij een mes op de heup droegen. Ik zag dat beide daders dus een mes bij zich hadden. Toen vroegen ze: Wat heb je allemaal bij je”? Ze hebben vervolgens mijn airpods uit mijn oren getrokken en de “case” van de airpods graaiden ze uit mijn jaszak. Tegelijkertijd pakten ze ook de 50 euro uit mijn jaszak.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 585-593):
Omstreeks 19:09:49 uur kwam de aangever de tram in.
Om 19:10:23 was te zien dat de twee verdachten verderop de tram in kwamen en eerst de andere kant opliepen weg van de aangever.
Vervolgens liepen de twee verdachten om 19:11:25 uur direct naar de aangever toe en gingen beiden direct voor hem staan terwijl de aangever bleef zitten. De verdachten stonden zo dichtbij dat de aangever nergens naar toe kon. Hierna was te zien dat de verdachten in gesprek waren met de aangever. Om 19:13:28 uur was te zien dat de verdachten omwisselen van plaats en was te zien dat verdachte 2 met zijn handen de aangever een soort van “fouilleerde”. Omdat de kleur van het beeld soms verspringt naar donker was niet te zien wat de verdachten precies deden.
3.5
Bewijsoverwegingen – Dagvaarding I feit 1
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij wel bij dit incident aanwezig was, maar zelf niets heeft gedaan. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet bewust en nauw heeft samengewerkt met de medeverdachte en daarom vrijgesproken moet worden. Ook heeft de verdediging betoogd dat het stelen van de € 50,- en de tenlastegelegde verbale bedreigingen niet bewezen kunnen worden.
Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de verklaring van de aangever dat naast zijn AirPods er ook een briefje van € 50,- van hem is gestolen en dat er verbale bedreigingen zijn geuit.
Op de camerabeelden is te zien dat de verdachten samen op de aangever aflopen en direct voor hem gaan staan. De verdachten stonden zo dichtbij dat de aangever nergens naartoe kon. Hierna is te zien dat beide verdachten in gesprek zijn met de aangever. Er zijn ook bewegingen van de medeverdachte te zien die lijken op fouilleren en de medeverdachte heeft verklaard dat de aangever wist dat hij, medeverdachte, een mes bij zich had. De rechtbank ziet dit alles als fysiek en verbaal bedreigend. De verklaring van de verdachte ter zitting dat hij er bij was, maar er verder niets mee te maken had, is, gelet hierop, dan ook onaannemelijk. In dit verband weegt de rechtbank ook mee dat de medeverdachte ook heeft verklaard dat er sprake was van ‘bekvechten’ en dat de aangever in zijn eentje was tegen twee. Door zo dichtbij de aangever te staan, te voorkomen dat hij weg kon gaan en mee te praten, heeft de verdachte een bijdrage geleverd van zodanig gewicht dat in ieder geval van het medeplegen van diefstal met bedreiging met geweld kan worden gesproken.
De rechtbank zal de verdachte wel vrijspreken van het ook tenlastegelegde slaan tegen het hoofd/het lichaam van de aangever omdat het dossier daarvoor onvoldoende overtuigend bewijs bevat. De aangever heeft verklaard dat hij is geslagen, maar op de beelden van het voorval is het slaan niet te zien.
3.6
Bewijsmiddelen – Dagvaarding II
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met zaaksregistratienummer PL1500-2025334276 van de Politie eenheid den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 328).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van verhoor verdachte ( [verdachte] ), opgemaakt op 4 december 2025, voor zover inhoudende (p. 258-275):
A: Ik heb het broertje en [naam 1] allebei 1x geslagen met de platte hand.
V: Ik laat je nog een video zien. Hier zie ik dat jij iemand schopt, klopt dat?
A: Ja, dat ben ik. Daar had ik die jongen geschopt.
2. Het proces-verbaal van aangifte (van [slachtoffer 4] ), opgemaakt op 2 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 84-93):
Ik was vandaag met mijn broer naar Delft gegaan. Mijn broer en ik wilden wat eten en drinken halen bij de Albert Heijn in Delft. Toen wij daar heen liepen zagen wij voor de ingang 7 donkere jongens staan. Ze zeiden: “Kom mee lopen om de hoek”. We waren om de hoek en ze sprongen allemaal op mijn broer. Ik sprong er tussen en er ontstond toen een hele grote vechtpartij. Ik zag dat er twee een afrokam hadden en ons daarmee begonnen te prikken. Er stonden er een paar om mij heen en een paar om mijn broer. We konden elkaar zien maar stonden niet bij elkaar. Ze hadden ons uit elkaar gehaald. Ik zag dat hij eerst naar mijn broer ging en hem, denk ik met zijn linkerhand, stak met de kam. Ik heb verwondingen aan de rechterkant dus ik denk bij mij met zijn rechterhand.
V: Waar raakte hij je broer?
A: Bij zijn linkervoorhoofd en aan de linkerkant van zijn hals.
V: En waar ben jij geraakt?
A: Bij mijn rechterwang, en allebei mijn handen en polsen.
Ton werd ik nog onderuit getrapt en werd ook tegen mijn hoofd geschopt.
3. Het proces-verbaal van aangifte (van [slachtoffer 3] ), opgemaakt op 2 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 94-103):
Op donderdag 2 oktober 2025 ging ik mijn broertje [naam 2] halen in Leidschendam. Wij zijn toen met de tram naar Delft gekomen. Ik wilde wat drinken en eten gaan halen bij de Albert Heijn op de Brabantse Turfmarkt. Toen ik de winkel in liep stonden er ongeveer 5 jongens buiten bij de Albert Heijn. Vervolgens werd er één van de jongens boos. De jongen zei dat wij moesten meekomen om te praten. Ik heb het idee dat jongen 2 en jongen 3 broers zijn, want zij leken heel erg op elkaar. Ik voelde dat jongen 3 aan mijn jas trok. Ik voelde dat hij mij mee trok richting de Gasthuisplaats. Jongen 3 begon mij toen te slaan. Ik zag dat hij met zijn rechterhand een vuist balde en dat deze met snelheid richting mijn linker kaak aan kwam. Ik voelde een pijnscheut door mijn gezicht. Ik voelde dat mijn hoofd weg geduwd werd. Ik wilde mijn hoofd terug draaien maar voelde toen dat ik door meerdere mensen werd aangevallen. Ik kon niet meer zien welke jongen wat deed. Ik voelde dat ik op heel mijn gezicht klappen kreeg. Ik voelde dat dit met een vuist was. Ik zag dat de jongens toen mijn broertje aan het slaan waren met hun vuisten. Ik zag dat mijn broertje op zijn hoofd werd geslagen. Ik zag dat jongen 2 een afro kam in zijn hand had, ik weet niet meer welke hand. Ik zag dat jongen 2 met zijn arm zwaaide waar hij de kam in vast had. Ik voelde dat de kam langs de linkerkant van mijn hals ging. Ik zag dat jongen 2 vervolgens bleef doorzwaaien met de kam. Ik voelde dat de kam nu de linkerkant van mijn hoofd raakt.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 82-83):
Ik hoorde dat de betrokkene aan mij vertelde gestoken te zijn met een afrokam. Ik zag dat in de nek van één van de betrokkene meerdere punctie/steekwonden zaten waar bloed uitkwam. Ik zag dat bij de andere betrokkene dezelfde punctie/steekwonden in het gezicht zaten ter hoogte van de wang.
3.7
Bewijsoverwegingen – Dagvaarding II
De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat niet bewezen kan worden dat de verdachte of een medeverdachte dan wel medeverdachten hebben gestoken met een afrokam. Weliswaar kan volgens de verdediging de rij puntjes in de hals van de aangever [slachtoffer 3] in verband gebracht worden met de afrokam, maar het gaat te ver om die letsels toe te schrijven aan stekend geweld en het ziet er meer naar uit dat het gaat om zwaaiend geweld.
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte onderdeel was van de groep die de twee aangevers heeft aangevallen en mishandeld en zelf heeft hij ook bekend dat hij hen heeft geslagen en geschopt. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld. Dat betekent dat ook de geweldshandelingen van de andere leden van de groep hem aangerekend kunnen worden. Daaronder valt ook het geweld dat gepleegd is met de afrokam. De rechtbank is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de aangevers door een medeverdachte met zwaaiende c.q. stekende bewegingen zijn gestoken met een dergelijke kam. De aangevers hebben daar beiden over verklaard en de politie omschrijft hun letsel als ‘puncties/steekverwondingen waar bloed uit kwam’.
3.8
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I: 09-098564-24
1.
hij op 20 januari 2024 te Delft, tezamen en in vereniging met een ander,
AirPods en een geldbedrag van 50 euro, die aan [slachtoffer 1]
toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
envergezeld
van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden
engemakkelijk te maken,
door
- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "Ik kan je doodmaken, ik ga je doodmaken" en
"Zie je dit mes, deze kan heel diep in jouw lichaam gaan”, en
- een mes aan die [slachtoffer 1] te tonen, en
- met de handen in de jaszakken van die [slachtoffer 1] te voelen;
Dagvaarding II: 09-330640-25
hij op 2 oktober 2025 te Delft op de Gashuisplaats openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het in de hals en het gezicht steken met een afrokam en schoppen en slaan tegen het lichaam.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de gepleegde feiten wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 134 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en onder de voorwaarden zoals zij door de deskundigen zijn geadviseerd. De officier van justitie heeft verzocht om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De officier van justitie heeft daarnaast een werkstraf van 120 uren gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat, wat betreft de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten, de redelijke termijn is overschreden en heeft verzocht om toepassing van het jeugdstrafrecht voor alle feiten.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft met zijn medeverdachte iemand bestolen van zijn AirPods en geld en heeft daarnaast in een groep geweld gepleegd tegen twee andere personen. De verdachte heeft daarmee laten zien dat hij geen respect heeft voor de eigendommen en het gevoel van veiligheid van andere personen. De verdachte heeft beide feiten in het openbaar gepleegd, waarmee hij niet alleen de aangevers, maar ook andere omstanders bang heeft gemaakt. Ook is er bij het geweld tegen slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door een medeverdachte een wapen (afrokam) gebruikt waarmee nog veel ernstiger letsel veroorzaakt had kunnen worden.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 januari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij eerder veroordeeld is voor openlijk geweld en voor dat feit nog in zijn proeftijd liep toen hij zich nogmaals schuldig maakte aan een soortgelijk feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GZ-psycholoog [naam 3] van 3 juli 2024 (uitgebracht ten aanzien van de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten). Daaruit volgt dat de verdachte zwakbegaafd is en er sprake is van een ongespecificeerde disruptieve impulsbeheersingsstoornis of andere gedragsstoornis. De psycholoog adviseert voortzetting van de op het moment van het onderzoek al ingezette hulpverlening en adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 13 februari 2026 (ook uitgebracht ten aanzien van de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten) en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige M. van der Bom ter zitting is gegeven. Daaruit volgt, kort samengevat, dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. De Raad adviseert om een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen naast een voorwaardelijke jeugddetentie. De Raad adviseert om daarbij bijzondere voorwaarden op te leggen, waaronder een meldplicht, een verplichting tot het meewerken aan coaching en een verplichting tot het verkrijgen en behouden van onderwijs en/of een zinvolle dagbesteding. De verdachte heeft al een behandeling bij de Waag gevolgd en nu deze met positief gevolg is afgerond, hoeft een verplichting tot het meewerken aan behandeling aldaar niet langer als voorwaarde te worden opgenomen. Ter zitting is ook geadviseerd om een avondklok op te leggen zonder blokkenschema, maar met vaste tijden, omdat het blokkenschema voor verwarring bij de verdachte zorgt.
De rechtbank heeft ten slotte kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 19 februari 2026 (uitgebracht ten aanzien van het bij dagvaarding II ten laste gelegde). Daaruit volgt, kort samengevat, dat het recidiverisico en het risico op letsel als hoog worden ingeschat. De reclassering adviseert om het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte heeft nog geen startkwalificatie en is bezig zijn entree opleiding af te ronden. Hij lijkt impulsief te handelen en mogelijk is sprake van beïnvloedbaarheid vanuit zijn netwerk, waartoe ook zijn oudere broer behoort. Daarnaast heeft de jeugdreclassering aangegeven de verdachte een laatste kans te willen geven. Klaarblijkelijk is hij nog (enigszins) ontvankelijk voor ondersteuning door zijn coach en de jeugdreclassering.
De reclassering adviseert om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, verplichte ambulante behandeling, het meewerken aan begeleid wonen, een contactverbod, een avondklok en verplichte dagbesteding. Ter zitting heeft de jeugdreclasseerder, net als de medewerker van de Raad, geadviseerd om een avondklok op te leggen zonder blokkenschema. Ook is geadviseerd om begeleid wonen als voorwaarde op te nemen omdat dat op dit moment (in samenspraak met de verdachte) wordt onderzocht als optie.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
De verdachte was 18 jaar toen hij het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit pleegde. De rechtbank kan ook ten aanzien van dit feit het jeugdstrafrecht toepassen. De verdachte woont nog bij zijn ouders, is volgens het rapport van de psycholoog zwakbegaafd, impulsief en lijkt de risico’s van zijn handelen moeilijk te kunnen inschatten. De rechtbank zal daarom ook ten aanzien van het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit het jeugdstrafrecht toepassen.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. Die termijn is in het geval van dagvaarding I begonnen op het moment dat de verdachte in verzekering is gesteld, Dit was op 21 maart 2024. Genoemde termijn is op de uitspraakdatum met meer dan 7 maanden overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal hiermee in het voordeel van de verdachte rekening houden bij het opleggen van een straf.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank is, net als de raadsman en de officier van justitie, van oordeel dat het niet in het belang is van de ontwikkeling van verdachte als hij terug moet naar een justitiële jeugdinrichting. Verder zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van feit 2 op dagvaarding I, een zeer ernstig feit. Al met al vindt de rechtbank het daarom passend om een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan de tijd die de verdachte al heeft doorgebracht in voorarrest. De rechtbank zal de verdachte daarnaast 30 dagen voorwaardelijke jeugddetentie opleggen met een proeftijd van 2 jaren en onder bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, een contactverbod met slachtoffers en de medeverdachten (met uitzondering van zijn broer), een avondklok, een verplichting tot meewerken aan coaching, een verplichting tot het volgen van onderwijs volgen/het hebben van een zinvolle dagbesteding en een verplichting tot het meewerken aan toegeleiding naar begeleid wonen. Als de verdachte zich aan die voorwaarden houdt, hoeft hij dus niet terug naar de jeugdgevangenis.
Dadelijke uitvoerbaarheidDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen en/of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, namelijk diefstal vergezeld van bedreiging met geweld en het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen. Gelet op de ernst van de feiten en de rapportages van de Raad en de reclassering waaruit naar voren komt dat er sprake is van een hoog recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. E.J.M.J. Damen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces (dit betreft feit 2 van dagvaarding I). De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 136.835,11, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 101,835,11 aan materiële schade en € 35.000,- aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de posten: eigen risico van € 770,-, huidbehandelingen van € 639,-, huidverzorging van € 226,-, kleding van € 200,- en toekomstige schade (cosmetische ingrepen) van € 100.000,-. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair gevraagd om de vordering af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering omdat vrijspraak wordt bepleit.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-012698-23 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 15 februari 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van zes weken jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarde, inhoudende dat de verdachte geen nieuw strafbaar feit zal plegen.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf naast een eventueel op te leggen straf voor de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten een te grote belasting is voor de verdachte.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet aanleiding tot tenuitvoerlegging van de op 15 februari 2024 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van zes weken omdat is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde (geen strafbare feiten plegen) niet heeft nageleefd. De verdachte heeft zich vóór het einde van de proeftijd wederom schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Omdat de rechtbank het niet wenselijk vindt dat de verdachte weer vast komt te zitten en begeleiding en coaching noodzakelijk zijn, zal de rechtbank de jeugddetentie omzetten in een werkstraf van 84 uren.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141, 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.8 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
Dagvaarding I: 09-098564-24
feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
Dagvaarding II: 09-330640-25
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
74 DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (
44 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie,
30 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
2. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media,– contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
s
lachtoffers:
- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006;
- [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 3] 2008;
- [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2006;
medeverdachten:
- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 5] 2006;
- [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 6] 2004;
- [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum 7] 2004;
tenzij de jeugdreclassering hiervoor toestemming geeft, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
3. gedurende de proeftijd aanwezig is op de navolgende locatie: [adres 2] , van 20:00 uur tot 07:00 uur, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de jeugdreclassering de tijdstippen mag veranderen;
4. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding van een coach van E25 of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
5. gedurende de proeftijd onderwijs volgt en/of een zinvolle - door de jeugdreclassering goedgekeurde - dagbesteding heeft;
6. gedurende de proeftijd, als de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht, meewerkt aan een traject voor begeleid wonen bij [instelling] of een soortgelijke instelling;
geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
de vordering van de benadeelde partij
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
de vordering tenuitvoerlegging
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van zes weken, opgelegd bij voormeld vonnis van de meervoudige kamer van 15 februari 2024 in de zaak met parketnummer 09-012698-23, in die zin dat die straf wordt omgezet in een werkstraf van
84 UREN;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.E. Bierling, kinderrechter, voorzitter,
mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter,
en mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Dagvaarding I: 09-098564-24
1
hij op of omstreeks 20 januari 2024 te Delft
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
AirPods en/of een geldbedrag van 50 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld
en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd
met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om,
bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf
hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door
- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "Ik kan je doodmaken, ik ga je doodmaken" en/of
"Zie je dit mes, deze kan heel diep in jouw lichaam gaan” althans woorden van
gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- een mes aan die [slachtoffer 1] te tonen, en/of
- tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan, en/of
- met de handen in de jaszakken van die [slachtoffer 1] te voelen;
2
hij op of omstreeks 6 maart 2024 te Delft
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
[slachtoffer 2]
opzettelijk
van het leven te beroven, immers heeft/hebben verdachten
- tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij hem gaat doodmaken, en/of
- op die [slachtoffer 2] afgerend met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, en/of
- die [slachtoffer 2] vanaf achteren benaderd en/of (vervolgens vanaf achteren) met een
mes, althans een scherp/puntig voorwerp in het gezicht/de kin, althans het lichaam
van die [slachtoffer 2] gestoken/gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 maart 2024 te Delft
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
aan [slachtoffer 2]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft/hebben verdachten
- tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij hem gaat doodmaken, en/of
- op die [slachtoffer 2] afgerend met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, en/of
- die [slachtoffer 2] vanaf achteren benaderd en/of (vervolgens vanaf achteren) met een
mes, althans een scherp/puntig voorwerp in het gezicht/de kin, althans het lichaam
van die [slachtoffer 2] gestoken/gesneden,,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
Dagvaarding II: 09-330640-25
hij op of omstreeks 2 oktober 2025 te Delft op de Gasthuisplaats, in elk geval
openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten
[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond
uit het in de hals en/of het gezicht steken met een afrokam, althans een scherp
en/of puntig voorwerp en/of schoppen en/of slaan tegen het lichaam;