ECLI:NL:RBDHA:2026:5484

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
NL25.37944
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31, zesde lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000Art. 8, eerste lid, onder f, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag minderjarige Somalische vluchteling wegens onvoldoende onderzoek opvang

Eiser, een minderjarige Somalische asielzoeker, diende op 3 oktober 2024 een asielaanvraag in na bedreiging en mishandeling door Al-Shabaab, die hem dwong zich aan te sluiten bij hun organisatie. Na mishandeling en het vermoorden van zijn oom door Al-Shabaab, verliet hij Somalië uit vrees voor zijn leven.

De minister wees de asielaanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade. De rechtbank oordeelt echter dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser niet aannemelijk zijn en dat het onderzoek naar adequate opvang in Somalië onvoldoende voortvarend is uitgevoerd.

De rechtbank stelt vast dat de minister niet heeft voldaan aan de zorgvuldigheids- en motiveringsvereisten uit de Algemene wet bestuursrecht en dat het onderzoek naar opvangmogelijkheden onvoldoende is afgerond, terwijl eiser rechtmatig verblijf kreeg zolang het onderzoek liep.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en draagt de minister op binnen korte termijn een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende onderzoek en motivering; de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37944

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.E. Joseph).

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Het asielrelaas
1. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2008. Hij heeft op 3 oktober 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat in september 2024 vier mannen van Al-Shabaab de Koranschool van eiser hebben bezocht en dat hij – samen met vier andere jongens –werd verplicht om zich aan te sluiten bij Al-Shabaab. Toen eiser hier wilde wegkomen, werd hij door de mannen geslagen en viel hij flauw. De mannen van Al-Shabaab hebben toen twee jongens meegenomen en vertelden aan eiser en de andere twee jongens dat zij over twee weken zouden worden opgehaald op de Koranschool om naar een trainingskamp van Al-Shabaab te gaan. Eiser heeft dit bij thuiskomst aan zijn moeder verteld, waarna zij hem heeft ziekgemeld van de Koranschool . Na één week ziekmelding heeft de moeder van eiser hem naar de markt gestuurd om melk te halen. Onderweg naar huis kwam eisers moeder hem tegemoet lopen met een tas kleding en vertelde hem dat Al-Shabaab bezig is met het rekruteren en meenemen van jongeren in de buurt. Eiser moest zich van zijn moeder vermommen in een hijab en naar het huis van zijn oom vertrekken. Vanuit daar is hij de volgende dag op de bus gezet naar Mogadishu, om bij een vriend van zijn oom te verblijven. Hier hoorde eiser – via de vriend van zijn oom – een dag later dat zijn oom door Al-Shabaab is vermoord en dat het niet langer veilig voor hem is om bij de vriend te verblijven. Hierna heeft de vriend van eisers oom een reisagent geregeld waar eiser drie dagen heeft verbleven, waarna eiser het land heeft verlaten. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser te worden vermoord door Al-Shabaab, omdat ze daarmee hebben gedreigd en omdat ze zijn oom hebben vermoord.
Het bestreden besluit
2. Eisers asielaanvraag is afgewezen als ongegrond. Verweerder volgt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Eisers gestelde problemen met Al-Shabaab worden niet geloofwaardig geacht. Eisers verklaringen vormen in dit kader geen samenhangend en aannemelijk geheel. [1] Verder wordt geen reëel risico op ernstige schade aangenomen vanwege eisers gestelde vrees voor Al-Shabaab. Ook acht verweerder niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Somalië in een situatie van systematische blootstelling terecht komt. [2] Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers woonplaats, [woonplaats] , en de weg daar naartoe niet onder de controle van Al-Shabaab vallen. Eiser krijgt geen buitenschuldvergunning. [3] Eisers onderzoek naar adequate opvang in Somalië was ten tijde van het bestreden besluit nog niet afgerond. Eiser heeft daarom rechtmatig verblijf in Nederland gekregen zolang het onderzoek loopt gedurende zijn minderjarigheid. [4] De beroepsgronden
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eisers toelichting over het niet noemen van een exacte datum dat Al-Shabaab bij de Koranschool langskwam niet wordt gevolgd. Ook motiveert verweerder onvoldoende wat wordt bedoeld met de opmerking dat eiser niet heeft onderbouwd dat Al-Shabaab veelvuldig op bezoek kwam in de moskee. Ten onrechte wordt aan eiser tegengeworpen dat hij speculatieve verklaringen aflegt over de reden waarom hij en de andere twee jongens van Al-Shabaab mochten vertrekken toen Al-Shabaab de Koranschool bezocht. Ondanks dat eisers standpunt over het niet bezoeken van een dokter na de mishandeling door Al-Shabaab wordt gevolgd, stelt verweerder ten onrechte dat dit niet leidt tot een wijziging van het standpunt dat eiser onsamenhangend en niet aannemelijk heeft verklaard. Verweerder stelt ten onrechte dat het vreemd is dat eiser en de twee andere vrijgelaten jongens onderweg naar huis niet meer hebben gesproken en miskent daarmee de heersende angstcultuur jegens Al-Shabaab. Verweerder stelt ten onrechte dat eisers verklaringen dat hij na de ziekmelding op de Koranschool een week niets heeft gehoord van de Korandocent en Al-Shabaab speculatief zijn. Verweerder miskent dat het aannemelijk en voorstelbaar is dat de moeder van eiser niet het risico wil kopen dat eiser voortijdig door Al-Shabaab wordt meegenomen. Eiser heeft consistent en geloofwaardig verklaard over de aanwezigheid van Al-Shabaab onderweg naar Mogadishu. Eiser heeft in dit kader een rapport van vluchtelingenwerk overgelegd van 9 juli 2025 en stelt zich op het standpunt dat wel sprake is van systematische blootstelling. Verweerder heeft zonder geldige reden geen gehoor gegeven aan het verstrekken van eisers medische rapport en deze pas bij het bestreden besluit aangehecht, waardoor de gemachtigde zijn controlerende werk niet kan uitoefenen. Verweerder is, naar aanleiding van eisers zienswijze, ten onrechte niet ingegaan op eisers verwijzingen naar het IVRK. [5] Het verweerschrift
4. Verweerder volgt in het verweerschrift dat eiser voldoende concreet heeft verklaard over het moment dat Al-Shabaab op de Koranschool is langsgekomen en dat eiser in zijn dorp niet naar de dokter kon gaan voor de behandeling van zijn verwondingen na de mishandeling door Al-Shabaab. Verweerder volgt eisers motivering dat zijn moeder hem na de mishandeling door Al-Shabaab – door middel van traditionele medicatie – thuis heeft behandeld. Ook volgt verweerder in het verweerschrift dat eisers moeder niet langs de moeders van de andere jongens is gegaan om navraag te doen over Al-Shabaab vanwege de heersende angstcultuur. Dit weegt volgens verweerder echter niet op tegen de overige tegenwerpingen in het bestreden besluit, omdat deze de kern raken van de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Bezoek aan de Koranschool door Al-Shabaab
5. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het ongerijmd is dat eiser negen jaar op de Koranschool zat en dat Al-Shabaab in deze periode niet meer dan twee keer de Koranschool heeft bezocht. De motivering daarvoor is niet toereikend. Volgens verweerder zou de aanwezigheid van Al-Shabaab bij de moskee naast de Koranschool juist meerdere bezoeken aan de Koranschool verklaren. Eiser heeft verklaard dat gedurende de tijd dat hij op de Koranschool zat, Al-Shabaab – naar zijn weten – twee keer is langsgekomen op de Koranschool . [6] In de zienswijze heeft eiser, na verweerders opmerking in het voornemen dat dit opvallend is en dat het te verwachten is dat Al-Shabaab vaker de Koranschool zou bezoeken, aangegeven dat Al-Shabaab wel veelvuldig de naast de school gelegen moskee bezocht. Onder deze omstandigheden kon, zonder nadere toelichting, niet worden verwacht dat eiser met meer zekerheid of detail zou verklaren waarom Al-Shabaab niet vaker – dan de twee keer die hem bekend zijn – een bezoek bracht aan de Koranschool . Daarbij heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd op welke wijze eiser zou moeten onderbouwen dat Al-Shabaab wel vaker bezoeken aan de moskee naast de Koranschool bracht, nu hem juist wordt tegengeworpen dat het ongerijmd is dat Al-Shabaab in negen jaar tijd maar twee bezoeken aan de Koranschool van eiser heeft gebracht.
6. Ook volgt de rechtbank verweerders standpunt in het verweerschrift niet dat het niet te volgen is dat eiser op de Koranschool door Al-Shabaab wordt verteld dat hij zich moet aansluiten, dat hij wordt mishandeld en dat hem wordt verteld dat hij over twee weken door hen wordt opgehaald, maar dat hij vervolgens vrij is om weer naar huis te gaan. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd wat redelijkerwijs van eisers verklaringen mocht worden verwacht, alvorens tot deze tegenwerping werd overgegaan. Eiser heeft consistent verklaard dat hij de reden van het handelen van Al-Shabaab niet weet. Voorts heeft eiser in de zienswijze opnieuw verklaard niet te weten wat de beweegredenen van Al-Shabaab zijn. [7] Eiser heeft in de zienswijze onder andere aangegeven dat dit te maken kán hebben met het feit dat hij bang was en in paniek reageerde en dat hij gewond was geraakt nadat hij door Al-Shabaab ernstig was mishandeld. Niet valt in te zien waarom verweerder aan eiser tegenwerpt dat eiser speculatieve verklaringen aflegt over de redenen van Al-Shabaab, wanneer eiser meermaals heeft verklaard dat hij niet weet wat de gedachte is geweest achter het handelen van Al-Shabaab. Daarbij heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd wat – ondanks eisers consistente verklaring niet te weten wat de reden is van het handelen van Al-Shabaab – van eiser verwacht mag worden bij het aannemelijk maken waarom Al-Shabaab hem en de andere twee jongens pas na twee weken zouden ophalen van de Koranschool .
Eisers bezoek aan de markt
7. Verweerder heeft ten onrechte eisers verklaringen dat hij melk is gaan halen op de markt, terwijl hij het risico liep om door Al-Shabaab te worden gerekruteerd, aangemerkt als bevreemdingwekkende en oppervlakkig. Daarbij heeft verweerder – gelet op eisers verklaringen – onvoldoende gemotiveerd dat aan eiser wordt tegengeworpen dat hij en zijn moeder het risico durfde te nemen om eiser naar de markt te laten gaan. Eiser heeft verklaard voor zijn bezoek aan de markt één week thuis te zijn gebleven zonder dat de korandocent of Al-Shabaab naar hem hebben gevraagd of dat er iets was gebeurd. Ook heeft eiser verklaard dat hij degene is die altijd melk kocht, maar dat zijn moeder dit de week hiervoor zelf heeft gedaan. Verder heeft eiser verklaard dat zijn moeder zich op de bewuste dag niet lekker voelde en aan eiser vroeg om melk te halen. [8] Daarbij heeft eiser verklaard dat hij heel alert was en de plekken waar Al-Shabaab stond wilde vermijden [9] en dat hij Al-Shabaab op straat niet is tegengekomen. [10] De gemachtigde van eiser erkent ter zitting dat eiser een risico heeft genomen om Al-Shabaab tegen het lijf te lopen toen hij melk is gaan halen op de markt, maar dit was een gecalculeerd risico. Zonder nadere toelichting is door verweerder niet inzichtelijk gemaakt waarom in deze omstandigheden meer details van eisers verklaringen mocht worden verwacht, dan wel waarom zijn verklaring bevreemding opwekken en welke conclusie hieraan dient te worden verbonden.
Het overlijden van eisers oom
8. Verweerder stelt zich in het verweerschrift en ter zitting voor het eerst op het standpunt dat eiser beknopt en oppervlakkig heeft verklaard over de dood van zijn oom door Al-Shabaab omdat zijn oom hem hielp met ontsnappen. Volgens verweerder heeft eiser geen inzicht gegeven in deze gebeurtenis en heeft hij daarom deze essentiële gebeurtenis niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank constateert ter zitting dat in het nader gehoor niet aan eiser is doorgevraagd naar het overlijden van zijn oom. Verweerder erkent ter zitting dat aan eiser meer vragen over het overlijden van zijn oom gesteld konden worden, maar stelt dat – gelet op het belang van deze gebeurtenis – ervan mag worden uitgegaan dat eiser hier zelf over verklaart. Zo zou eiser meer uit eigen beweging kunnen verklaren over zijn gevoel en zijn reactie op het moment dat deze informatie hem bekend werd, wat er op dat moment in eiser omging en hoe dit is gebeurd. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Uit het nader gehoor volgt dat eiser – als minderjarige vreemdeling – gedurende zijn verklaringen over deze gebeurtenis erg emotioneel was en ook heeft verklaard het moeilijk te vinden om deze vragen te beantwoorden. [11] Daarbij heeft eiser verklaard dat deze informatie hem bekend is geworden via de vriend van zijn oom. Eiser heeft verklaard dat deze vriend met de vrouw van eisers oom heeft gebeld en via deze weg te horen kreeg dat eisers oom door Al-Shabaab is vermoord. Niet is gebleken dat verweerder hier rekening mee heeft gehouden in zijn beoordeling. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt ter zitting dat gelet op eisers verklaringen niet van hem kan worden verwacht dat hij meer weet te verklaren over deze gebeurtenis. Nu niet is gebleken dat door verweerder is doorgevraagd naar het overlijden van eisers oom door Al-Shabaab, acht de rechtbank de tegenwerping dat eiser beknopt en oppervlakkig heeft verklaard onvoldoende gemotiveerd.

Onderzoek naar adequate opvang

9. In een drietal uitspraken van 8 juni 2022 [12] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uiteengezet wat de gevolgen zijn van het arrest van het Europese Hof van 14 januari 2021 in de zaak [naam] tegen Nederland. [13] In deze uitspraken is geoordeeld dat verweerder zo spoedig mogelijk na het indienen van een asielverzoek door een alleenstaande minderjarige moet onderzoeken of er in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is. Verweerder moet ernaar streven om dit onderzoek tijdens de beoordeling van de asielaanvraag af te ronden, maar mag een besluit op de asielaanvraag loskoppelen van een besluit over terugkeer als dit onderzoek op dat moment nog niet is afgerond. Voorop staat echter dat verweerder voortvarend handelt en zo spoedig mogelijk duidelijkheid geeft over de verblijfsrechtelijke status van de alleenstaande minderjarige. Daarom moet verweerder in dergelijke gevallen bij het afwijzen van een asielaanvraag motiveren waarom hij geen terugkeerbesluit uitvaardigt. Als blijkt dat er geen sprake is van adequate opvang in het land van herkomst, moet verweerder een reguliere verblijfsvergunning verlenen. [14]
10. Verweerder heeft niet in overeenstemming met deze rechtspraak gehandeld. Eiser heeft op 3 oktober 2024 een asielaanvraag ingediend. Naast het stellen van enkele vragen over familieleden van eiser in Somalië als onderdeel van de gehoren die in iedere asielprocedure moeten worden afgenomen, heeft verweerder geen actief onderzoek verricht naar adequate opvang. Zowel in het bestreden besluit als ter zitting is op geen enkele wijze gebleken of er al een onderzoek is gestart naar adequate opvang en waarom verweerder tot op heden niet meer handelingen heeft verricht. Overigens is gesteld noch gebleken dat eiser niet actief of volledig aan het onderzoek naar adequate opvang heeft meegewerkt. Het ter zitting ingenomen standpunt dat het onderzoek door DT&V [15] niet (volledig) kan worden verricht zolang er nog niet is beslist op de asielaanvraag, wordt niet gevolgd. Alhoewel de aard van de asielprocedure er aan in de weg kan staan dat het onderzoek naar adequate opvang binnen de voor de asielprocedure geldende beslistermijn wordt afgerond, wordt niet ingezien waarom niet in een eerder stadium kon worden geprobeerd om contact te zoeken met de familieleden van eiser. Verweerder heeft vanaf het moment van het indienen van eisers asielaanvraag tot aan zijn meerderjarigheid immers anderhalf jaar de tijd gehad om onderzoek te doen. Verweerder heeft gedurende de minderjarigheid van eiser dan ook onvoldoende voortvarend aan dat onderzoek gewerkt.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit in strijd met de in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb [16] opgenomen zorgvuldigheids- en motiveringsvereisten. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de geconstateerde gebreken, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb, bepaalt de rechtbank dat verweerder zo spoedig mogelijk een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
12. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op €1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 13 augustus 2025;
  • draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van €1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.In de zin van paragraaf C2/3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Zoals bedoeld in paragraaf A3/6.1 van de Vc.
4.Op grond van artikel 8, eerste lid, onder f, van de Vw.
5.Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
6.Pagina 2 van de correcties en aanvullingen van het nader gehoor.
7.Pagina 2 van de zienswijze.
8.Pagina 21 van het nader gehoor.
9.Pagina 20 van het nader gehoor.
10.Pagina 22 van het nader gehoor.
11.Pagina 26 en 27 van het nader gehoor.
13.Met het kenmerk: ECLI:EU:C:2021:9.
14.Op grond van artikel 3.48, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en onderdeel B8/6 van de Vc.
15.Dienst Terugkeer en Vertrek.
16.Algemene wet bestuursrecht.