ECLI:NL:RBDHA:2026:5477

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
NL26.7378
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening asielaanvraag niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling.

De voorzieningenrechter heeft het verzoekschrift beoordeeld en vastgesteld dat de verzoeker geen gronden van het verzoek heeft vermeld, hetgeen een vereiste is op grond van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft de verzoeker daarop verzocht binnen vijf werkdagen alsnog de gronden in te dienen, maar dit is niet gebeurd.

Gezien het ontbreken van gronden en het feit dat het verzuim niet verschoonbaar is, heeft de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7378

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten zitting uitspraak.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het verzoekschrift de gronden van het verzoek. Indien hier niet aan is voldaan kan het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Dit volgt uit artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:6 van Pro de Awb.
2. Verzoeker heeft geen gronden van het verzoek vermeld in het verzoekschrift van 10 februari 2026. De rechtbank heeft eiser om deze reden bij bericht van 12 februari 2026 verzocht om de gronden alsnog binnen vijf werkdagen (dus uiterlijk op 19 februari 2026) in te dienen. Daarbij is aan verzoeker medegedeeld dat het verzoek anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Er zijn geen gronden ingediend.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat het verzuim verschoonbaar is. Uit de berichtgeving van 12 februari 2026 volgt dat de termijn vijf werkdagen is. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.