Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, vroeg op 29 augustus 2023 een visum voor kort verblijf aan om familie te bezoeken in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 4 oktober 2023 af wegens redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren naar Marokko. Na bezwaar en een gewijzigd besluit bleef de afwijzing in stand, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde het beroep op 8 januari 2026 en beoordeelde of de afwijzing op goede gronden was gebaseerd. Eiseres stelde dat zij sterke sociale binding heeft met Marokko, onder meer door de zorg voor haar ouders en haar studie aan de universiteit. Ook voerde zij aan dat zij een economische binding heeft door haar werk als administratief medewerker en haar activiteiten in e-commerce.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een zodanige sociale en economische binding met Marokko heeft dat haar tijdige terugkeer gewaarborgd is. Er ontbraken medische stukken over de zorgbehoefte van haar ouders, bewijs van haar daadwerkelijke zorg, en onderbouwing van haar inkomen. De rechtbank volgde de minister in het oordeel dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het Schengengebied tijdig te verlaten.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om griffierechtvrijstelling toe. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.