ECLI:NL:RBDHA:2026:5457

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/09/653472 / FA RK 23-6543
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over kinderalimentatie, partneralimentatie en vermogensverdeling bij echtscheiding

De rechtbank Den Haag heeft op 13 februari 2026 een beschikking gegeven in een echtscheidingsprocedure met nevenvoorzieningen betreffende kinderalimentatie, partneralimentatie en de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden.

De rechtbank heeft de behoefte van de kinderen vastgesteld op €2.602,- per maand en de draagkracht van de man en vrouw berekend, waarbij rekening is gehouden met het inkomen, verdiencapaciteit en vermogen. De man is veroordeeld tot betaling van €1.358,- per maand kinderalimentatie en €1.001,- bruto per maand partneralimentatie aan de vrouw, ingaande per datum beschikking.

Ten aanzien van de vermogensverdeling is vastgesteld dat de waarde van aandelen in een BV en de rekening-courantschuld onderdeel zijn van het te verrekenen vermogen, met een vrijstelling van €250.000,-. De rechtbank heeft een deskundige benoemd om de waarde van de aandelen en de schuld vast te stellen en heeft partijen een termijn gegeven om stukken in te dienen. De verdere vermogensrechtelijke afwikkeling en proceskosten worden aangehouden tot 15 juli 2026.

De zorgregeling en vakanties zijn vastgesteld, waarbij de kinderen een hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en een zorgregeling bij de man. De rechtbank heeft ook afspraken over de verdeling van vakanties en het gebruik van de echtelijke woning getroffen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Man moet kinderalimentatie van €1.358,- per maand en partneralimentatie van €1.001,- bruto per maand betalen; verdere vermogensverdeling aangehouden tot deskundigenrapport.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 23-6543 en FA RK 24-6398
Zaaknummers: C/09/653472 en C/09/672055
Datum beschikking: 13 februari 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 6 september 2023 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Y.M. van Vliet te Heemstede, voorheen mr. H.A. van Hapert te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.N.M. de Gier te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2025, die is verbeterd bij beschikking van 21 mei 2025, de volgende beslissingen genomen.
In de
voorlopige voorzieningenprocedure (C/09/678788) is bepaald dat:
  • de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres 1] [plaats 1] , en dat de man die woning niet mag betreden;
  • de man aan de vrouw met ingang van 6 maart 2025 voorlopig een partneralimentatie van € 6.500,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
  • de man aan de vrouw met ingang van 6 maart 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen (bij co-ouderschap eventueel:
In de
bodemprocedure(C/09/653472 en C/09/672055) is:
  • de echtscheiding uitgesproken;
  • bepaald dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
  • een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen bij de man zullen zijn:
o elke woensdag uit school tot na het avondeten;
o om de week van donderdag 17.15 uur tot zondag 20.30 uur;
waarbij de hond met de kinderen meekomt;
  • een beslissing genomen over de verdeling van de vakanties en feestdagen/bijzondere dagen;
  • de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot opname van het ouderschapsplan en convenant;
  • bepaald dat de man een nader onderbouwd standpunt met betrekking tot de kinderalimentatie, de partneralimentatie, beiden voorzien van behoefte- en draagkrachtberekeningen, en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden indient uiterlijk op 6 april 2025;
  • bepaald dat de vrouw een behoefte- en draagkrachtberekening, alsook een nadere uitlating over een eventueel dienstverband indient, uiterlijk tegen de pro formadatum;
  • het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot het betalen van een voorschot op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van een bedrag van
€ 100.000,- afgewezen.
De rechtbank heeft de bodemprocedure voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer en iedere verdere beslissing over de definitieve kinderalimentatie, partneralimentatie, afwikkeling huwelijkse voorwaarden en de proceskosten aangehouden.
De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht van 3 april 2025, met bijlagen, van de man;
  • de brief van 14 april 2025, met bijlagen, van de vrouw;
  • het bericht van 30 april 2025 van de vrouw;
  • het bericht van 6 mei 2025 van de man;
  • het bericht van 13 november 2025, met bijlagen, van de man;
  • het bericht van 17 november 2025 van de vrouw;
  • de brief van 18 november 2025, met bijlagen, van de vrouw;
  • de brief van 24 november 2025 van de vrouw.
Op 27 november 2025 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door mr. H.A. van Hapert en de vrouw bijgestaan door haar advocaat. Door de advocaat van de man zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en deels voorgedragen.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om na de zitting nog stukken in te dienen en vervolgens schriftelijk te reageren op de door de ander ingediende stukken.
De rechtbank heeft na de zitting de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht van 8 december 2025 van de man;
  • de brief van 9 januari 2026, met bijlage, van de vrouw;
  • de brief van 9 januari 2026, met bijlagen, van de man;
  • het bericht van 16 januari 2026 van de man;
  • het bericht van 16 januari 2026, met bijlage, van de vrouw, ontvangen op
19 januari 2026.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Vooraf: bezwaar tegen indiening stukken
De vrouw heeft in het bericht van 17 november 2025 bezwaar gemaakt tegen de stukken (producties 18 tot en met 25) die door de man op 13 november 2025 zijn ingediend. Zij heeft dit bezwaar tijdens de zitting echter ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom op dit punt geen oordeel meer te geven.
De reguliere zorgregeling en de voorjaarsvakantie
De rechtbank heeft in de beschikking van 6 maart 2025 een beslissing genomen over de zorgregeling en de verdeling van de vakanties. Uit de brief van de vrouw van 9 januari 2026 en het bericht van de man van 16 januari 2026 blijkt dat de regeling die partijen hanteren afwijkt van hetgeen in de beslissing is opgenomen. Partijen zijn het erover eens dat de kinderen op basis van de feitelijke zorgregeling bij de man verblijven:
  • elke woensdag van 18.30 uur tot 20.30 uur;
  • om de week van donderdag 18.30 uur tot zondag 20.30 uur.
Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat voor de voorjaarsvakantie en de herfstvakantie het volgende geldt: de kinderen verblijven in de even jaren de voorjaarsvakantie bij de man en de herfstvakantie bij de vrouw. In de oneven jaren verblijven de kinderen in de voorjaarsvakantie bij de vrouw en in de herfstvakantie bij de man. De rechtbank zal volstaan met opname van deze overeenstemming tussen partijen in het lichaam van de beschikking, omdat al een eindbeslissing is genomen over de zorgregeling en de verdeling van de vakanties.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. Voor het bepalen van de behoefte moet het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.
Vaststaat dat de vrouw tijdens de laatste jaren van het huwelijk geen inkomen had. Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) moet dus worden berekend op basis van het inkomen van de man. De rechtbank zal het NBGI berekenen in periode 2023-II, omdat partijen in 2023 feitelijk uit elkaar zijn gegaan.
De man heeft in 2023 een DGA-salaris ontvangen van € 96.000,- bruto per jaar. Hiernaast staat tussen partijen vast dat het gezin ook heeft geleefd van opnames in rekening-courant. Partijen verschillen op dit punt echter van mening met welk bedrag rekening moet worden gehouden. De vrouw stelt € 175.000,- omdat dit het bedrag is dat jaarlijks ongeveer werd opgenomen. De man stelt dat de opnames in rekening-courant moeten worden uitgesplitst in verschillende kostenposten, waarbij alleen moet worden gerekend met gemiddeld € 72.483,- aan bancaire overboekingen naar de gezamenlijke rekening omdat dat consumptief is besteed aan het gezin.
De rechtbank is uit de overgelegde stukken gebleken dat de rekening-courantschuld in de jaren 2021, 2022 en 2023 achtereenvolgens is toegenomen met € 175.064,- in 2021,
€ 176.879,- in 2022 en € 262.741,- in 2023. De kosten die in rekening-courant zijn geboekt betreffen volgens de toelichting uit productie 13 van de man onder andere ‘overboekingen naar gezamenlijke privérekening’, ‘rente lening vakantiewoning’, ‘rente lening eigen woning’, ‘autokosten’, ‘huurwoning’. De kostenposten die in productie 13 zijn weergegeven vallen, met uitzondering van ‘de aflossing lening eigen woning’, naar het oordeel van de rechtbank allemaal onder de kosten van de huishouding van het gezin. Partijen hebben de rekening-courant opnames gebruikt om hun dagelijkse leven en luxe uitgaven mee te bekostigen. De kinderen hebben daar ook van meegeprofiteerd en dat is de levensstandaard waaraan zij gewend zijn geraakt. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het standpunt van de man dat een deel van de opnames buiten beschouwing moeten blijven. De rechtbank houdt in de berekening rekening met het door de vrouw gestelde gemiddelde aan rekening-courant opnames van € 175.000,- netto per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBGI van partijen in 2023 op € 19.493,- per maand. Op basis van dit NBGI hadden partijen geen recht op kindgebonden budget, zodat de rechtbank daarmee geen rekening zal houden.
Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2023, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.460,- per maand in 2023.
Tussen partijen is in geschil of deze tabelbehoefte als uitgangspunt moet worden genomen, of dat – zoals de vrouw stelt – vanwege de luxe en welstand tijdens het huwelijk sprake is van een hogere behoefte. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de werkelijke behoefte van de kinderen € 1.635,86 per kind per maand (€ 3.271,72) is. Dit volgt uit de door haar overgelegde behoeftelijst.
De rechtbank stelt voorop dat zij niet zal uitgaan van de door de vrouw overgelegde behoeftelijst, omdat deze door de man gemotiveerd is betwist. De rechtbank is echter van oordeel dat enkel uitgaan van het maximale tabelbedrag van in totaal € 1.460,- per maand voor twee kinderen onvoldoende recht doet aan de werkelijkheid. Uit de door beide partijen overgelegde stukken blijkt immers een dusdanig inkomen en uitgavenpatroon gedurende de laatste jaren van het huwelijk dat het maximale tabeldrag – wat geldt bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.000,- per maand – niet aansluit bij de welstand van het gezin. Het klopt dat in de tabelbehoefte wordt gereserveerd voor bepaalde kostenposten, waaronder vakanties. De rechtbank acht het echter aannemelijk dat de behoefte hoger is, omdat de kinderen gelet op de welstand in het gezin gewend zijn aan hogere uitgaven door hun ouders voor vakanties naar het buitenland, uitstapjes en merkkleding. Zelfs al werden de vakanties – zoals de man stelt – deels ‘betaald’ met punten, is daardoor wel een mate van welstand gecreëerd waar de kinderen aan gewend zijn geraakt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank van invloed op hun behoefte.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank daarom de behoefte van de twee kinderen in redelijkheid schatten op in totaal € 2.200,- per maand in 2023. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte afgerond € 2.602,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
De rechtbank is uit de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken gebleken
dat de vrouw sinds 2016 niet heeft gewerkt. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij voorheen drie dagen per week werkte. Haar inkomen was, zo blijkt uit een jaaropgave uit 2014, destijds € 30.359,- bruto op jaarbasis. De vrouw heeft op dit moment geen inkomen.
Verdiencapaciteit
De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw binnenkort wel weer gaat werken. De vrouw heeft immers toegelicht dat zij een online loopbaantraject heeft gevolgd en dat zij druk bezig is met solliciteren. De rechtbank is van oordeel dat dit ook van de vrouw kan worden verwacht. Bij haar overweging betrekt de rechtbank ook dat de kinderen inmiddels 16 jaar en 13 jaar oud zijn. De rechtbank zal daarom rekening houden met een verdiencapaciteit. De rechtbank zal – conform het standpunt van de man – een inkomen van € 3.000,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag, als uitgangspunt nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit, gelet op het salaris dat de vrouw in het verleden verdiende als gerechtssecretaris, een redelijk uitgangspunt.
Inkomen uit vermogen
De rechtbank zal in de berekening geen rekening houden met het door de man gestelde inkomen uit vermogen en/of interen op vermogen met € 3.000,- per maand. De rechtbank is van oordeel dat de man dit bedrag, dat door hem is geschat, onvoldoende heeft onderbouwd. Bovendien is er nog geen zicht op de totale omvang van het tussen partijen te verrekenen vermogen. De rechtbank vindt het mede daarom niet redelijk om op voorhand (uitsluitend) aan de zijde van de vrouw rekening te houden met een fictief bedrag aan (rendement uit) vermogen.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.806,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht de volgende formule:
70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)].
De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: € 909,- per maand.
Draagkracht man
Tussen partijen is in geschil op basis van welk inkomen de draagkracht van de man moet worden berekend.
De man stelt dat hij zijn DGA-salaris moet verlagen naar € 72.000,- bruto per jaar. Zijn werkzaamheden bij [bedrijfsnaam 1] zullen ophouden en daardoor ontvangt hij per 1 januari 2026 geen management fee meer. Verder stelt de man dat de rekening-courantschuld was opgelopen tot meer dan € 1.000.000,-. Hij heeft daarom vanwege de Wet Excessief Lenen in 2024 een dividenduitkering gedaan van € 900.000,- netto om het bedrag aan openstaande rekening-courantschuld te verminderen. Van hem mag niet worden verwacht dat hij zich opnieuw in de schulden gaat steken. Volgens de man kan bij het berekenen van zijn draagkracht geen rekening worden gehouden met opnames in rekening-courant of dividenduitkeringen.
De vrouw stelt dat rekening gehouden moet worden met het bruto salaris van € 96.000,- per jaar alsmede een netto bedrag van € 175.000,- dat de man jaarlijks in rekening-courant uit zijn onderneming opnam. De vrouw heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de man in die bedragen verandering gaat brengen.
De rechtbank zal bij het bepalen van de draagkracht van de man het gestelde inkomensverlies buiten beschouwing laten. Uit de stukken blijkt dat de man de afgelopen jaren zichzelf elk jaar een bruto salaris van € 96.000,- heeft uitgekeerd. De rechtbank verwacht dat de man (met andere werkzaamheden) een vergelijkbaar inkomen kan blijven genereren en is van oordeel dat het redelijk is om dat als uitgangspunt te nemen.
De rechtbank zal naast het DGA-salaris ook rekening houden met een extra inkomensbron in de vorm van dividenduitkeringen. Hoewel de man stelt dat dit niet houdbaar is, blijkt uit de stukken dat hij nog steeds structureel gebruik blijft maken van de rekening-courant. In productie 18 van de man is namelijk toegelicht dat de rekening-courantschuld in 2025 weer is toegenomen met € 135.975,- (van € 249.704,- naar € 385.679,-). Blijkbaar heeft de man het vertrouwen dat dit financieel gezien, in ieder geval deels, mogelijk blijft. De rechtbank vindt het echter niet houdbaar om structureel € 175.000,- per jaar in rekening-courant op te nemen, mede gezien de winsten die de afgelopen jaren in de vennootschap zijn behaald van 2021: € 66.256,-, 2022: € 61.311,- , 2023: € 106.593,- en 2024: € 77.159,-. Daarom gaat de rechtbank voorbij aan dat standpunt van de vrouw. Gelet op het voorgaande en rekening houdend met het vennootschappelijk belang dat de continuïteit van de vennootschap gewaarborgd blijft, zal de rechtbank in redelijkheid rekening houden met een dividenduitkering van € 55.000,- per jaar. De rechtbank houdt geen rekening met het negatieve resultaat uit de deelnemingen van de vennootschap in andere vennootschappen omdat de man geen enkele inzage heeft gegeven in de cijfers van de desbetreffende vennootschappen ter onderbouwing daarvan.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 8.219,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Woonlasten
Met ingang van 1 januari 2023 wordt bij de vaststelling van de kinderalimentatie rekening gehouden met een woonbudget. Dat is 30% van het NBI. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het genoemde woonbudget. Hoewel de vrouw in de door haar ingediende draagkrachtberekening rekent met woonlasten van € 1.736,- per maand in plaats van het woonbudget, heeft de vrouw niet aangevoerd waarom er in dit geval zou moeten worden afgeweken van het woonbudget. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om rekening te houden met dat lagere bedrag aan woonlasten. Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank het woonbudget (€ 2.466,-) passend bij het hogere inkomen van de man.
Belastingschuld
De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met een aflossing van € 7.500,- per maand. Uit de door de man overgelegde productie 24 blijkt dat de man een betalingsafspraak heeft gemaakt met de Belastingdienst, waarbij het totale bedrag op
1 juli 2026 moet zijn betaald. De man beschikt bovendien over vermogen dat hij eventueel te gelde zou kunnen maken om deze belastingschuld te betalen.
De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht de volgende formule:
70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)].
De draagkracht van de man bedraagt dan: € 3.072,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 3.981,- per maand (€ 909 + € 3.072). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank heeft daarom een draagkrachtvergelijking gemaakt waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht wordt verdeeld. Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 2.008,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 594,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Gelet op de zorgregeling die in de beschikking van 6 maart 2025 is vastgelegd, geldt naar het oordeel van de rechtbank een percentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 650,- per maand (25% van € 2.602,-).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan in totaal (€ 2.008 - € 650 = ) € 1.358,- per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank vindt het redelijk om de datum van deze beschikking als ingangsdatum voor de kinderalimentatie vast te stellen.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf vandaag een kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aan de vrouw moet betalen van in totaal € 1.358,- per maand. Dat is € 679,- per kind per maand. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.
Partneralimentatie
Behoefte vrouw
De rechtbank heeft het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2023 berekend op € 19.493,- per maand. Hiervan moeten de kosten van de kinderen worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 17.293,- per maand (€ 19.493 -/- € 2.200) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. Op basis van de hofnorm zou de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw dan in 2023 afgerond € 10.376,- netto per maand bedragen. Gelet op deze uitkomst komt de behoefte van € 8.949,14 netto per maand die de vrouw in haar meest recente behoeftelijst voor zichzelf heeft berekend de rechtbank niet onaannemelijk voor. Voor zover de man heeft gesteld dat (door op te grote voet te leven) sprake is van ‘virtuele behoefte’ en de daadwerkelijke behoefte van de vrouw lager ligt, gaat de rechtbank daar aan voorbij. De rechtbank is van oordeel dat de man zijn standpunt – door het enkel verwijzen naar een uitspraak van het Hof Den Haag uit 2009 [1] – onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank overweegt verder dat ook het feit dat de vrouw sinds het feitelijk verbreken van de relatie moest rondkomen met een lagere maandelijkse bijdrage, niet betekent dat de huwelijksgerelateerde behoefte is veranderd. De rechtbank zal daarom als uitgangspunt nemen dat de behoefte van de vrouw in 2023 afgerond € 8.949,- netto per maand was. Geïndexeerd naar 2026 is de behoefte € 10.587,- netto per maand.
Verdiencapaciteit en vermogen vrouw
De rechtbank vindt het in het kader van de partneralimentatie ook redelijk om ervan uit te gaan dat de vrouw verdiencapaciteit heeft en kan benutten. De rechtbank zal geen rekening houden met eventueel rendement uit vermogen en/of interen op vermogen. De rechtbank verwijst voor de motivering naar hetgeen hiervoor is overwogen.
De rechtbank merkt hierbij wel het volgende op. Mocht uiteindelijk blijken dat de vrouw een substantieel vermogen ontvangt na het verrekenen van het vermogen, dan zal dat – zoals zij zelf ook erkent – invloed hebben op de behoeftigheid van de vrouw.
Het fictieve eigen inkomen van de vrouw moet in mindering worden gebracht op de behoefte. De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen van de vrouw dat zij beschikbaar heeft om te voorzien in haar levensonderhoud op € 3.008,- per maand. De resterende behoefte van de vrouw bedraagt dan € 7.579,- netto per maand. Dit komt overeen met een bruto bedrag van € 14.971,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in hoeverre de man draagkracht heeft om aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te betalen.
Draagkracht man
De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man – zoals hiervoor bij de kinderalimentatie overwogen – uit van een DGA-salaris van € 96.000,- bruto per jaar en een dividenduitkering van € 55.000,- per jaar.
Belastingschuld
De rechtbank houdt geen rekening met de aflossingen op de belastingschuld. De rechtbank verwijst voor de motivering naar hetgeen hiervoor is overwogen.
Rekening-courantschuld
De man stelt in het kader van de partneralimentatie nog dat het redelijk is om uit te gaan van € 3.000,- per maand als aflossing op de resterende rekening-courantschuld. De rechtbank houdt daar geen rekening mee in haar berekening, omdat niet is gebleken dat de man – na de eenmalige dividenduitkering in 2024 – daadwerkelijk aflost op de rekening-courantschuld.
De rechtbank zal volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de draagkrachtformule 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen. Hierbij wordt rekening gehouden met een woonbudget van 30% van het NBI.
Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 2.633,- per maand. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 2.008,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 625,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 1.001,- per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank vindt het redelijk om de datum van deze beschikking als ingangsdatum voor de partneralimentatie vast te stellen.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf vandaag een partneralimentatie aan de vrouw moet betalen van € 1.001,- bruto per maand. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.
Aanhechten berekeningen kinder- en partneralimentatie
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling eenvoudige gemeenschappen
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In artikel 1 van Pro de huwelijkse voorwaarden hebben zij afgesproken dat tussen de echtgenoten geen enkele gemeenschap van goederen zal bestaan. In artikel 14 is Pro een finaal verrekenbeding opgenomen, inhoudende dat verrekening zal plaatsvinden zo dat ieder van partijen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die waartoe hij gerechtigd zou zijn indien tussen de echtgenoten de algehele gemeenschap van goederen had bestaan.
In de verrekening worden (volgens artikel 14 lid Pro 8) niet betrokken:
  • de goederen die ten huwelijk zijn aangebracht;
  • de goederen die door de echtgenoten krachtens erfrecht of schenking zijn of zullen worden verkregen;
  • de op die verkrijging drukkende schulden en de wegens die verkrijging geheven belastingen, zoals successie-, schenkings- en overgangsrecht;
  • al hetgeen voor bovengenoemde goederen in de plaats is getreden.
In artikel 14 lid 9 is Pro het volgende afgesproken: ‘
In de verrekening wordt wel betrokken de waarde van de door een echtgenoot voor zijn/haar rekening gedreven onderneming, dan wel de waarde van het aandeel van een echtgenoot in een vennootschap onder firma casu quo enig ander samenwerkingsverband, danwel de waarde van de aandelen in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid indien een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een door een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid uitgeoefend bedrijf hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, met dien verstande dat de eerste tweehonderd vijftig duizend euro (€ 250.000,00) van de waarde van de onderneming van de comparant sub 1 buiten de verrekening wordt gehouden; bij de waardebepaling wordt geen rekening gehouden met de eventueel aanwezige goodwill.’
Uit artikel 14 lid 2 van Pro de huwelijkse voorwaarden volgt dat de peildatum voor de beschrijving van de vermogens en de vaststelling van de waarde van de afzonderlijke vermogensbestanddelen de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding is. De peildatum is dus 6 september 2023.
Omvang vermogen
De man en de vrouw hebben in deze procedure de volgende vermogensbestanddelen en schulden aangevoerd die (eventueel) bij de verrekening moeten worden betrokken.
Aan de zijde van de man:
de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam 2] B.V.;
rekening-courant schuld van de man aan [bedrijfsnaam 2] B.V.;
de vakantiewoning aan de [adres 2] te [plaats 2] en de hieraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en);
Ferrari ( [kenteken 1] );
Tesla ( [kenteken 2] );
speedboot Chapparral;
sloep Primeur Vintage 760;
saldi bankrekeningen:
o [bankrekening 1]
o [bankrekening 2]
o [bankrekening 3]
9. de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam 3] .
Aan de zijde van de vrouw:
10. saldo bankrekening ( [bankrekening 4] );
10. saldo spaarrekening ( [spaarrekening] );
10. Audi Q3 ( [kenteken 3] ).
De rechtbank stelt hierbij voorop dat zij geen aanleiding ziet om een deskundige te benoemen voor een volledige inventarisatie van alle bezittingen en schulden van de man op de peildatum. De rechtbank gaat ervan uit dat voor de onder 1 tot en met 12 genoemde vermogensbestanddelen en schulden een beoordeling nodig is of dit onder het te verrekenen vermogen valt en zo ja, voor welke waarde. De rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat vermogensbestanddelen ontbreken. Dit betekent dat de rechtbank voorbij gaat aan het door de vrouw na de zitting (in de brief van 16 januari 2026) ingenomen standpunt.
Wordt niet verrekend vanwege een negatief vermogen?
Uit de huwelijkse voorwaarden volgt dat het vermogen van ieder van de echtgenoten bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden. In de huwelijkse voorwaarden is in artikel 14 lid 11 opgenomen Pro: ‘
Er wordt niet verrekend, indien het vermogen van een echtgenoot zodanig negatief is dat meer dan een kwart van hetgeen hij krachtens de verrekening zou ontvangen aan zijn derden-schuldeisers ten goede zou komen.
Namens de man is tijdens de zitting gesteld dat mogelijk aan zijn kant sprake is van negatief vermogen. Voor zover de man hiermee bedoelt te stellen dat hierdoor niet wordt verrekend en hij enig verzoek koppelt aan dit standpunt, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Deze opmerking is pas tijdens de zitting gemaakt en is verder niet onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw terecht aanvoert dat dit in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank is van oordeel dat de man een dergelijk standpunt in een veel eerder stadium van deze procedure had kunnen en moeten innemen. De rechtbank laat daarom dit niet onderbouwde standpunt buiten beschouwing.
Waarde aandelen [bedrijfsnaam 2] B.V. en de rekening-courant schuld
De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 14 lid 9 van Pro de huwelijkse voorwaarden volgt dat de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam 2] B.V. onder het te verrekenen vermogen valt, waarbij geldt dat € 250.000,- van die waarde buiten de verrekening wordt gehouden. Dat de man [bedrijfsnaam 2] B.V. al voor het huwelijk (in 2007) heeft opgericht, maakt – gelet op de afspraak in de huwelijkse voorwaarden dat de waarde van de aandelen in een besloten vennootschap wel in de verrekening wordt betrokken – dus niet uit. De vrouw heeft gemotiveerd toegelicht dat partijen deze afspraak bewust zo hebben gemaakt en wat hun bedoeling daarbij was. De rechtbank is verder van oordeel dat de tekst van de huwelijkse voorwaarden duidelijk is op dit punt. Hiermee gaat de rechtbank dus voorbij aan het onvoldoende onderbouwde standpunt van de man dat de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam 2] B.V. niet in de verrekening wordt betrokken.
Uit de jaarrekeningen van [bedrijfsnaam 2] B.V. blijkt dat er sprake is van een rekening-courantschuld. Dit is een privéschuld van de man bij zijn B.V. die valt onder het te verrekenen vermogen.
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat zij dhr. [naam] van Santax te Volendam zullen benaderen voor het waarderen van de aandelen [bedrijfsnaam 2] B.V. op de peildatum. De rechtbank merkt op dat dhr. [naam] zich hierbij ook zal moeten uitlaten over de hoogte van de rekening-courantschuld op de peildatum. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat dhr. [naam] alle bezittingen en schulden van de man gaat inventariseren en waarderen. De opdracht voor dhr. [naam] als deskundige ziet alleen op de waardering van de aandelen [bedrijfsnaam 2] B.V. en de hoogte van de rekening-courantschuld op de peildatum 6 september 2023. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen, zoals tijdens de zitting is afgesproken, samen de opdracht verstrekken aan dhr. [naam] en dat zij de kosten allebei voor de helft zullen betalen. De man moet aan de deskundige alle informatie verschaffen die noodzakelijk is om de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam 2] B.V. en de hoogte van de rekening-courantschuld op de peildatum te kunnen bepalen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar een dwangsom aan te verbinden.
De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om binnen vier maanden na de datum van deze beschikking – uiterlijk 15 juni 2026 – het deskundigenrapport van dhr. [naam] in te dienen.
Vakantiewoning in [plaats 2]
Tijdens de zitting is gebleken dat tussen partijen in geschil is of de vakantiewoning onderdeel is van het te verrekenen vermogen. De man heeft gesteld dat hij in 2017 een woning – die al voor het huwelijk zijn eigendom was en dus buiten het te verrekenen vermogen viel – heeft verkocht en de overwaarde van € 185.000,- heeft gebruikt om het perceel aan [adres 2] in [plaats 2] te kopen. De vrouw heeft dit echter betwist; volgens haar is de vakantiewoning niet gekocht met privévermogen van de man.
De rechtbank is van oordeel dat de man zijn standpunt dat deze woning is gekocht met privévermogen onvoldoende heeft onderbouwd. Bij de huwelijkse voorwaarden is geen staat van aanbrengsten aangehecht waaruit zou kunnen blijken dat de man bij het aangaan van het huwelijk privévermogen had in de vorm van een woning. Verder is de rechtbank op geen enkele wijze uit de overgelegde stukken gebleken dat de man met privévermogen de vakantiewoning in [plaats 2] heeft gekocht. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat de vakantiewoning (en de hypothecaire geldlening) wel onder het te verrekenen vermogen valt.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de waarde als volgt. De man heeft een taxatie ingediend waaruit een waarde blijkt van € 600.000,-. De vrouw heeft ter zitting aangegeven akkoord te zijn met deze waarde. De rechtbank zal daarom in de vermogensopstelling rekening houden met de waarde van € 600.000,-. Hiernaast zal de rechtbank rekening houden met de ‘lening directie vakantiewoning’ van € 287.942,- zoals blijkt uit de jaarstukken van [bedrijfsnaam 2] B.V en de aangifte IB en de hypotheek bij ABN AMRO (84.71.90.331) van € 142.564,04.
Ferrari
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de Ferrari voor € 90.000,- in de verrekening wordt betrokken.
Tesla
De rechtbank is niet gebleken dat de Tesla een activum van [bedrijfsnaam 2] B.V. betreft. Op de balans van 2023 staat immers geen auto genoemd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de Tesla privé eigendom van de man is, mede gelet op het feit dat in productie 8 van de man onder meer staat:
“Kosten Tesla Model X (in r/c geboekt)
2023 35.000 Auto naar privé overhalen – Tesla Model X 2017 (schatting)”.
Dat [bedrijfsnaam 2] B.V. mogelijk de houder is van het kenteken en de verzekering en wegenbelasting van deze auto betaalt, maakt dit niet anders. Tussen partijen is – zoals tijdens de zitting besproken – niet in geschil dat de waarde van de Tesla € 30.000,- bedraagt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de Tesla voor die waarde in de verrekening betrekken.
Speedboot
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de speedboot voor € 25.000,- in de verrekening wordt betrokken.
Sloep
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de sloep voor € 24.000,- in de verrekening wordt betrokken.
Bankrekeningen man
[bankrekening 1]
De man heeft – met verwijzing naar een bankafschrift – onweersproken gesteld dat het saldo op deze bankrekening op de peildatum € 859,43 was. De rechtbank zal dit bedrag bij het te verrekenen vermogen betrekken.
[bankrekening 3]
De rechtbank gaat er gelet op de door de man verstrekte informatie vanuit dat deze bankrekening pas na de peildatum is geopend. In de aangifte IB 2023 van de man is deze bankrekening niet opgenomen. In de aangifte IB 2024 van de man wordt deze bankrekening pas genoemd, met een saldo 0 per 1-1-2024 en een saldo € 201.000,- per 31-12-2024. Gelet op het voorgaande wordt het saldo op deze bankrekening niet betrokken bij het te verrekenen vermogen.
[bankrekening 2]
De man stelt dat deze bankrekening hem niet bekend is. De rechtbank ziet echter in de salarisstroken van de man wel dit rekeningnummer opgenomen bij ‘uit te betalen salaris’ door [bedrijfsnaam 2] B.V. De rechtbank zal de man daarom nog in de gelegenheid stellen om hier een nadere toelichting over te geven en bankafschriften in te dienen waaruit het saldo op de peildatum blijkt. Indien de man deze bankrekening had op de peildatum valt immers het saldo onder het te verrekenen vermogen.
Waarde aandelen Matterhorn
De rechtbank begrijpt uit wat tijdens de zitting is besproken en de na de zitting ingediende stukken dat de man – niet [bedrijfsnaam 2] B.V. – aandelen heeft gekocht in Matterhorn. De man stelt dat hij hiervoor een lening is aangegaan. Partijen hebben vervolgens na de zitting stellingen ingenomen ten aanzien van (de besteding van) de verkoopopbrengst van de aandelen, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant. De rechtbank wil inzicht in de waarde van deze aandelen en de daarmee samenhangende lening op de peildatum. Dat blijkt niet uit de standpunten en de stukken. De rechtbank zal de man daarom nogmaals in de gelegenheid stellen om stukken in te dienen waaruit dit blijkt. De rechtbank geeft daarbij in overweging om ook de waarde van de aandelen van Matterhorn per peildatum door dhr. [naam] te laten vaststellen.
Bank- en spaarrekening van de vrouw
Tussen partijen is niet in geschil dat de volgende saldi bij het te verrekenen vermogen moeten worden betrokken:
- [bankrekening 4] : € 211,63
- [spaarrekening] : € 5.829,70
De Audi Q3
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de Audi voor € 9.000,- in de verrekening wordt betrokken.
Conclusie
De rechtbank heeft hiervoor over een deel van de vermogensbestanddelen en schulden een oordeel gegeven of aangegeven wat partijen hebben afgesproken. Op bepaalde punten krijgen partijen nog de gelegenheid om stukken in te dienen. De rechtbank kan daarom nog geen eindbeslissing geven over het te verrekenen vermogen.
Echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats 1]
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan [adres 1] . Deze woning is een eenvoudige gemeenschap. Op de woning rust een aflossingsvrije hypotheek bij ABN AMRO ( [nummer] ) van € 632.500,-. Uit de stukken blijkt ook dat sprake is van een ‘lening eigen woning’ bij [bedrijfsnaam 2] B.V. Uit het aflossingsschema door de man ingediend als productie 18 blijkt wat elke maand de stand van deze lening is. Per september 2023 gaat het om een bedrag van € 541.203,60, maar daarna is nog afgelost.
De rechtbank heeft partijen in de tussenbeschikking van 6 maart 2025 de opdracht gegeven om de woning te laten taxeren. In deze beschikking is ook overwogen dat de door de man gekozen makelaar-taxateur ( [makelaar] B.V) de waarde bindend zal vaststellen. Partijen hebben vervolgens samen opdracht gegeven voor de taxatie. Uit het taxatierapport van 16 april 2025 blijkt een marktwaarde van € 1.500.000,-.
De rechtbank zal voorbijgaan aan de stelling van de man dat er een nieuwe taxatie moet plaatsvinden omdat de woning nu mogelijk meer waard is. De man heeft dit standpunt – wat door de vrouw wordt betwist – pas tijdens de zitting ingenomen. Bovendien is afgesproken dat de taxatie bindend zou zijn en heeft de man naar het oordeel van de rechtbank geen argumenten naar voren gebracht die afwijking van deze taxatiewaarde rechtvaardigt. De rechtbank zal daarom ook voorbijgaan aan de na de zitting ingediende, door de makelaar aan de hand van een algoritme opgestelde, geactualiseerde taxatiewaarde. De rechtbank gaat dus uit van de taxatiewaarde van € 1.500.000,-.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in staat moet worden gesteld om te onderzoeken of zij de woning voor de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening bij ABN AMRO en de lening eigen woning. De rechtbank begrijpt dat het in het kader van de financiering voor de vrouw van belang is om duidelijk te hebben welk bedrag zij zal ontvangen bij het verrekenen van het vermogen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit in de komende maanden duidelijk zal worden als dhr. [naam] zich heeft uitgelaten over de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam 2] B.V. De rechtbank zal nu dus nog niet de wijze van verdeling conform het spoorboekje opnemen in de beschikking. De rechtbank zal deze beslissing aanhouden.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij geen oordeel kan en zal geven over de door de man ter sprake gebrachte zekerheidsstelling.
Gezamenlijke bankrekening
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat zij het saldo op de gezamenlijke bankrekening bij ABN AMRO ( [bankrekening 5] ) van € 3.245,02 bij helfte met elkaar zullen delen. Zij zullen deze bankrekening in onderling overleg opheffen op het moment dat de echtelijke woning is overdragen aan de vrouw of is verkocht aan een derde. De rechtbank zal deze afspraak uiteindelijk opnemen in het dictum van de eindbeschikking.
Inboedels
Partijen hebben tijdens de zitting gesteld dat zij de inboedel van de woning aan de Kwartellaan 3 al in onderling overleg hebben verdeeld. Hiernaast hebben zij tijdens de zitting afgesproken dat de inboedel van de vakantiewoning in [plaats 2] wordt toegedeeld aan de man. Gelet op het voorgaande is op dit punt geen beslissing van de rechtbank nodig.
Voortgang procedure
De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om binnen vier maanden na de datum van deze beschikking – uiterlijk 15 juni 2026 – het deskundigenrapport van
dhr. [naam] in te dienen.
Verder moet de man nog – uiterlijk 15 juni 2026 – de volgende stukken overleggen:
  • nadere toelichting en bankafschriften waaruit het saldo op de peildatum blijkt van de bankrekening met nummer [bankrekening 2] ;
  • stukken waaruit de waarde op de peildatum blijkt van de aandelen [bedrijfsnaam 3] .
Partijen krijgen vervolgens uiterlijk tot 1 juli 2026 de gelegenheid om te reageren op de door de andere partij overgelegde stukken. De rechtbank merkt hierbij op dat in het geval partijen nalaten om de rechtbank volledig te informeren, de rechtbank daaraan op grond van artikel 21 en Pro 22 Rv de gevolgen kan verbinden die zij geraden acht.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande iedere verdere beslissing ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling aanhouden tot 15 juli 2026.
Proceskosten
De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te
[geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te
[geboorteplaats] ;
van in totaal € 1.358,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een partneralimentatie van
€ 1.001,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie;
*
bepaalt dat partijen uiterlijk 15 juni 2026 het deskundigenrapport van de door hen gezamenlijk in de schakelen deskundige dhr. [naam] moeten indienen;
*
bepaalt dat de man uiterlijk 15 juni 2026 de volgende stukken moet indienen, met een afschrift naar de vrouw:
- nadere toelichting en bankafschriften waaruit het saldo op de peildatum blijkt van de bankrekening met nummer [bankrekening 2] ;
- stukken waaruit de waarde op de peildatum blijkt van de aandelen [bedrijfsnaam 3] ;
*
bepaalt dat partijen de gelegenheid hebben om op de door de andere partij overgelegde stukken te reageren tot uiterlijk 1 juli 2026;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de
vermogensrechtelijke afwikkelingen de
proceskostenaan tot
15 juli 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.D.A. Geleijns, L.L. Benink en T.M. Coppes, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 februari 2026.
NBGI
Verdeling kosten kinderen
Draagkracht