Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5444

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/09/697264 / JE RK 26-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens weggenomen ernstige ontwikkelingsbedreiging

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen voor negen maanden, met het verzoek het overige aan te houden. De instelling motiveerde dit met zorgen over de gezinssituatie, waaronder onduidelijkheid over opvoeders, hygiëne, huishoudelijke orde en de impact van gezinsuitbreiding.

De moeder en vader voerden verweer en stelden dat de situatie verbeterd is, de zorgen achterhaald zijn en dat zij openstaan voor vrijwillige hulpverlening. De moeder ontkende dat de nieuwe partner een rol in de opvoeding zou vervullen en benadrukte dat de kinderen geen verwarring ervaren.

De kinderrechter stelde vast dat de situatie van de kinderen aanzienlijk is verbeterd, dat zij zich goed ontwikkelen en dat de eerdere zorgen zijn weggenomen. De hulpverlening vanuit Cardea toonde geen actuele zorgen en de kinderrechter achtte de ouders in staat om de opvoeding gezamenlijk adequaat vorm te geven.

De komst van de nieuwe partner van de moeder werd niet als ernstige bedreiging gezien, mede omdat het gezin ondersteund wordt door hulpverlening van Massive Care. De kinderrechter besloot daarom het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt afgewezen wegens voldoende positieve ontwikkelingen en het ontbreken van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/697264 / JE RK 26-24
Datum uitspraak: 13 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
- [de minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
-
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. H.H.M. de Vries-Veringa uit Lisse.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 januari 2026;
  • het verweerschrift van de moeder met bijlagen van 10 februari 2026;
  • het verweerschrift van de vader met bijlagen van 6 februari 2026, ontvangen op 11 februari.
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting een betoog voorgelezen. Deze is na afloop van de zitting aan de rechtbank verstrekt. Het betoog is aan het dossier toegevoegd.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader met zijn advocaat en bijgestaan door een tolk.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.3.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 februari 2025 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 17 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van twaalf maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt daarbij om de ondertoezichtstelling voor de duur van negen maanden te verlengen en het verzoek voor het overige aan te houden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De zorgen over [de minderjarige 1] zijn de afgelopen maanden verminderd, hij laat zichtbaar positieve ontwikkelingen zien en op school gaat het goed. Wel zijn er zorgen over het gebrek aan sociale contacten. De gecertificeerde instelling wil hulpverlening inzetten gericht op de emotionele en sociale vaardigheden van [de minderjarige 1] . Met [de minderjarige 2] gaat het ook goed op school. De zorgen ten aanzien van [de minderjarige 2] zijn voornamelijk gelegen in de (aankomende) veranderingen in de gezinsstructuur. De gecertificeerde instelling wil er met hulpverlening voor zorgen dat [de minderjarige 2] niet wordt belast met volwassenproblematiek. De gecertificeerde instelling maakt zich zorgen over de stabiliteit en veiligheid binnen het gezin. Deze zorgen zien met name op het overzicht en de structuur in de opvoedsituatie, de hygiëne van de kinderen, de huishoudelijke orde en de verstandhouding tussen de school en de vader en de moeder. In de thuissituatie van de kinderen zijn meerdere opvoeders aanwezig: de vader, de moeder en de nieuwe partner van de moeder. De gecertificeerde instelling meent dat de verschillende rollen en posities van deze opvoeders kan leiden tot onduidelijkheid bij de kinderen en zorgt voor risico’s met betrekking tot de emotionele veiligheid en voorspelbaarheid voor de kinderen. De gecertificeerde instelling maakt zich daarnaast zorgen over de (aankomende) veranderingen in de gezinssituatie. De moeder is kortgeleden bevallen en haar nieuwe partner zal binnenkort bij het gezin intrekken. Dit kan leiden tot onzekerheid in de continuïteit en voorspelbaarheid in de opvoedomgeving van de kinderen. Vanwege de zorgen is ambulante spoedhulp (ASH) van Cardea ingezet om zicht te krijgen op de veiligheid en het functioneren van het gezin. De zorgen zijn gedurende dit traject niet waargenomen, maar de gecertificeerde instelling stelt dat het hierbij om een momentopname ging. De moeder verbleef op dat moment in [land] waardoor er enkel zicht is gekomen op de opvoedvaardigheden van de vader. Daarnaast is de gezinsuitbreiding en de komst van de nieuwe partner van de moeder niet meegenomen door Cardea. Naast ASH is er ambulante hulpverlening ingezet gericht op de opvoedvaardigheden van de moeder en de emotionele behoeftes van de kinderen. Door verschillende oorzaken is dit onvoldoende van de grond gekomen. De komende periode zal het gezin starten met hulpverlening vanuit Massive Care. Massive Care zal zich gaan richten op de veranderende gezinsdynamiek en de verschillende normen en waarden binnen het gezin. Het contact tussen beide ouders en de school verloopt ook moeizaam. De gecertificeerde instelling wil hen ondersteunen in het verbeteren van dit contact.

4.De standpunten

4.1.
Door de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder voert aan dat het verzoek van de gecertificeerde instelling grotendeels gebaseerd is op aannames, incidentele gebeurtenissen en inmiddels achterhaalde situaties. De nieuwe partner van de moeder woont niet bij haar en de kinderen en hij zal geen opvoed- en zorgtaken gaan vervullen voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Er is bij de kinderen geen sprake van verwarring over de opvoeders. De opvoedsituatie wordt ingevuld door de moeder en de vader. De zorgen van de gecertificeerde instelling over de woning dateren uit een tijdelijk lastige periode en zijn inmiddels niet meer terecht. Daarnaast volgt uit het rapport van Cardea dat er geen zorgen zijn waargenomen. De moeder stelt dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige 1] en Noah. De moeder staat bovendien open voor hulp in het vrijwillige kader om de problemen die er wel zijn aan te pakken. Een verlenging van de ondertoezichtstelling zou voor de kinderen averechts werken. Zij vraagt daarom om afwijzing van het verzoek.
4.2.
Door en namens de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzochte. Er wordt door de vader aangevoerd dat de gecertificeerde instelling de gezinssituatie onjuist weergeeft. De vader woont niet bij de moeder in huis, hij heeft zijn eigen woning. Hij is overdag wel vaak aanwezig in de woning van de moeder om haar te ondersteunen bij de opvoeding en verzorging van de kinderen. De vader en de moeder zorgen er samen voor dat de nieuwe partner van de moeder geleidelijk integreert in het gezin. De vader stelt dat de woning van de moeder op orde is en dat dit wordt bevestigd in het rapport van Cardea. Hij en de moeder hebben, ondanks de breuk in hun relatie, duidelijke afspraken gemaakt over de opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Samen zijn zij volledig beschikbaar voor de kinderen en de vader is altijd een stabiele factor in het gezin geweest. Het is duidelijk voor de kinderen wat de rol is van de vader en de moeder. Beiden zijn positief over de geboden hulpverlening van Massive Care en zij staan open voor deze hulp in het vrijwillige kader. Dat de hulp soms nog onvoldoende van de grond is gekomen vanwege wachtlijstproblematiek kan hen niet worden aangerekend. Het gaat goed met de kinderen en er zijn geen negatieve berichten vanuit school. De vader meent dat er momenteel geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De vader vraagt dan ook om afwijzing van het verzoek.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter overweegt het volgende. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting stelt de kinderrechter vast dat er in het verleden ernstige zorgen zijn geweest over de opvoeding en de verzorging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . In de afgelopen periode is de situatie echter aanzienlijk verbeterd en zijn de zorgen over beide kinderen sterk afgenomen. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] laten positieve ontwikkelingen zien. [de minderjarige 1] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat en doet het goed op school. Hij laat daarnaast geen zorgelijk gedrag meer zien zoals bij de aanvang van de ondertoezichtstelling het geval was. Ook [de minderjarige 2] ontwikkelt zich goed en er worden geen zorgen gezien ten aanzien van haar schoolgang. Deze positieve ontwikkelingen worden ook onderkend door de gecertificeerde instelling. De zorgen van de gecertificeerde instelling over de veiligheid en het functioneren van het gezin zijn door Cardea niet waargenomen. Ook in de onderbouwing die de gecertificeerde instelling ter zitting naar voren heeft gebracht komen de zorgen niet terug. Op grond hiervan stelt de kinderrechter vast dat de vader en de moeder in staat zijn om gezamenlijk de opvoeding en de verzorging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op een juiste manier vorm te geven. Het lukt hen om onderling duidelijke afspraken te maken en een stabiele opvoedomgeving voor de kinderen te creëren. Daarnaast heeft de kinderrechter onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de vader en de moeder de hulpverlening vanuit Massive Care in het vrijwillige kader niet voldoende zullen benutten. De kinderrechter complimenteert de vader en de moeder met hun samenwerking in de zorg voor de kinderen en stelt vast dat er geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De kinderrechter is er voldoende van overtuigd dat de zorgen die er waren door de vader en de moeder voldoende zijn weggenomen. De kinderrechter merkt op dat de komst van de nieuwe partner van de moeder in het gezin zal leiden tot een verandering van de huidige gezinssituatie. Dit wordt door de kinderrechter echter niet gezien als een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen. Het staat de moeder en de vader vrij om hun gezin op hun eigen manier vorm te geven. Daarnaast zal Massive Care het gezin ondersteunen en begeleiden bij het vormgeven van deze nieuwe situatie. De kinderrechter zal het verzoek om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen daarom afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koole, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 23 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.