ECLI:NL:RBDHA:2026:5430

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/09/691469 / HA RK 25-494
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidArt. 1:349 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoekster en minderjarigen van Palestijnse afkomst

Verzoekster en haar minderjarige kinderen, allen van Palestijnse afkomst en geboren in Syrië, hebben een verzoek ingediend tot vaststelling van hun staatloosheid. De rechtbank heeft het verzoek op basis van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid beoordeeld zonder mondelinge behandeling, waarbij de Staat het verzoek heeft geadviseerd toe te wijzen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster en de minderjarigen in Nederland wonen en onmiddellijk belang hebben bij het verzoek. Uit de overgelegde en door de Immigratie- en Naturalisatiedienst onderzochte documenten blijkt dat zij Palestijnse afkomst hebben en in het bezit zijn van Syrische reisdocumenten voor Palestijnen. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen zonder andere nationaliteit als staatloos worden beschouwd.

Daarnaast is op grond van de Syrische nationaliteitswetgeving en het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet aannemelijk dat verzoekster en de minderjarigen de Syrische nationaliteit bezitten. De rechtbank concludeert daarom dat verzoekster en de minderjarigen staatloos zijn en stelt dit formeel vast.

Uitkomst: De rechtbank stelt de staatloosheid van verzoekster en haar minderjarige kinderen vast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-494
Zaaknummer: C/09/691469
Datum beschikking: 13 februari 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 5 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster],

verzoekster,
mede namens de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1], Syrië,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 2], Syrië,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats 3], Syrië,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Engelbertink te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. L. Angela.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het e-mailbericht van 25 november 2025 van de zijde van verzoekster, met bijlagen;
- de brief van 10 december 2025 van de zijde van de staat, met bijlage;
- de brief van 19 december 2025 van de zijde van verzoekster;

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoekster en de minderjarigen.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoekster en de minderjarigen hebben op 30 maart 2023 een verzoek ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging.
- Op 21 oktober 2024 is de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging ingewilligd.
- Aan verzoekster en de minderjarigen is een verblijfsvergunning verleend met ingang van 27 september 2024, geldig tot 27 september 2028.
- Verzoekster en de minderjarigen zijn in het bezig van de volgende documenten, welke door Bureau Documenten van de IND zijn onderzocht en echt zijn bevonden:
- origineel Syrisch reisdocument [minderjarige 3];
- origineel Syrisch reisdocument [minderjarige 2];
- origineel Syrisch reisdocument [minderjarige 1];
- individueel uittreksel bevolkingsregister [minderjarige 3];
- individueel uittreksel bevolkingsregister [minderjarige 2];
- individueel uittreksel bevolkingsregister [minderjarige 1];
- geboorte uittreksel [minderjarige 3];
- geboorte uittreksel [minderjarige 2];
- geboorte uittreksel [minderjarige 1];
- huwelijksakte [naam] en [verzoekster];
- huwelijksafschrift [naam] en [verzoekster].
- Op 17 november 2025 is door de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant aan verzoekster machtiging op grond van artikel 1:349 van Pro het Burgerlijk Wetboek verleend om namens de minderjarigen in deze procedure in rechte op te treden.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster en de minderjarigen in Nederland wonen. Verder is niet in geschil dat verzoekster en de minderjarigen onmiddellijk belang hebben bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk zijn in hun verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en Syrië in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoekster en de minderjarigen te betrekken. Dit omdat verzoekster stelt van Palestijnse afkomst te zijn en haar hele leven in Syrië te hebben gewoond.
Worden verzoekster en de minderjarigen als onderdaan van de Palestijnse gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoekster overgelegde documenten – welke documenten echt zijn bevonden – is het aannemelijk dat verzoekster en de minderjarigen van Palestijnse afkomst zijn. Voor zover verzoekster en de minderjarigen de Palestijnse nationaliteit hebben, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden zonder andere nationaliteit, daarom als staatloos.
Worden verzoekster en de minderjarigen als onderdaan van Syrië beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoekster en de minderjarigen de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder kan hebben verkregen.
Verzoekster en de minderjarigen beschikken ook over een Syrisch reisdocument voor Palestijnen, zodat aannemelijk is dat de Syrische overheid verzoekster en de minderjarigen beschouwt als Palestijnen zonder de Syrische nationaliteit.
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoekster en de minderjarigen beschikken over de nationaliteit van Syrië.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoekster en de minderjarigen vast.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat:
  • [verzoekster], geboren op [geboortedatum 4] 1983 te [geboorteplaats 4], Syrië;
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1], Syrië,
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 2], Syrië,
  • [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats 3], Syrië,
staatloos zijn.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door
mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 februari 2026.