ECLI:NL:RBDHA:2026:5425
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van staatloosheid van verzoeker met Palestijnse achtergrond
De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek tot vaststelling van staatloosheid van een persoon geboren in 1986 in een land buiten Nederland, van Palestijnse afkomst, die in juli 2022 via Turkije naar Nederland vluchtte. De verzoeker heeft sinds april 2023 een verblijfsvergunning asiel. Diverse documenten, waaronder een Palestijns paspoort en bevolkingsregisteruittreksels, zijn door de IND als authentiek beoordeeld.
De rechtbank baseerde haar oordeel op de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (2023) en stelde vast dat verzoeker in Nederland woont en een onmiddellijk belang heeft bij het verzoek. De beoordeling betrof de vraag of verzoeker als onderdaan wordt beschouwd van de Palestijnse Gebieden, Syrië of Turkije. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen als staatloos worden beschouwd. De Syrische nationaliteitswetgeving en Turkse staatsburgerschapswet boden geen grond voor het aannemen van een nationaliteit van verzoeker.
De rechtbank concludeerde dat verzoeker staatloos is en wees het verzoek tot proceskostenveroordeling af. De beschikking werd zonder mondelinge behandeling gegeven en uitgesproken op 13 februari 2026 door rechter H.M. Boone.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoeker staatloos is en wijst het verzoek tot proceskostenveroordeling af.