Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5425

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/09/689484 / HA RK 25-396
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidWet van 7 juni 2023, Staatsblad 2023, 230Art. 8 lid 1 Wet op het Turkse staatsburgerschapArt. 11 e.v. Wet op het Turkse staatsburgerschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker met Palestijnse achtergrond

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek tot vaststelling van staatloosheid van een persoon geboren in 1986 in een land buiten Nederland, van Palestijnse afkomst, die in juli 2022 via Turkije naar Nederland vluchtte. De verzoeker heeft sinds april 2023 een verblijfsvergunning asiel. Diverse documenten, waaronder een Palestijns paspoort en bevolkingsregisteruittreksels, zijn door de IND als authentiek beoordeeld.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (2023) en stelde vast dat verzoeker in Nederland woont en een onmiddellijk belang heeft bij het verzoek. De beoordeling betrof de vraag of verzoeker als onderdaan wordt beschouwd van de Palestijnse Gebieden, Syrië of Turkije. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen als staatloos worden beschouwd. De Syrische nationaliteitswetgeving en Turkse staatsburgerschapswet boden geen grond voor het aannemen van een nationaliteit van verzoeker.

De rechtbank concludeerde dat verzoeker staatloos is en wees het verzoek tot proceskostenveroordeling af. De beschikking werd zonder mondelinge behandeling gegeven en uitgesproken op 13 februari 2026 door rechter H.M. Boone.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoeker staatloos is en wijst het verzoek tot proceskostenveroordeling af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-396
Zaaknummer: C/09/689484
Datum beschikking: 13 februari 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 28 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.E. de Poorte te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. Y. Verheugd.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van de Staat van 5 november 2025;
- het e-mailbericht van 25 november 2025 van de zijde van verzoeker;
- het e-mailbericht van 3 december 2025 van de Staat;
- het e-mailbericht van 16 december 2025 van de zijde van verzoeker.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker en de Staat te veroordelen in de kosten van dit geding.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , [land] .
- Verzoeker is in juli 2022 vanuit [land] via Turkije naar Nederland gevlucht.
- Verzoeker is op 4 april 2023 Nederland ingereisd en heeft op 6 april 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel.
- Aan verzoeker is een verblijfsvergunning asiel verleend met ingang van 6 april 2023 tot 6 april 2028.
- Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten welke zijn gecontroleerd door Bureau Documenten van de IND en echt zijn bevonden:
- uittreksel uit het geboorteregister;
- individueel uittreksel uit het bevolkingsregister voor Palestijnen;
- familieregistratiekaart UNRWA;
- identiteitskaart voor Palestijnen;
- nationaal paspoort afgegeven door de Palestijnse autoriteiten;
- familieboekje;
- individueel uittreksel uit het bevolkingsregister voor Palestijnen;
- militairboekje;
- afzwaaikaart.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is, na aanvulling door verzoeker, niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden, [land] en Turkije in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Dit omdat verzoeker stelt van Palestijnse afkomst te zijn, in [land] geboren is en via Turkije naar Nederland is gekomen.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten van de IND – is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Wordt verzoeker als onderdaan van [land] beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van [land] (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht [land] ’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in [land] en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder kan hebben verkregen.
Verzoeker beschikt ook over een [reisdocument] voor Palestijnen, zodat aannemelijk is dat de [overheid] verzoeker beschouwt als Palestijn zonder de [nationaliteit] .
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in [land] in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de nationaliteit van [land] .
Wordt verzoeker als onderdaan van Turkije beschouwd?
De regels ten aanzien van de verkrijging en het verlies van de Turkse nationaliteit zijn vastgelegd in de Wet op het Turkse staatsburgerschap (hierna: Stbw).
De Turkse nationaliteit wordt van rechtswege verkregen door afstamming of geboorte op Turks grondgebied. Voor de verkrijging van de Turkse nationaliteit via afstamming geldt dat afstamming van ten minste één Turkse ouder is vastgesteld. De verkrijgingsgrond door geboorte op Turks grondgebied heeft alleen betrekking op in Turkije geboren kinderen die bij geboorte – behoudens de Turkse nationaliteit – staatloos zouden zijn (art. 8 lid 1 Stbw Pro).
De Turkse nationaliteit kan worden verleend indien men voldoet aan bepaalde wettelijke eisen (art. 11 e.v. Stbw).
Ook van deze situaties is niet gebleken zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Turkse nationaliteit heeft.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de Staat in de proceskosten van verzoeker en zal het verzoek daartoe afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoeker staatloos is;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2026.