ECLI:NL:RBDHA:2026:5383

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696907 / JE RK 25-2206
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens voldoende vrijwillige hulpverlening

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige voor een jaar vanwege zorgen over instabiliteit in de opvoedsituatie en moeizame communicatie tussen de ouders. Er was een observatietraject uitgevoerd en ouderschapsbemiddeling geadviseerd, maar de wachttijd was lang.

De moeder en vader stelden dat het vrijwillig kader toereikend is, dat er geen contact was met de jeugdbeschermer sinds mei 2025, en dat zij zelf al diverse hulpverlening en therapieën voor de minderjarige en begeleiding voor de moeder hebben opgestart. Ook was er een mediationtraject gepland.

De kinderrechter oordeelde dat de wettelijke gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling niet (meer) aanwezig zijn. De ouders hebben grote stappen gezet, staan open voor hulp, en de vrijwillige hulpverlening is voldoende om de zorgen aan te pakken. Het gedwongen kader is niet langer noodzakelijk en de hulpverlening kan in het vrijwillig kader worden voortgezet.

Daarom werd het verzoek tot verlenging afgewezen. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen omdat de vrijwillige hulpverlening voldoende is en het gedwongen kader niet langer noodzakelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/696907 / JE RK 25-2206
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. W. Nieman uit Leiden,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 december 2025;
  • de brief van de advocaat van de moeder, ontvangen op 11 februari 2026;
  • het e-mailbericht met het standpunt van de moeder, ontvangen op 12 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 19 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De afgelopen periode is vanwege de zorgen over de instabiliteit en onrust in [de minderjarige] opvoedsituatie door Cardea een observatietraject bij de ouders opgestart. Uit dit observatietraject is naar voren gekomen dat het contact tussen de vader en de moeder wisselend verloopt, soms steunend maar ook regelmatig in conflict. Zij uiten zorgen over elkaar en vinden het lastig om hierover constructief in gesprek te gaan, wat vragen oproept over de impact hiervan op [de minderjarige] . Cardea heeft ouderschapsbemiddeling geadviseerd en de ouders staan hiervoor op de wachtlijst. In oktober 2025 was de wachttijd nog tien maanden. Het is van belang dat beide ouders zich blijvend inzetten voor een constructieve samenwerking met elkaar en de gecertificeerde instelling aangezien dit sinds de start van de ondertoezichtstelling wisselend is verlopen. Een stabiele en voorspelbare samenwerking is essentieel voor [de minderjarige] gevoel van veiligheid en continuïteit, zodat hij zich kan richten op zijn ontwikkeling en schoolgang zonder belast te worden door conflicten tussen zijn ouders. Zonder voortzetting van de ondertoezichtstelling is er een reëel risico dat de ingezette verbeteringen stagneren en dat [de minderjarige] opnieuw wordt blootgesteld aan instabiliteit en conflicten.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige] is een lief en vrolijk ventje die grote stappen heeft gezet. Echter sinds de tijdelijke uithuisplaatsing bij de vader is hij angstig als hij niet bij zijn moeder is. Vanaf mei 2025 heeft geen enkel contact tussen de jeugdbeschermer en [de minderjarige] plaatsgevonden. Het is voor zowel de moeder als de vader een raadsel waarom er eind december 2025 een verlenging van de ondertoezichtstelling is verzocht. Het vrijwillig kader is toereikend genoeg waardoor een ondertoezichtstelling geen meerwaarde heeft. De moeder is hard bezig om een andere woonruimte te vinden. Ook heeft de moeder inmiddels een bewindvoerder waardoor de moeder geen financiële stress meer ervaart. Voor [de minderjarige] is ook hulp ingeschakeld. [de minderjarige] krijgt kinderfysiotherapie voor zijn prikkelbaarheid en er is speltherapie aangevraagd bij de huisarts. Er is een mediation-traject gepland zodat er een ouderschapsplan wordt opgesteld en de moeder gaat vanaf 25 februari 2026 begeleiding ontvangen vanuit Aemosa. Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de wettelijke vereisten van een ondertoezichtstelling. Daarom wordt primair verzocht om de verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen en subsidiair om de ondertoezichtstelling te verlengen voor een kortere periode.
4.2.
Door de vader is naar voren gebracht dat [de minderjarige] het moeilijk vindt om bij zijn vader te slapen sinds de uithuisplaatsing van vorig jaar. [de minderjarige] is namelijk bang dat hij niet meer naar zijn moeder terug kan. De vader heeft, net als de moeder, naar voren gebracht dat er geen contact is geweest met de jeugdbeschermer en dat er ook geen contact met de jeugdbeschermer te krijgen is. De vader en de moeder wachten op een gesprek met school om afspraken op papier te zetten over de communicatie en afspraken naar de ouders toe. Echter wil de school de jeugdbeschermer hier niet buiten laten. Omdat de school nog geen contact heeft kunnen krijgen met de jeugdbeschermer, heeft het gesprek op school nog niet plaatsgevonden. Volgens de vader is de communicatie tussen de vader en de moeder verbeterd. De vader en de moeder zijn zelf opzoek gegaan naar een aantal cursussen die zij zouden kunnen volgen in het kader van de opvoeding van [de minderjarige] aangezien de ouderschapsbemiddeling vanuit Cardea te lang duurt. De vader is het daarom niet eens met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.

5.De beoordeling

5.1
De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe het volgende. [de minderjarige] is destijds onder toezicht gesteld omdat er ernstige zorgen waren over zijn ontwikkeling. Het lukte de ouders niet altijd om goed met elkaar te communiceren, waardoor tussen hen de emoties hoog konden oplopen, waarvan [de minderjarige] getuige was. Daarnaast waren er ook zorgen over onder meer de financiële situatie van de moeder, waardoor zij veel stress had en overvraagd werd in de opvoeding van [de minderjarige] . De vader en de moeder hebben in het afgelopen jaar grote stappen gezet en staan inmiddels open voor hulpverlening. In het gedwongen kader is, vanwege de lange wachtlijsten, nauwelijks hulpverlening van de grond gekomen. De ouders hebben daarom zelf in het vrijwillig kader onder andere kinderfysiotherapie en speltherapie voor [de minderjarige] opgestart en hulp voor de moeder bij Aemosa ingeschakeld. De ouders erkennen dat hun communicatie soms moeizaam verloopt en zijn gemotiveerd hieraan te werken. De vader en de moeder hebben gefinancierde rechtsbijstand aangevraagd voor een mediation-traject waarbij een ouderschapsplan opgesteld gaat worden. Verder is een bewindvoerder bij de moeder betrokken en dat geeft haar rust, waardoor de moeder haar emoties beter kan reguleren. De kinderrechter is van oordeel dat de hulpverlening die de ouders in het vrijwillig kader zijn gestart (vooralsnog) voldoende is om de zorgen die er over de ontwikkeling van [de minderjarige] zijn aan te pakken. Gelet daarop is er geen sprake meer van een situatie die een ondertoezichtstelling rechtvaardigt. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat het gedwongen kader niet langer noodzakelijk is en de hulpverlening kan worden voortgezet in het vrijwillig kader. Gelet het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. B. van der Laken als griffier, en op schrift gesteld op 17 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.