Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5370

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
C/09/675626 / FA RK 24-8147
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:94 BWArt. 3:194 lid 2 BWArt. 6:162 BWArt. 827 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen over huurrecht, partneralimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen sinds 2023 en verzoeken gezamenlijk de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen. De vrouw heeft de echtelijke woning opgezegd en per 1 oktober 2025 opgeleverd, waardoor het verzoek van de man tot toedeling van het huurrecht wordt afgewezen.

De rechtbank wijst partneralimentatie toe van €778 bruto per maand, conform de gewijzigde voorlopige voorziening en instemming van de man. De verdeling van de huwelijksgemeenschap vindt plaats op basis van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, met peildatum 13 november 2024.

De inboedel is reeds verdeeld, de bankrekeningen blijven eigendom van de respectievelijke partijen met verrekening van de helft van de saldi. De activa en passiva van de onderneming worden aan de man toegedeeld zonder nadere verrekening. Verzoeken omtrent de auto, goud en belastingdienstschulden worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of intrekking.

De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, draagt iedere partij eigen proceskosten en wijst het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, wijst partneralimentatie toe van €778 per maand en regelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap met toedeling van de onderneming aan de man.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8147 (echtscheiding)
FA RK 25-8360 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/675626 (echtscheiding)
C/09/694160 (verdeling)
Datum beschikking: 12 februari 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 13 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. M. Erik te Den Haag, nu zonder advocaat.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Kaynak te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens aanvullend verzoek;
  • het verweer tegen het aanvullende verzoek;
  • het betekeningsexploot, ingediend via F9-formulier op 20 november 2024;
  • het F9-formulier van 18 maart 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 16 mei 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 23 december 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 30 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
Op 15 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij is verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat. De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum] 2023 te [plaats 1] .
  • De man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen.
  • Deze rechtbank heeft op 19 december 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:
  • dat de vrouw uitsluitend gerechtig zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te ( [postcode] ) [plaats 2] , [adres] , en mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
  • dat de man aan de vrouw met ingang van heden voorlopig een partneralimentatie van € 1.926,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- Deze rechtbank heeft op 10 september 2025 de voorlopige voorzieningen van 19 december 2024 gewijzigd, voor zover van belang, inhoudende:
- dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juli 2025 voorlopig een partneralimentatie van € 778,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

De man verzoekt na aanvulling echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man zoals onder punt 14 tot en met 22 is vermeld in zijn verweerschrift;
- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw voert – onder referte van het uitspreken van de echtscheiding –verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien verzoekt de vrouw, na wijziging, zelfstandig om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 778,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van datum beschikking, dan wel datum inschrijving echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, althans een bijdrage en ingangsdatum die de rechtbank juist acht;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw zoals onder punt 33 t/m 41 in haar verweerschrift tevens zelfstandig verzoek is vermeld;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.
Echtscheiding
De man en de vrouw hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Huurrecht
Tijdens de zitting heeft de vrouw haar verzoek met betrekking tot de toedeling van het huurrecht ingetrokken. De vrouw heeft verder verklaard dat zij de woning heeft opgezegd en per 1 oktober 2025 heeft opgeleverd. De vrouw heeft de man hiervan op de hoogte gesteld en gevraagd of hij de woning wilde overnemen. Hierop heeft zij geen reactie ontvangen. Nu de woning is opgezegd en er feitelijk geen sprake meer is van een toe te delen huurrecht, zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.
Partneralimentatie
Tijdens de zitting heeft de vrouw haar verzoek met betrekking tot de partneralimentatie gewijzigd in die zin dat zij nu verzoekt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 778,- per maand aan partneralimentatie zal betalen. Dit is hetzelfde bedrag als vastgesteld in de beschikking tot wijziging voorlopige voorzieningen van 10 september 2025.
De rechtbank is van oordeel dat uit het laatste stuk van de man, te weten het F9-formulier van 23 december 2025, kan worden afgeleid dat hij instemt met een partneralimentatie van € 778,- per maand, zoals vastgesteld bij de wijziging voorlopige voorzieningen. De rechtbank zal aldus bepalen en het gewijzigde verzoek van de vrouw toewijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd op [datum] 2023 waardoor moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestaat.
De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, namelijk 13 november 2024. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt in beginsel de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken.
Partijen stellen dat de volgende vermogensbestanddelen in de ontbonden huwelijksgemeenschap vallen:
de inboedel;
de bankrekeningen;
de onderneming ‘ [bedrijfsnaam] ’
de auto;
het goud;
de schuld bij de belastingdienst.
Ad 1. De inboedel
Tijdens de zitting heeft de vrouw aangegeven dat de inboedel al is verdeeld. Nu de man niet op de zitting is verschenen en hij bij zijn verweer geen stukken over de inboedel heeft overgelegd, volgt de rechtbank de vrouw en stelt vast dat de inboedel is verdeeld waardoor zij op dit punt geen beslissing hoeft te nemen.
De rechtbank merkt verder op dat de vrouw heeft aangevoerd dat de man bij zijn vertrek uit de woning de afstandsbediening van de parkeergarage en de milieupas heeft meegenomen. De vrouw heeft hierdoor een nieuwe afstandsbediening en milieupas moeten aanschaffen, ter waarde van in totaal € 66,42,-. De vrouw stelt dat de man dit bedrag op grond van onrechtmatige daad, artikel 6:162 BW Pro, aan haar verschuldigd is. De rechtbank is van oordeel dat een verzoek op grond van onrechtmatige daad onvoldoende samenhang vertoont met de echtscheiding zoals vereist in artikel 827 Rechtsvordering Pro, zodat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.
Ad 2. De bankrekeningen
Partijen zijn het eens dat ieder zijn of haar eigen bankrekening behoudt, met verrekening van de helft van de saldi. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Daarnaast verzoekt de vrouw de zakelijke bankrekening van de onderneming van de man aan hem toe te delen, onder verrekening van de helft van het saldo. Zoals ook op de zitting besproken, is de rechtbank van oordeel dat deze zakelijke rekening onderdeel uitmaakt van de activa en passiva van de onderneming van de man. Daarom wordt deze rekening niet als afzonderlijke bankrekening verdeeld, maar als onderdeel van de onderneming. De rechtbank zal zich hieronder uitlaten over de onderneming (met de zakelijke bankrekening).
Ad 3. De onderneming ‘ [bedrijfsnaam] ’
De vrouw verzoekt de activa en de passiva van de onderneming aan de man toe te delen zonder nadere verrekening. Zoals eerder overwogen valt hier ook de zakelijke bankrekening onder.
De rechtbank is van oordeel dat de activa en passiva van de onderneming aan de man moeten worden toegedeeld zonder nadere verrekening. Met deze beslissing komt de rechtbank niet meer toe aan het verzoek van de vrouw om de man op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro te veroordelen tot voldoening aan de vrouw van alle bedragen die hij in ieder geval één maand voor de peildatum van de zakelijke rekening heeft opgenomen.
Ad 4. De auto
Op de zitting heeft de vrouw haar verzoeken over de auto ingetrokken, zodat de rechtbank hierover niets meer hoeft te beslissen.
Ad 5. Het goud
De man stelt dat de vrouw het goud van partijen in beheer heeft. De man is van mening dat de vrouw hier inzicht in moet geven en dat het goud bij helfte verdeeld moet worden.
De vrouw betwist dat er sprake is van goud. Ze weet niet wat de man bedoelt. Zowel de man als de vrouw beschikken alleen over lijfsieraden.
De rechtbank is van oordeel dat de man, gelet op de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van te verdelen goud. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
Ad 6. De schuld bij de belastingdienst
De man stelt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de gezamenlijke schuld bij de belastingdienst over 2023 en 2024.
De vrouw geeft aan niet bekend te zijn met deze schulden. Zij vermoedt dat de schulden betrekking hebben op de onderneming van de man. In dat kader meent de vrouw dat alleen de man draagplichtig is voor de schulden.
De rechtbank is van oordeel dat de man, gelet op de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een schuld of schulden bij de belastingdienst. De man heeft hier geen stukken van overgelegd. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [datum] 2023 te [plaats 1] ;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een partneralimentatie van € 778,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
iedere partij behoudt zijn of haar eigen bank- en/of spaarrekening(en) met verrekening van de helft van het saldi op de peildatum;
de activa en passiva van de onderneming ‘ [bedrijfsnaam] ’ worden aan de man toegedeeld, zonder nadere verrekening;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding –uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 februari 2026.