Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5359

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
C/09/671282 / FA RK 24-5978
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming erkenning minderjarige en omgangsregeling met vader

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verkrijgen voor de erkenning van zijn minderjarige kind, aangezien de moeder geen toestemming gaf. De vader is de biologische verwekker, bevestigd door DNA-onderzoek met een waarschijnlijkheid van 99,9995%. De rechtbank weegt de belangen van de moeder, het kind en de vader af en concludeert dat erkenning geen schade veroorzaakt aan de belangen van moeder of kind. De bijzondere curator adviseert toewijzing van het verzoek.

Daarnaast is een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader het kind eenmaal per week op zondag en de helft van de schoolvakanties en feestdagen mag zien. De ouders worden verwezen naar een omgangsbegeleidingstraject om de omgang te bevorderen. De rechtbank legt vast dat de moeder de vader vier keer per jaar informeert over het welzijn van het kind.

De verzoeken met betrekking tot het gezag en de kinderalimentatie worden aangehouden en op een nader te bepalen zitting behandeld. De rechtbank beëindigt de werkzaamheden van de bijzondere curator in deze procedure en stelt rapportageverplichtingen aan de hulpverleningsinstantie en de Raad voor de Kinderbescherming in het kader van het omgangstraject.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor erkenning en stelt een omgangsregeling vast, terwijl beslissingen over gezag en kinderalimentatie worden aangehouden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-5978
Zaaknummer: C/09/671282
Datum beschikking: 12 februari 2026
Vervangende toestemming erkenning, gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie

Beschikking op het op 13 augustus 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. M.C. Carli-Lodder, nu mr. W.J. Vroegindeweij te Katwijk.

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats] ,

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. B.S. van Haeften,
advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 21 februari 2024 van de moeder;
  • het verslag van de bijzondere curator;
  • een F9-formulier van 31 oktober 2024 van de man;
  • een F9-formulier van 8 november 2024 van de moeder;
  • een F9-formulier van 14 oktober 2025, met bijlagen, van de man;
  • een brief van 14 oktober 2025, met bijlagen, van de moeder.
Op 27 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaat, de bijzondere curator en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
  • een F9-formulier van 17 november 2025 van de man;
  • een F9-formulier van 12 januari 2026, met bijlagen, van de man.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben niet met elkaar
samengeleefd.
  • [de minderjarige] is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 29 augustus 2024 is mr. Van Haeften
voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge
artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt ertoe:
  • een bijzondere curator over [de minderjarige] te benoemen;
  • hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW Pro te verlenen, zodat hij de minderjarige kan erkennen;
  • een omgangsregeling met [de minderjarige] vast te stellen van eenmaal per week op zondag van 10.00 uur tot 17.00 alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen, althans een regeling als de rechtbank juist acht;
  • te bepalen dat de man mede met de moeder met het gezag over [de minderjarige] wordt belast;
  • te bepalen dat de moeder de man vier keer per jaar informeert over het welzijn van [de minderjarige] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de vervangende toestemming erkenning en de informatieregeling. Voor het overige heeft de moeder verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Verder heeft de moeder zelfstandig verzocht een door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen van € 314,-- per maand, met ingang van 1 maart 2024, althans een bijdrage en ingangsdatum als de rechtbank juist acht.
De bijzondere curator adviseert het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW Pro bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat inmiddels vast dat de man de verwekker is van de minderjarige. Omdat de man na een uitlating van de moeder in de loop van deze procedure twijfel kreeg over zijn verwekkerschap, hebben partijen op de zitting afgesproken dat een DNA onderzoek zou worden gedaan. Na de zitting is door de man een rapport van DNA-onderzoek overgelegd, waaruit volgt dat de man met een waarschijnlijkheid van 99,9995% de biologische vader is van [de minderjarige] . De man heeft de rechtbank vervolgens laten weten dat hij zijn verzoeken daarom handhaaft.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De man stelt dat hij de vader is van [de minderjarige] en dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij wordt erkend zodat er een familierechtelijke betrekking tussen hen tot stand komt. De man is van mening dat een erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] niet zal schaden.
De moeder heeft geen bezwaar geuit tegen erkenning van [de minderjarige] door de man. zij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De bijzondere curator heeft geadviseerd het verzoek toe te wijzen, onder de voorwaarde dat vaststaat dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] .
De rechtbank wijst het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning toe. De moeder heeft geen bezwaren geuit tegen toewijzing van het verzoek. Gelet op het door de man overgelegde rapport van DNA-onderzoek, waaruit volgt dat de man met een waarschijnlijkheid van 99,9995% de biologische vader is van [de minderjarige] , is ook aan de door de bijzondere curator gestelde voorwaarde voor toewijzing van het verzoek voldaan. Niet is gebleken dat door erkenning van [de minderjarige] door de man de belangen van de moeder en/of [de minderjarige] geschaad worden. Bovendien acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] dat de juridische band met de man wordt vastgesteld.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Omgang
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject omgangsbegeleiding, De rechtbank zal de ouders en [de minderjarige] in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Het traject is bedoeld om [de minderjarige] en de vader aan elkaar te laten wennen en toe te werken naar een omgangsregeling waarbij [de minderjarige] bij zijn vader is eenmaal per week op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vraag te beantwoorden: welke omgangsregeling is in het belang van [de minderjarige]
.Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Informatieregeling
De vrouw stemt in met toewijzing van de door de man verzochte informatieregeling. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Gezag en kinderalimentatie
Op de zitting is besproken dat de verzoeken met betrekking tot het gezag en de kinderalimentatie op een nog nader te bepalen mondelinge behandeling zullen worden besproken. De rechtbank houdt een beslissing op die verzoeken evenals een beslissing met betrekking tot de proceskosten aan.

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1991 te [geboorteplaats] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1987 te [geboorteplaats] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
naam: [de man]
adres: [adres 1] ,
en
naam: [de moeder]
adres: [adres 2] ;
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg en de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders en daarvan, indien het traject niet positief is afgerond, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de omgangaan tot
1 juni 2026 pro forma.
*
bepaalt dat de behandeling van het verzoek met betrekking tot het gezag en de kinderalimentatie zal worden voortgezet op een nader te bepalen mondelinge behandeling;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag, de kinderalimentatie en de proceskostenaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2026.