Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Zuid-Afrikaanse nationaliteit dragende persoon, diende op 26 april 2024 een asielaanvraag in met als grond dat hij herhaaldelijk slachtoffer was van berovingen, mishandelingen en brandstichting door zwarte mannen in Zuid-Afrika. Hij stelde dat hij onvoldoende bescherming kon krijgen van de autoriteiten en dat terugkeer een reëel risico op ernstige schade inhoudt.
Verweerder wees de aanvraag op 19 juni 2025 af als ongegrond, stellende dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij geen bescherming kon inroepen van de Zuid-Afrikaanse autoriteiten. De rechtbank behandelde het beroep op 13 februari 2026 en concludeerde dat eiser slechts één keer aangifte had gedaan en onvoldoende inspanningen had verricht om bescherming te vragen, zoals het bezoeken van het politiebureau.
De rechtbank oordeelde dat de incidenten niet zwaarwegend genoeg waren om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Ook werd geoordeeld dat de beschuldiging van genocide door de Amerikaanse president tegen Zuid-Afrikaanse autoriteiten niet relevant was voor eiser, die niet tot de genoemde groep behoort. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.