ECLI:NL:RBDHA:2026:5301

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
NL25.22646
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens niet tijdig besluit vreemdelingenmachtiging

Verzoeker stelde op 24 mei 2024 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor meerdere personen. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en gaf de minister een termijn van acht weken om alsnog een besluit te nemen. Toen de minister ook na deze termijn niet had besloten, stelde verzoeker op 18 mei 2025 opnieuw beroep in tegen het niet tijdig beslissen.

Op 24 februari 2026 nam de minister alsnog een besluit op de aanvraag. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank oordeelde dat de minister door het alsnog nemen van het besluit aan verzoeker tegemoet was gekomen en dat het verzoek om proceskostenvergoeding kennelijk gegrond was.

De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van € 467 aan proceskosten, gebaseerd op een puntensysteem voor beroepsmatige rechtsbijstand met een lichte wegingsfactor. Daarnaast wees de rechtbank erop dat de minister verplicht is het griffierecht van € 194 te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter W.H. Bel op 12 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22646

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Verzoeker heeft op 24 mei 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
Bij uitspraak van 2 oktober 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van 24 mei 2024 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van acht weken een besluit op de aanvraag te nemen.
Op 18 mei 2025 heeft verzoeker opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.
Op 24 februari 2026 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank:
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 12 maart 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.