ECLI:NL:RBDHA:2026:5295

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/09/695630 / HA ZA 25-1085
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • C.J-A. Seinen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:750 BWArt. 7:752 BWArt. 30p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling resterend bedrag reparatie hakselmachine en toepasselijkheid Metaalunievoorwaarden

Eiseres heeft een hakselmachine van gedaagde gerepareerd en aanvankelijk een richtprijs van €30.000 exclusief btw genoemd. Na reparatie factureerde eiseres echter €68.526,91 inclusief btw. Gedaagde betaalde slechts €36.300,00, stellende dat een vaste prijs was afgesproken. Eiseres vordert betaling van het restant met rente en incassokosten.

De rechtbank kwalificeert de overeenkomst als een aannemingsovereenkomst en stelt vast dat partijen een richtprijs zijn overeengekomen, waarbij een overschrijding van maximaal 10% zonder nadere toestemming is toegestaan. Eiseres heeft niet tijdig en duidelijk gemeld dat de kosten hoger zouden uitvallen dan deze marge. De rechtbank wijst daarom slechts het bedrag toe tot €39.930 inclusief btw, minus reeds betaalde €36.300,00.

Verder oordeelt de rechtbank dat de Metaalunievoorwaarden van toepassing zijn, gelet op de langdurige zakelijke relatie en eerdere facturen waarop deze voorwaarden stonden vermeld. Op basis daarvan worden de contractuele rente van 12% en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Gedaagde wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het resterende factuurbedrag, contractuele rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/695630 / HA ZA 25-1085
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 10 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.te [plaats 1] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. P.S. Jonker,
tegen
[gedaagde] B.V.te [plaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. C.W. Simonis.
De zaak wordt behandeld door mr. C.J-A. Seinen, rechter, bijgestaan door mr. M.W.J. Sloots als griffier.
Aanwezig zijn:
- [naam 1] , bijgestaan door de advocaat voornoemd;
- [naam 2] , bijgestaan door de advocaat voornoemd.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
[eiseres] heeft een hakselmachine van [gedaagde] gerepareerd. Bij de schatting van de kosten van de reparatie heeft [eiseres] een bedrag van € 30.000,00 exclusief btw genoemd. Uiteindelijk heeft [eiseres] een factuur aan [gedaagde] verzonden voor een bedrag van € 68.526,91 inclusief btw. [gedaagde] meent dat een vaste prijs was afgesproken en heeft daarom € 36.300,00 betaald: € 30.000,00 vermeerderd met 21% btw. [eiseres] vordert nu betaling van de rest van het gefactureerde bedrag met rente en buitengerechtelijke kosten op basis van de Metaalunievoorwaarden. [gedaagde] betwist dat die voorwaarden van toepassing zijn.
1.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat partijen een richtprijs zijn overeengekomen en dat de Metaalunievoorwaarden op hun overeenkomst van toepassing zijn.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken.
- de dagvaarding van 2 december 2025, met producties 1 tot en met 9; en
- de conclusie van antwoord;
- de akte overleggen productie van de zijde van [eiseres] , met productie 10.
2.2.
De rechtbank heeft na een schorsing van de zitting onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan op de voet van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

3.De beoordeling

Hoofdsom
3.1.
Partijen – twee bedrijven – hebben afgesproken dat [eiseres] tegen betaling de hakselmachine van [gedaagde] zou repareren. Dit is een aannemingsovereenkomst in de zin van artikel 7:750 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW).
3.2.
Partijen zijn het er niet over eens welke afspraken zij precies hebben gemaakt over de prijs; de rechtbank moet die afspraken daarom eerst uitleggen.
3.3.
[eiseres] stelt dat zij onder voorbehoud een prijsindicatie van € 30.000,00 exclusief btw heeft afgegeven, voordat de machine was opengemaakt; toen de machine eenmaal open was, bleek er meer motorschade te zijn dan verwacht. [eiseres] herinnert zich dat zij dit telefonisch heeft gemeld en vindt dat [gedaagde] uit die mededeling had moeten begrijpen dat de reparatiekosten zouden oplopen.
[gedaagde] stelt dat [eiseres] had gezegd dat de reparatie “misschien wel € 30.000 ex btw” zou kosten; zij heeft dit begrepen als ‘hooguit € 30.000’ en herinnert zich dat aan de telefoon alleen is gesproken over de vraag of [gedaagde] verzekerd was voor ‘eigen gebrek’ en de onderdelen die [eiseres] had besteld die maar niet werden geleverd.
3.4.
De rechtbank komt tot het oordeel dat [eiseres] vooraf een realistische inschatting heeft willen geven; er is geen bandbreedte genoemd, maar een bedrag. De rechtbank begrijpt dit zo dat het genoemde bedrag een schatting aan de hoge kant was, maar dat niet was uitgesloten dat het bedrag uiteindelijk lager of toch hoger kon uitvallen als de machine openging. Dit valt onder de wettelijke definitie van een richtprijs, wat betekent dat de prijs op grond van artikel 7:752 lid 2 BW Pro maximaal 10% hoger mag uitvallen, zonder dat nader overleg nodig is.
3.5.
Als de aannemer méér dan die 10% in rekening wil brengen, moet hij dit tijdig aan de opdrachtgever melden, zodat die er nog voor kan kiezen de opdracht te beperken of te vereenvoudigen. Het is aan de aannemer om te stellen en zonodig te bewijzen dat hij die melding tijdig en voldoende duidelijk heeft gedaan. In deze zaak kan de rechtbank niet vaststellen dat [eiseres] die melding tijdig en voldoende duidelijk heeft gedaan: zij stelt dat zij dit telefonisch heeft gedaan, maar niet wanneer en wat zij precies heeft gezegd. Niet in geschil is dat [eiseres] aan [gedaagde] heeft gevraagd of zij verzekerd was, maar niet is gebleken dat is gezegd dat dat iets betekende voor de prijs van de reparatie. Uit het dossier is dit ook niet af te leiden.
3.6.
[eiseres] doet ook een beroep op kostprijsverhogende factoren, maar uit wat zij de rechtbank heeft verteld, is niet op te maken dat zij geconfronteerd werd met het duurder worden van kostprijsbepalende elementen die nodig waren om de overeengekomen dienst te leveren (zoals huur, materialen of loon). Daarom kan de rechtbank hierin niet meegaan.
3.7.
Dit betekent dat [eiseres] de richtprijs van € 30.000,00 exclusief btw + 10% in rekening mag brengen. Het gaat dan om ((€ 30.000,00 + € 3.000,00 =) € 33.000,00 + (21% btw over € 33.000,00 =) € 6.930,00 =) € 39.930,00 inclusief btw. Hiervan heeft [gedaagde] al € 36.300,00 voldaan, zodat nog € 3.630,00 resteert. Dit bedrag zal de rechtbank toewijzen, met de rente daarover vanaf de vervaldatum van de factuur (gevorderd is 28 september 2024, dit wijst de rechtbank toe).
Rente en buitengerechtelijke kosten
3.8.
De volgende vraag is welke rente en kosten de rechtbank moet toewijzen: die op grond van regelend recht of die op grond van de Metaalunievoorwaarden.
3.9.
[eiseres] stelt dat de Metaalunievoorwaarden van toepassing zijn. [gedaagde] zegt dat die nooit van toepassing zijn verklaard in een opdrachtbevestiging.
3.10.
Ook dit onderdeel van de afspraken tussen partijen moet de rechtbank dus eerst uitleggen om te kunnen bepalen waarop [eiseres] aanspraak kan maken. Daarbij geldt dat algemene voorwaarden (zoals de Metaalunievoorwaarden) door partijen moeten worden overeengekomen. Tussen bedrijven die vaak zaken met elkaar doen, ligt de lat daarvoor lager dan tussen een bedrijf en een consument. Tussen ondernemers zoals partijen is de vraag – kort gezegd – of [eiseres] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [eiseres] ermee instemde dat de Metaalunievoorwaarden op de afspraken van toepassing waren; daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang.
3.11.
De rechtbank constateert dat partijen sinds 2007 zaken met elkaar hebben gedaan, en dat [gedaagde] in het verleden al vaker facturen van [eiseres] had ontvangen waarop prominent stond dat de Metaalunievoorwaarden van toepassing waren op alle offertes van, opdrachten aan en overeenkomsten met [eiseres] ; achterop die facturen stonden de Metaalunievoorwaarden afgedrukt. [gedaagde] heeft die facturen zonder protest behouden en betaald. Daarom is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] erop mocht vertrouwen dat [gedaagde] de voorwaarden kende en instemde met de gelding ervan.
3.12.
De rechtbank zal daarom de rente en incassokosten toewijzen op basis van de versie van de Metaalunievoorwaarden die golden ten tijde van de opdracht eind 2023, conform de tekst zoals die blijkt uit de als producties overgelegde en aan [gedaagde] gezonden facturen. Die contractuele rente bedraagt 12%. Uit het gestelde blijkt verder dat [eiseres] kosten heeft gemaakt die rechtstreeks verband houden met een serieuze poging om nakoming van de overeenkomst tussen partijen te bewerkstelligen. De rechtbank wijst daarom ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toe tot een bedrag van ((15% over de eerste € 3.000,00 =) € 450,00 + (10% over € 630,00 =) € 63,00 =) € 513,00.
Proceskosten
3.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] betalen. De rechtbank gaat wat betreft het salaris van de advocaat van [eiseres] uit van het tarief dat geldt bij het toegewezen bedrag aan hoofdsom. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.024,00
(2 punten × € 512,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.330,35
3.14.
De over de proceskosten gevorderde rente zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing opgenomen.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling binnen 14 dagen na dit vonnis van een bedrag aan hoofdsom van € 3.630,00 aan [eiseres] , te vermeerderen met de contractuele rente van 12% per jaar vanaf 28 september 2024 tot aan de dag dat volledig is betaald;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling binnen 14 dagen na dit vonnis van een bedrag van € 513,00 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiseres] ;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiseres] van € 4.330,35 te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,00 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald;
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de rechter.