ECLI:NL:RBDHA:2026:529

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
09/388374-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gewelddadige woningoverval en afpersing in vereniging

Op 13 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een achttienjarige verdachte, die samen met anderen betrokken was bij een gewelddadige woningoverval en afpersing. De feiten vonden plaats in de nacht van 5 op 6 december 2024, waarbij de verdachte en zijn mededaders met bivakmutsen en vuurwapens de woning van een echtpaar binnendrongen. De slachtoffers werden bedreigd en gedwongen om waardevolle spullen, waaronder sieraden en een auto, af te geven. De verdachte heeft tijdens de rechtszitting zijn betrokkenheid bij de overval bekend. De rechtbank heeft, gezien de leeftijd van de verdachte en de omstandigheden van de zaak, besloten het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte is veroordeeld tot een jeugddetentie van 251 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, en een werkstraf van 180 uur. Daarnaast is de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schadevergoeding aan de benadeelde partij, die gezamenlijk € 15.492,- vorderden, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen, gezien de onderbouwing van de schade en de impact van de overval op de slachtoffers.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/388374-24
Datum uitspraak: 13 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [postcode] te [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 30 december 2025 (sluiting onderzoek).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R.B. Schiphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. N.B. Genemans naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd:
- (1) afpersing, in vereniging gepleegd, op 5 en/of 6 december 2024 in Den Haag;
- (2) diefstal met geweld en met braak, in vereniging en gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning gepleegd, op 5 en/of 6 december 2024 in
Den Haag.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen volstaan, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met onderzoeksnummer DH2R024106, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 739).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 december 2025;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 6 december 2024 (p. 10-14);
3. Het proces-verbaal van verhoor van aangever [aangever 2] , opgemaakt op 6 december 2024 (p. 15-18);
4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt op 6 december 2024 (p. 81-83).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte hoofdzakelijk aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. Eventuele verweren van de raadsman zullen, voor zover nodig, hierna worden besproken.
3.4.
Bewijsoverwegingen
In de nacht van 5 op 6 december 2024 heeft er een gewapende overval plaatsgevonden in een woning aan de [adres 2] in Den Haag. Bij die overval zijn er vier donker geklede personen met bivakmutsen en handschoenen binnengedrongen in de woning.
Zij hebben de twee bewoners van de woning onder schot gehouden en bedreigd met vuurwapens, zodat zij hun waardevolle spullen zouden afgeven. De daders hebben uiteindelijk sieraden, mobiele telefoons en autosleutels uit de woning meegenomen, waarna zij zijn gevlucht. Eén van de daders is er met een auto van de bewoners vandoor gegaan. Door een oplettende buurtbewoner was de politie die nacht snel ter plaatse. Eén van de daders – de verdachte – kon op heterdaad in de directe omgeving van de woning worden aangehouden. De andere daders zijn die nacht ontkomen.
De verdachte heeft van begin af aan bekend dat hij bij de woningoverval betrokken is geweest. Concreet heeft de verdachte verklaard dat hij met een steen een raam van de woning heeft ingegooid, waardoor de groep daders de woning kon binnendringen, en dat hij meerdere spullen heeft weggenomen terwijl de gewapende overval aan de gang was.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de ten laste gelegde afpersing in vereniging en diefstal in vereniging bewezen verklaren. De rechtbank zal daarbij, op grond van artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, uitgaan van een eendaadse samenloop van deze feiten, omdat de feiten uit een samenhangend en op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex bestaan. Daarnaast zal de rechtbank, zoals door de raadsman aangevoerd, bij de bewezenverklaring er rekening mee houden dat van een aantal ten laste gelegde goederen niet is gebleken dat deze zijn afgestaan of weggenomen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij
op6 december 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 2] en [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere autosleutels en meerdere sieraden en meerdere telefoons, die aan die [aangever 2] en [aangever 1] toebehoorden door
- met bivakmutsen en capuchons op wederrechtelijk de woning van die [aangever 2] en [aangever 1] binnen te dringen en
- [aangever 2] en [aangever 1] meerdere vuurwapens te tonen en deze vuurwapens op
hente richten en
- tegen [aangever 2] en [aangever 1] te zeggen: “We schieten niet als jullie meewerken en rustig blijven”
,althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en
- tegen [aangever 2] te schreeuwen dat hij de kluis moet openen;
2
hij
op6 december 2024 te 's-Gravenhage, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning aan de [adres 1] tezamen en in vereniging met anderen, een horloge en een autosleutel en een auto en meerdere sieraden, die aan [aangever 2] en [aangever 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
,welke diefstal werd voorafgegaan
envergezeld van bedreiging met geweld tegen [aangever 2] en [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door
- met bivakmutsen en capuchons op wederrechtelijk de woning van [aangever 2] en [aangever 1] binnen te dringen en
- [aangever 2] en [aangever 1] meerdere vuurwapens te tonen en deze vuurwapens op
hente richten en
- tegen [aangever 2] en [aangever 1] te zeggen: “We schieten niet als jullie meewerken en rustig blijven”
,althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en
- [aangever 2] te dwingen een kluis te openen,
waarbij de verdachten zich de toegang tot de woning hebben verschaft door middel van braak.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte – met toepassing van het jeugdstrafrecht – wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van dertien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (meldplicht, ambulante behandeling en dagbesteding).
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een veroordeling het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast en dat de duur van een eventuele onvoorwaardelijke jeugddetentie – al dan niet in combinatie met een werkstraf – hoogstens gelijk dient te zijn aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige woningoverval, waarbij diverse sieraden, telefoons, autosleutels, een horloge en een auto zijn weggenomen. De verdachte en zijn mededaders zijn rond middernacht met bivakmutsen op de woning van de slachtoffers binnengedrongen, hebben vuurwapens aan de slachtoffers getoond en hen daarmee onder schot gehouden. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige overvallen hier nog lange tijd geestelijk last van kunnen hebben. De overval is uitermate beangstigend geweest voor de slachtoffers, zoals ook blijkt uit de verklaring van de slachtoffers die ter terechtzitting door hun advocaat is voorgelezen. De slachtoffers hebben tijdens de overval doodsangsten uitgestaan en hebben er tot aan de dag van vandaag nog altijd last van. Dat de beroving in hun woning heeft plaatsgevonden – een plek waar men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen – maakt de impact des te groter. Naast persoonlijk leed voor de slachtoffers leidt dit soort delicten ook tot maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich kennelijk alleen door eigen materieel gewin en zijn behoefte om – zoals hij zelf heeft verklaard – stoer gevonden te worden, heeft laten leiden en volledig voorbij is gegaan aan de gevolgen van zijn daden voor de slachtoffers. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 november 2025 en constateert dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Wel is de verdachte op 27 februari 2025 onherroepelijk voor een ander strafbaar feit veroordeeld, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van meerdere reclasseringsadviezen over de verdachte, waarvan de meest recente op 28 november 2025 is uitgebracht. Daarin heeft de reclassering geadviseerd om bij een veroordeling van de verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen en een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling en dagbesteding. De reclassering acht toepassing van het jeugdstrafrecht in dit geval passend, omdat de verdachte nog volop sturing en begeleiding van zijn moeder krijgt, schoolgaand is, de gevolgen van zijn keuzes voorafgaand aan het plegen van de strafbare feiten niet geheel had overzien en door negatieve beïnvloeding van vrienden tot het plegen van de overval is bewogen.
De verdachte heeft zich vanaf de schorsing van de voorlopige hechtenis in februari 2025 goed aan de gestelde voorwaarden gehouden. Hij heeft zich meewerkend en gemotiveerd opgesteld om te werken aan gedragsverandering. Ook is de behandeling bij de Waag inmiddels gestart, welke goed verloopt. Verder heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij een bijbaan in de horeca heeft, dat hij een studie in de richting van jongerenwerk wil volgen en dat hij zijn begeleidingstraject wil voortzetten, omdat hij zich weerbaarder wil maken tegen negatieve beïnvloeding van zijn (oude) vriendenkring.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
De verdachte was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten net enkele dagen achttien jaar en dus meerderjarig. De rechtbank kan echter – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van achttien jaren maar nog niet die van drieëntwintig jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. Het jeugdstrafrecht is specifiek in het leven geroepen voor jongvolwassenen tussen de achttien en drieëntwintig jaar, omdat hun hersenfuncties nog niet zijn uitontwikkeld en zij dus (in beginsel) pedagogisch beïnvloedbaar zijn. In dit geval acht de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor over de persoon van de verdachte aan bod is gekomen, toepassing van het jeugdstrafrecht aangewezen. De rechtbank zal dan ook bij de strafbepaling het jeugdstrafrecht toepassen.
LOVS-oriëntatiepunten
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS). Daarin is (onder het jeugdstrafrecht) als uitgangspunt vermeld bij een woningoverval een jeugddetentie voor de duur van minimaal zes maanden. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat er sprake is geweest van medeplegen, dat de overval plaatsvond op een laat tijdstip, dat sprake was van relatief op leeftijd zijnde slachtoffers en dat er tijdens de overval vuurwapens zijn getoond en bivakmutsen zijn gedragen.
De op te leggen straf
De rechtbank acht, gelet op wat hiervoor is overwogen, in beginsel een jeugddetentie van dertien maanden, zoals geëist door de officier van justitie, passend. Dit zou echter betekenen dat de verdachte – na aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht – nog ruim negen maanden wordt gedetineerd. Daarin ziet de rechtbank een stevig risico voor het doorzetten van de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft ingezet, aangezien een aanzienlijke periode van detentie de huidige schoolgang en de voortgang van de noodzakelijke behandeling zal doorkruizen. Met die doorkruizing wordt de kans vergroot dat de verdachte wederom op het criminele pad zal belanden en uiteindelijk de maatschappij meer schade zal aandoen. Al met al vormt deze omstandigheid voor de rechtbank reden om af te zien van een straf die op dit moment verdere vrijheidsbeneming van de verdachte met zich brengt. Wel zal de rechtbank een forse voorwaardelijke jeugddetentie en een stevige werkstraf opleggen aan de verdachte om recht te doen aan de ernst van de feiten.
Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie van 251 dagen, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en daarnaast een werkstraf van 180 uur passend en geboden. Effectief komt deze straf erop neer dat de verdachte een werkstraf van 180 uur zal moeten uitvoeren en dat hem twee jaar lang een jeugddetentie van een half jaar boven het hoofd zal hangen. De rechtbank acht een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank kiest hierbij voor een proeftijd van twee jaar, omdat sprake is van een jeugdige verdachte die naar het oordeel van de rechtbank bij langdurige begeleiding gebaat is.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 2] en [aangever 1] hebben zich als echtpaar tezamen als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vorderen gezamenlijk dat de verdachte hoofdelijk wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van € 15.492,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 9.759,- aan materiële schade en € 5.733,- aan immateriële schade. Daarnaast is verzocht om een vergoeding van de proceskosten ter hoogte van € 812,-.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en daarom geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer op de vordering gevoerd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank overweegt daartoe dat de waardes van de sieraden voldoende inzichtelijk zijn gemaakt door (kopieën van de) originele facturen en de berichtgeving van de verzekeraar. De vordering is inhoudelijk ook niet door de verdediging betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Het echtpaar is door een groep gemaskerde mannen in hun woning overvallen en daarbij met vuurwapens onder schot gehouden. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor het echtpaar zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank recht op smartengeld op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade volledig toewijzen.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 15.492,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2024. Dit bedrag bestaat uit € 9.759,- aan materiële schade en € 5.733,- aan immateriële schade.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
De rechtbank begroot deze kosten op basis van het ‘Liquidatietarief rechtbank en gerechtshoven’ op € 812,- (gebaseerd op twee punten kanton ad € 406,00). Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. De rechtbank ziet geen aanleiding om ter zake van de proceskosten van hoofdelijke aansprakelijkheid af te zien, zoals door de advocaat van de benadeelde partij is verzocht. Voorts geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 15.492,-, bestaande uit € 9.759,- aan materiële schade en € 5.733,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 december 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] en [aangever 1] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 55, 63, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 en feit 2:
de eendaadse samenloop van
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,
en
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
251 (TWEEHONDERDEENENVIJFTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 71 (eenenzeventig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
180 (honderdtachtig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Meldplicht
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, aan het adres Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH te Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
Ambulante behandeling
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke zorginstelling te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
Dagbesteding
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
180 (HONDERDTACHTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast voor de tijd van
90 (NEGENTIG) DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 15.492,-, bestaande uit € 9.759,- aan materiële schade en € 5.733,- aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 december 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2] en [aangever 1] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, thans begroot op € 812,-, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 15.492,-, bestaande uit € 9.759,- aan materiële schade en € 5.733,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 december 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] en [aangever 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 107 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.C. Goilo-Kam, voorzitter,
mr. E. van Die, kinderrechter,
mr. S. van der Harg, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 januari 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode van 5 december 2024 tot en met 6 december 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 2] en/of [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van
- een of meerdere horloges en/of
- een of meerdere autosleutels en/of
- een of meerdere auto’s en/of
- een of meerdere sieraden en/of
- een of meerdere telefoons en/of
- geld en/of
- een kluis,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 2] en/of [aangever 1] en/of een derde toebehoorde(n) door
- met bivakmuts(en) en/of capuchon(s) op wederrechtelijk de woning van die [aangever 2] en/of [aangever 1] binnen te dringen en/of
- [aangever 2] en/of [aangever 1] één of meerdere vuurwapens te tonen en/of deze vuurwapens op hun te richten en/of
- tegen [aangever 2] en/of [aangever 1] te zeggen: “We schieten niet als jullie meewerken en rustig blijven,” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- tegen [aangever 2] te schreeuwen dat hij de kluis moet openen;
2
hij in of omstreeks de periode van 5 december 2024 tot en met 6 december 2024 te 's-Gravenhage omstreeks 00:45, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning aan de [adres 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
- een of meerdere horloges en/of
- een of meerdere autosleutels en/of
- een of meerdere auto’s en/of
- een of meerdere sieraden en/of
- een of meerdere telefoons en/of
- geld en/of
- een kluis,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] en/of [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 2] en/of [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met bivakmuts(en) en/of capuchon(s) op wederrechtelijk de woning van [aangever 2] en/of [aangever 1] binnen te dringen en/of
- [aangever 2] en/of [aangever 1] één of meerdere vuurwapens te tonen en/of deze vuurwapens op hun te richten en/of
- tegen [aangever 2] en/of [aangever 1] te zeggen: “We schieten niet als jullie meewerken en rustig blijven,” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- [aangever 2] en/of [aangever 1] te dwingen een kluis te openen,
waarbij de verdachte(n) zich de toegang tot de woning heeft/hebben verschaft door middel van braak.