ECLI:NL:RBDHA:2026:5282
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing proceskostenvergoeding wegens vertraagde beslissing verblijfsvergunning
Verzoeker diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 8 december 2025 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De minister gaf aan bereid te zijn de proceskosten te vergoeden. De rechtbank vond het niet nodig partijen te horen en oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep, waardoor proceskostenvergoeding toewijsbaar was.
De rechtbank hanteerde een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak en kende een bedrag van €467 toe, gebaseerd op het Besluit Proceskosten bestuursrecht. Er waren geen overige kosten die vergoed konden worden.
De uitspraak werd gedaan door rechter A. Skerka en griffier M.H.G.P. Tober op 12 maart 2026.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten wegens vertraagde besluitvorming.