ECLI:NL:RBDHA:2026:5280
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing proceskostenvergoeding wegens vertraagde besluitvorming machtiging voorlopig verblijf
Verzoeker diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 24 december 2025 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep door alsnog te beslissen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit Proceskosten bestuursrecht werd het verzoek tot proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen.
De rechtbank hanteerde een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak en kende een vergoeding toe van €467,-, inclusief het griffierecht. Er waren geen overige kosten die vergoed konden worden.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 12 maart 2026 in Utrecht.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €467,- aan proceskosten wegens vertraagde besluitvorming.