ECLI:NL:RBDHA:2026:5270
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit
De minister heeft op 6 mei 2025 een beslissing genomen op de aanvraag van verzoeker. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij de minister. Tijdens de bezwaarprocedure heeft verzoeker op 12 mei 2025 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter. Op 22 januari 2026 heeft de minister een beslissing genomen op het bezwaar van verzoeker. Verzoeker heeft echter geen beroep ingesteld tegen deze beslissing.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om voorlopige voorziening alleen ontvankelijk is indien het connexiteitsvereiste is vervuld, wat inhoudt dat er beroep moet zijn ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Omdat verzoeker geen beroep heeft ingesteld, is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om het verzoek inhoudelijk te behandelen of een proceskostenvergoeding toe te kennen.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit met een beroep tegen de beslissing op bezwaar.