De rechtbank Den Haag heeft op 13 maart 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een verzoek om proceskostenvergoeding. Verzoeker had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. Nadat de minister op 29 december 2025 alsnog een besluit nam, trok verzoeker zijn beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat niet aan de voorwaarden voor beroep tegen niet tijdig beslissen was voldaan. Hoewel de minister tegemoet was gekomen aan het verzoek door alsnog een besluit te nemen, was er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift was niet ingediend door een derde met beroepsmatige rechtsbijstand en er waren geen proceskosten aangetoond die voor vergoeding in aanmerking kwamen.
De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond af, maar bepaalde dat de minister het betaalde griffierecht van €194 aan verzoeker moet vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier A.W. Landman zonder zitting. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.