ECLI:NL:RBDHA:2026:526

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
09/031507-25, 09/366321-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor afpersing in vereniging en diefstal met geweld in vereniging

Op 13 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing in vereniging en diefstal met geweld in vereniging. De verdachte, geboren in 2004, werd beschuldigd van twee gewelddadige berovingen, waaronder een woningoverval in Den Haag op 5 en/of 6 december 2024, waarbij waardevolle spullen zoals sieraden, telefoons, bankpassen, geld, (auto)sleutels en een auto zijn weggenomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, samen met anderen, betrokken was bij deze overvallen, waarbij geweld werd gebruikt en de slachtoffers ernstig werden geïntimideerd. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft ook een schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde partijen, die gezamenlijk € 15.492,- vorderden, bestaande uit materiële en immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding volledig toegewezen, evenals de proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank, bestaande uit drie rechters, en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/031507-25 en 09/366321-24 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 13 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 mei 2025, 10 juli 2025 en 25 september 2025 (alle pro forma), 18 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 30 december 2025 (sluiting onderzoek).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R.B. Schiphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. G.J. van der Meer naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd:
onder parketnummer 09/031507-25 (hierna: dagvaarding I)
- (1) afpersing, in vereniging gepleegd, op 5 en/of 6 december 2024 in Den Haag;
- (2) diefstal met geweld en met braak, in vereniging en gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning gepleegd, op 5 en/of 6 december 2024 in
Den Haag;
onder parketnummer 09/366321-24 (hierna: dagvaarding II)
- diefstal met geweld, in vereniging gepleegd, op 12 september 2024 in Rijswijk.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I en II tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I en II tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Dagvaarding I
Inleiding
In de nacht van 5 op 6 december 2024 heeft er een gewapende overval plaatsgevonden in een woning aan de [adres 2] in Den Haag. Bij die overval zijn er vier donker geklede personen met bivakmutsen en handschoenen binnengedrongen in de woning.
Zij hebben de twee bewoners van de woning onder schot gehouden en bedreigd met vuurwapens, zodat zij hun waardevolle spullen zouden afgeven. De daders hebben uiteindelijk sieraden, mobiele telefoons en autosleutels uit de woning meegenomen, waarna zij zijn gevlucht. Eén van de daders is er met een auto van de bewoners vandoor gegaan. Door een oplettende buurtbewoner was de politie die nacht snel ter plaatse. Eén van de daders (medeverdachte [medeverdachte 1] ) kon – in de directe omgeving van de woning – op heterdaad worden aangehouden. De andere daders zijn die nacht ontkomen. Na onderzoek door de politie zijn er uiteindelijk vijf personen als verdachten van de woningoverval aangemerkt, waaronder de verdachte. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of hij één van de daders van de overval is geweest.
Betrokkenheid verdachte
De rechtbank is van oordeel dat aan de hand van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de verdachte één van de daders van de overval is geweest en overweegt hiertoe als volgt.
Ten eerste wijzen meerdere tapgesprekken op de betrokkenheid van de verdachte bij de overval. Medeverdachte [medeverdachte 1] spreekt via de telefoon meermaals met anderen over de nacht van de woningoverval en hierbij wordt benoemd dat iemand met de (bij)naam “ [bijnaam] ” onder een trampoline zou hebben gelegen na het plegen van de overval, dat die persoon medeverdachte [medeverdachte 1] van de politie zou hebben zien wegrennen en dat hij naderhand in een kelderbox verbleef met de wetenschap dat medeverdachte [medeverdachte 1] door de politie was opgepakt. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat zijn bijnaam “ [bijnaam] ” is.
De politie heeft, aan de hand van de vermoedelijke vluchtroute van de daders, in kaart gebracht dat het aannemelijk is dat de verdachte zich kort na de overval onder een trampoline in de buurt schuil heeft gehouden en vanuit deze positie de vluchtende mededaders heeft kunnen zien.
Daarnaast heeft medeverdachte [medeverdachte 2] in telefoongesprekken met de verdachte een rap voor de verdachte geschreven en voorgedragen, waarin het gaat over “ [bijnaam] ” die na een achtervolging de politie was ontvlucht. Verder zegt [medeverdachte 2] tegen de verdachte dat de politie een foto van de verdachte aan hem liet zien en van de “andere drie pirri’s”. De rechtbank gaat er hierbij van uit dat met pirri’s ‘piraten/daders’ wordt bedoeld.
Al deze omstandigheden passen in het scenario dat de verdachte één van de vier daders van de woningoverval is geweest en in eerste instantie aan de politie heeft weten te ontkomen.
Ten tweede heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat hij en de mededaders de woning zijn binnengekomen door met een steen een raam van de woning in te gooien. Aansluitend hierop heeft een verbalisant geconstateerd dat een raam bij de woning verbroken was en dat bij dit raam een steen lag. Deze steen is door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) op de aanwezigheid van DNA-materiaal onderzocht. Het NFI heeft geconcludeerd dat het op steen aangetroffen DNA-mengprofiel van minimaal twee personen afkomstig is. De match van het DNA-profiel op de steen met het DNA-profiel van verdachte is meer dan één miljard keer waarschijnlijker als het DNA van verdachte afkomstig is dan van een willekeurig ander persoon. De match van het DNA-profiel op de steen met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte 1] is meer dan vijftien miljoen keer waarschijnlijker als het DNA van medeverdachte afkomstig is dan van een willekeurig ander persoon.
Hieruit concludeert de rechtbank dat het DNA van verdachte en het DNA van medeverdachte [medeverdachte 1] daadwerkelijk op de steen – die gebruikt is bij het binnengaan van de woning – is aangetroffen. Gelet op alle omstandigheden merkt de rechtbank het op de steen aangetroffen DNA aan als een daderspoor dat aan verdachte is gekoppeld.
De verdediging heeft over dit DNA-spoor aangevoerd dat dit indirect op de steen terecht kan zijn gekomen, doordat de verdachte in de periode (kort) voor de overval vaker bij medeverdachte [medeverdachte 1] in de auto heeft gezeten en dat bij deze momenten de verdachte – door bijvoorbeeld te niezen of een bloedneus te hebben – DNA kan hebben achtergelaten op handschoenen die zich in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] bevonden en tijdens de overval zijn gebruikt. De rechtbank acht dit alternatieve scenario echter onaannemelijk, omdat de verdachte hierover steeds wisselend en niet concreet heeft verklaard.
Concluderend ziet de rechtbank in het DNA-spoor en de tapgesprekken een geheel aan aanwijzingen die elkaar ondersteunen en leidt zij hieruit af dat de verdachte één van de daders is geweest die bij de overval ter plaatse waren. De rechtbank ziet zich gesterkt in deze conclusie nu de verdachte enkele uren voor de woningoverval samen met medeverdachten in een jeugdhonk was en hij bewust vaag heeft gesproken over waar hij vervolgens naar toe is gegaan.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd, omdat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de mededaders die bij de woningoverval aanwezig waren. Uit de verklaringen van de aangevers blijkt namelijk dat de daders – waaronder de verdachte – als groep samenwerkten om, al dan niet met behulp van geweld, goederen uit de woning weg te nemen.
Voorwaardelijk verzoek verdediging
De raadsman heeft de rechtbank ter terechtzitting verzocht om nader deskundigenonderzoek naar (onder andere) het op de steen aangetroffen DNA-spoor te laten verrichten, indien de rechtbank dit als redengevend bewijsmiddel voor een veroordeling hanteert. De rechtbank wijst dit (voorwaardelijke) verzoek af. De raadsman heeft reeds in een eerder stadium eenzelfde verzoek bij de rechter-commissaris ingediend en dit verzoek is toen door de rechter-commissaris afgewezen. Hierbij heeft de rechter-commissaris uitvoerig gemotiveerd dat reeds op verzoek van de raadsman nader onderzoek naar de DNA-sporen is verricht, dat het door de verdediging geopperde alternatieve scenario onvoldoende concreet is om effectief te kunnen onderzoeken en dat eventueel onderzoek niet meer duidelijkheid zal verschaffen over de mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de overval. De rechtbank is van oordeel dat ter terechtzitting geen (nieuwe) feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere afweging en besluit leiden.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de bij dagvaarding I ten laste gelegde afpersing in vereniging en diefstal in vereniging bewezen verklaren. De rechtbank zal daarbij, op grond van artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, uitgaan van een eendaadse samenloop van deze feiten, omdat de feiten uit een samenhangend en op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex bestaan.
Dagvaarding II
Inleiding
Op 12 september 2024 heeft er een beroving plaatsgevonden op een parkeerplaats te Rijswijk. Een auto met daarin de aangevers stond op de parkeerplaats geparkeerd, toen meerdere onbekende mannen hen met geweld bedreigden en opdroegen om waardevolle voorwerpen af te staan. De daders hebben (onder andere) een tas, bankpassen, sleutels en een contant geldbedrag van hen weggenomen. Daarnaast is er geweld gebruikt: beide aangevers hebben op enig moment een vuistslag in het gezicht gekregen. De verdachte wordt op grond van nader politieonderzoek verweten één van de daders van deze beroving te zijn.
Betrokkenheid verdachte
De rechtbank leidt uit het strafdossier af dat de verdachte één van de daders van de beroving is geweest en overweegt hiertoe als volgt.
Na de beroving is DNA-onderzoek aan de auto en de kledingzakken van één van de aangevers verricht. Het NFI heeft geconcludeerd dat op de auto een DNA-mengprofiel van minimaal één persoon is aangetroffen en dat de match tussen het DNA-mengprofiel en het DNA-profiel van de verdachte meer dan één miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA (onder andere) van de verdachte afkomstig is dan van een willekeurig ander persoon. Bij het onderzoek aan de kledingzakken zijn twee DNA-mengprofielen aangetroffen: één DNA-mengprofiel van minimaal drie of vier personen, waarbij de match met de verdachte meer dan anderhalf miljoen keer waarschijnlijker is wanneer het DNA (onder andere) van de verdachte afkomstig is dan van een willekeurig ander persoon, en één DNA-mengprofiel van minimaal drie of vier personen, waarbij de match met de verdachte meer dan één miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA (onder andere) van de verdachte afkomstig is dan van een willekeurig ander persoon. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de plekken waar het DNA is aangetroffen en in samenhang met de verklaring van de aangever [aangever 1] dat een van de daders de zakken in zijn kleding heeft doorzocht, in deze DNA-sporen dadersporen en concludeert dat het DNA daadwerkelijk van verdachte afkomstig is, waardoor die dadersporen aan de verdachte kunnen worden gekoppeld.
De verdediging heeft bepleit dat het DNA van de verdachte mogelijk op de auto terecht is gekomen doordat de verdachte vaak op straat rondhangt en hierdoor op een eerder moment fysiek contact met de auto zou kunnen hebben gemaakt. Het DNA van de verdachte zou vervolgens indirect op de kleding van de aangever terecht kunnen zijn gekomen. De rechtbank schuift dit alternatieve scenario als ongeloofwaardig terzijde. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de DNA-profielen worden gezien als dadersporen die volledig passen in de verklaring van aangever [aangever 1] . De enkele suggestie dat de verdachte mogelijk op een eerder moment – waar en hoe wordt niet duidelijk – de auto zou hebben aangeraakt, maakt die conclusie niet anders.
De rechtbank acht op grond van de aangetroffen DNA-sporen en de verklaring van de aangever, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte één van de daders van de beroving is geweest.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd, omdat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de mededaders ten tijde van de beroving. Uit de verklaringen van de aangevers blijkt dat er meerdere personen bij de beroving betrokken waren die als groep te werk zijn gegaan om, al dan niet met behulp van geweld, goederen te ontvreemden.
Conclusie
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de bij dagvaarding II ten laste gelegde diefstal in vereniging bewezen verklaren.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
dagvaarding I
1
hij
op6 december 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 2] en [aangever 3] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere autosleutels en meerdere sieraden en meerdere telefoons, die aan die [aangever 2] en [aangever 3] toebehoorden door
- met bivakmutsen en capuchons op wederrechtelijk de woning van die [aangever 2] en [aangever 3] binnen te dringen en
- [aangever 2] en [aangever 3] meerdere vuurwapens te tonen en deze vuurwapens op
hente richten en
- tegen [aangever 2] en [aangever 3] te zeggen: “We schieten niet als jullie meewerken en rustig blijven”
,althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en
- tegen [aangever 2] te schreeuwen dat hij de kluis moet openen;
2
hij
op6 december 2024 te ’s-Gravenhage, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning aan de [adres 2] tezamen en in vereniging met anderen, een horloge en een autosleutel en een auto, die aan [aangever 2] en [aangever 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
,welke diefstal werd voorafgegaan
envergezeld van bedreiging met geweld tegen [aangever 2] en [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door
- met bivakmutsen en capuchons op wederrechtelijk de woning van [aangever 2] en [aangever 3] binnen te dringen en
- [aangever 2] en [aangever 3] meerdere vuurwapens te tonen en deze vuurwapens op
hente richten en
- tegen [aangever 2] en [aangever 3] te zeggen: “We schieten niet als jullie meewerken en rustig blijven”
,althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en
- [aangever 2] te dwingen een kluis te openen,
waarbij de verdachten zich de toegang tot de woning hebben verschaft door middel van braak;
dagvaarding II
hij op 12 september 2024 te Rijswijk tezamen en in vereniging met anderen een tas
,bankpassen
,telefoons
,sleutels en een contant geldbedrag, in elk geval enig goed, die aan [aangever 1] of [aangever 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
envergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en [aangever 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door
- de autodeur
envan die [aangever 1] en [aangever 4] open te trekken, en
- met de vuist tegen het gezicht van die [aangever 4] en [aangever 1] te stompen, en
- terwijl hij een schroevendraaier vast heeft tegen die [aangever 4] en [aangever 1] te zeggen dat zij geprikt gaan worden en dood zullen gaan, dat zij hun handen op het stuur moeten leggen en dat zij in hun nek gestoken worden als ze niet luisteren, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en
- de jaszakken en broekzakken van die [aangever 4] en [aangever 1] te doorzoeken, en
- de telefoon uit de handen van die [aangever 4] te pakken.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt over een eventueel op te leggen straf ingenomen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een tweetal gewelddadige berovingen, waaronder een woningoverval, waarbij onder andere sieraden, telefoons, bankpassen, geld, (auto)sleutels en een auto zijn weggenomen. De verdachte en zijn (verschillende) mededaders zijn in twee gevallen rond middernacht op rooftocht gegaan en hebben hierbij in beide gevallen de slachtoffers ernstig geïntimideerd: er is met geweld gedreigd, bij de woningoverval zijn de slachtoffers onder schot gehouden en bij de andere beroving zijn de twee slachtoffers daadwerkelijk in hun gezicht geslagen. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige berovingen hier nog lange tijd zowel fysiek als geestelijk last van kunnen hebben.
In het bijzonder de woningoverval is, zoals blijkt uit de verklaring van de slachtoffers die ter terechtzitting door hun advocaat is voorgelezen, uitermate beangstigend voor de slachtoffers geweest. De slachtoffers hebben tijdens de overval doodsangsten uitgestaan en hebben er tot aan de dag van vandaag nog altijd last van. Dat de beroving in hun woning heeft plaatsgevonden – een plek waar men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen – maakt de impact des te groter.
Naast persoonlijk leed voor de slachtoffers leidt dit soort delicten ook tot maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich kennelijk alleen door eigen materieel gewin heeft laten leiden en volledig voorbij is gegaan aan de gevolgen van zijn daden voor de slachtoffers. Het baart de rechtbank zorgen dat de verdachte reeds op zo’n jonge leeftijd met ogenschijnlijk gemak overgaat tot het plegen van delicten van deze aard en omvang. Hij schuwt daarbij het gebruik van geweld of dreiging met vuurwapens niet en lijkt de ernst en de gevolgen van zijn daden niet in te zien. De verdachte heeft verder geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 november 2025 en constateert dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Wel is aan de verdachte op 3 december 2024 een onherroepelijke strafbeschikking opgelegd, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van meerdere reclasseringsadviezen over de verdachte, waarvan de meest recente op 30 juni 2025 is uitgebracht. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling van de verdachte het volwassenenstrafrecht toe te passen en om aan een eventuele straf bijzondere voorwaarden te koppelen. De kans op herhaling en het risico op letsel en het onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als gemiddeld. De reclassering rapporteert dat er aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van een (licht) verstandelijke beperking en adviseert dit nader te onderzoeken. De verdachte lijkt nauwelijks in staat zijn eigen gedrag (praktische zaken) te organiseren en leunt daarbij volledig op zijn moeder en zus. De verdachte heeft geen startkwalificatie voor de arbeidsmarkt en geen structurele dagbesteding. De contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht zijn met name gelegen in de justitiële voorgeschiedenis van de verdachte, het mislukken van eerdere sancties (moeizaam verloop toezicht), de vraag of hij zich in een crimineel milieu bevindt en het niet onder de indruk lijken te zijn van justitiële autoriteiten.
Verder is ter terechtzitting gebleken dat de verdachte inmiddels op zoek is naar zinvolle dagbesteding. De verdachte zegt hierbij door de gemeente te worden begeleid.
LOVS-oriëntatiepunten
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld bij een woningoverval, waarbij er sprake is van beperkt letsel dan wel bedreiging, een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Voor een straatroof geldt een gevangenisstraf van zes maanden als uitgangspunt. In dit geval acht de rechtbank strafverzwarend dat er sprake is geweest van medeplegen, dat de overvallen hebben plaatsgevonden op een laat tijdstip, dat er (vuur)wapens zijn getoond en dat bij de woningoverval sprake was van relatief op leeftijd zijnde slachtoffers en door de verdachte en zijn mededaders bivakmutsen zijn gedragen. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank tot op zekere hoogte de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf. De rechtbank weegt in dit geval echter ook de jeugdige leeftijd (en de implicaties daarvan) van de verdachte zwaar mee. Het jeugdstrafrecht is weliswaar niet van toepassing op de verdachte, maar desalniettemin komen uit de diverse reclasseringsrapporten indicaties en (leef)omstandigheden naar voren die maken dat de rechtbank dit in strafverminderende zin laat meewegen bij het opleggen van een straf. Zo wordt onder meer getwijfeld aan de verstandelijke vermogens van de verdachte, blijkt hij niet in staat te zijn zijn leven zelfstandig te organiseren, is hij thuiswonend en heeft hij geen startkwalificatie voor de arbeidsmarkt.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles overwegende acht de rechtbank het passend en geboden om aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht, op te leggen. Aangezien deze gevangenisstraf een duur van vier jaren overstijgt, is er wettelijk geen mogelijkheid om een deel van de straf voorwaardelijk (met eventueel daaraan verbonden bijzondere voorwaarden) aan de verdachte op te leggen.
Tenuitvoerlegging van die gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 2] en [aangever 2] hebben zich ter zake van het onder dagvaarding I tenlastegelegde, als echtpaar tezamen als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vorderen gezamenlijk dat de verdachte hoofdelijk een schadevergoeding van € 15.492,-, te vermeerderen met de wettelijke rente wordt opgelegd. Dit bedrag bestaat uit
€ 9.759,- aan materiële schade en € 5.733,- aan immateriële schade. Daarnaast is verzocht om een vergoeding van de proceskosten ter hoogte van € 812,-.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en daarom geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken en dat in dat geval de vordering niet voor toewijzing vatbaar is.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank overweegt daartoe dat de waarde van de sieraden voldoende inzichtelijk zijn gemaakt door (kopieën van de) originele facturen en de berichtgeving van de verzekeraar. De vordering is inhoudelijk ook niet door de verdediging betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding I horende bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Het echtpaar is door een groep vermomde mannen in hun woning overvallen en daarbij met vuurwapens onder schot gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de aard en de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat voor de benadeelde partij kan worden aangenomen dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Dit kan aan de verdachte worden toegerekend.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade volledig toewijzen.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 15.492,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2024. Dit bedrag bestaat uit € 9.759,- aan materiële schade en € 5.733,- aan immateriële schade.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op basis van het ‘Liquidatietarief rechtbank en gerechtshoven’ op € 812,- (gebaseerd op twee punten kanton ad € 406,00). Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. De rechtbank ziet geen aanleiding om ter zake van de proceskosten van hoofdelijke aansprakelijkheid af te zien, zoals door de advocaat van de benadeelde partij is verzocht. Voorts geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 15.492,-, bestaande uit € 9.759,- aan materiële schade en € 5.733,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 december 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] en [aangever 2] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 55, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 en feit 2:
de eendaadse samenloop van
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,
en
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
ten aanzien van dagvaarding II:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
VIER (4) JAREN en ZES (6) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 343 (driehonderddrieënveertig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 15.492,-, bestaande uit € 9.759,- aan materiële schade en € 5.733,- aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 december 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2] en [aangever 2] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, thans begroot op € 812,-, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 15.492,-, bestaande uit € 9.759,- aan materiële schade en € 5.733,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 december 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] en [aangever 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 107 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. van der Harg, kinderrechter, voorzitter,
mr. E. van Die, kinderrechter,
mr. N.F.R. de Rooij, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 januari 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
dagvaarding I
1
hij in of omstreeks de periode van 5 december 2024 tot en met 6 december 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft gedwongen tot de afgifte van
- een of meerdere horloges en/of
- een of meerdere autosleutels en/of
- een of meerdere auto’s en/of
- een of meerdere sieraden en/of
- een of meerdere telefoons en/of
- geld en/of
- een kluis,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of een derde toebehoorde(n) door
- met bivakmuts(en) en/of capuchon(s) op wederrechtelijk de woning van die [aangever 2] en/of [aangever 3] binnen te dringen en/of
- [aangever 2] en/of [aangever 3] één of meerdere vuurwapens te tonen en/of deze vuurwapens op hun te richten en/of
- tegen [aangever 2] en/of [aangever 3] te zeggen: “We schieten niet als jullie meewerken en rustig blijven,” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- tegen [aangever 2] te schreeuwen dat hij de kluis moet openen;
2
hij in of omstreeks de periode van 5 december 2024 tot en met 6 december 2024 te 's-Gravenhage omstreeks 00:45, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning aan de [adres 2] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
- een of meerdere horloges en/of
- een of meerdere autosleutels en/of
- een of meerdere auto’s en/of
- een of meerdere sieraden en/of
- een of meerdere telefoons en/of
- geld en/of
- een kluis,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 2] en/of [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met bivakmuts(en) en/of capuchon(s) op wederrechtelijk de woning van [aangever 2] en/of [aangever 3] binnen te dringen en/of
- [aangever 2] en/of [aangever 3] één of meerdere vuurwapens te tonen en/of deze vuurwapens op hun te richten en/of
- tegen [aangever 2] en/of [aangever 3] te zeggen: “We schieten niet als jullie meewerken en rustig blijven,” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- [aangever 2] en/of [aangever 3] te dwingen een kluis te openen,
waarbij de verdachte(n) zich de toegang tot de woning heeft/hebben verschaft door middel van braak;
dagvaarding II
hij op of omstreeks 12 september 2024 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere tassen en/of bankpassen en/of telefoons en/of sleutels en/of een contant geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en/of [aangever 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- de autodeur van die [aangever 1] en/of [aangever 4] open te trekken, en/of
- (met de vuist) tegen het gezicht, althans het lichaam van die [aangever 4] en/of [aangever 1] te slaan/stompen, en/of
- (terwijl hij een schroevendraaier vast heeft) tegen die [aangever 4] en/of [aangever 1] te zeggen dat zij geprikt gaan worden en dood zullen gaan, en/of dat zij hun handen op het stuur moeten leggen en dat zij in hun nek gestoken worden als ze niet luisteren, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- (in) de jaszakken en/of broekzakken van die [aangever 4] en/of [aangever 1] te doorzoeken, althans te voelen, en/of
- de telefoon uit de handen van die [aangever 4] en/of [aangever 1] te pakken.