ECLI:NL:RBDHA:2026:5212

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
NL24.4143
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 3 Rva 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor behoud opvang en uitstel van vertrek minderjarige vreemdeling

Verzoekster, een minderjarige vreemdeling met sikkelcelziekte, had een verzoek om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ingediend, dat op 31 januari 2024 werd afgewezen. Tijdens de bezwaarprocedure werd haar opvang door het COa per 12 maart 2026 stopgezet, waarna zij dreigde te worden overgeplaatst naar een vrijheidsbeperkende locatie.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van onverwijlde spoed en een spoedeisend belang bij toewijzing van de voorlopige voorziening. De minister verzette zich niet tegen het rechtmatig verblijf van verzoekster gedurende de bezwaarprocedure, maar wel tegen het voortzetten van de opvang.

Na belangenafweging, waarbij het minderjarig zijn van verzoekster, haar medische situatie, het BMA-advies en het ontbreken van concrete tegenbelangen van de minister werden meegewogen, besloot de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen. Verzoekster behoudt daarmee het recht op opvang en wordt behandeld alsof uitstel van vertrek is verleend totdat op bezwaar is beslist.

De minister werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster ad € 934. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, verzoekster behoudt opvang en uitstel van vertrek gedurende bezwaarprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4143

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. A. van Midden).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster, hangende het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2024. In dat besluit is de aanvraag van verzoekster om uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.
1.1.
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers heeft op 10 maart 2026 aan verzoekster laten weten dat het per 12 maart 2026 de voorzieningen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) van verzoekster zal stopzetten. Om verzoekster toch opvang te geven heeft DT&V aangekondigd dat verzoekster op 11 maart 2026 om 12:00 uur naar een vrijheidsbeperkende locatie zal worden overgeplaatst.
1.2
Vanwege onverwijlde spoed en omdat partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, heeft de voorzieningenrechter partijen niet uitgenodigd voor een zitting. [1]
1.3.
Op 11 maart 2026 om 12:14 uur is het dictum van de beslissing van de voorzieningenrechter telefonisch aan partijen meegedeeld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [2]
3.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van onverwijlde spoed. Uit de brief van het COa van 10 maart 2026 blijkt namelijk dat de Rva-verstrekkingen van verzoekster op 12 maart 2026 worden beëindigd, waardoor verzoekster de opvang moet verlaten. Met haar verzoek om een voorlopige voorziening beoogt verzoekster om tijdens de bezwaarprocedure te worden behandeld als ware haar uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000. Toewijzing van haar verzoek betekent dat verzoekster het recht op verstrekkingen behoudt zoals zij die genoot vóór het besluit van 31 januari 2024.
3.2.
De minister heeft telefonisch en via een schriftelijke reactie op 11 maart 2026 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de voorlopige voorziening voor zover dit ziet op rechtmatig verblijf van verzoekster hangende de bezwaarprocedure in het kader van de aanvraag van uitstel van vertrek in de zin van artikel 64 van Pro de Vw 2000. Wel verzet hij zich tegen het toewijzen van de voorlopige voorziening voor zover dat gaat over het beëindigen van de Rva-verstrekkingen (opvang bij het COa).
Belangenafweging
4. De voorzieningenrechter beperkt zich tot een belangenafweging. Deze valt uit in het voordeel van verzoekster. Verzoekster heeft, na een afwijzing van haar asielverzoek te hebben ontvangen, op 25 augustus 2023 verzocht om uitstel van vertrek omdat zij lijdt aan sikkelcelziekte met ernstige pijnklachten die specialistische behandeling en medicatie, zoals oxybutynine, vereisen. De minister heeft zich in het bestreden besluit van 31 januari 2024 op het standpunt gesteld dat de juiste behandeling daarvoor in Nigeria beschikbaar is, maar dit wordt in bezwaar door verzoekster gemotiveerd betwist. Naar aanleiding hiervan heeft de minister zich, naar de voorzieningenrechter begrijpt in januari 2026, nogmaals tot het Bureau Medische Advisering gewend. De minister verzet zich er niet tegen dat verzoekster in afwachting daarvan en van de beslissing op bezwaar, in Nederland mag blijven.
4.1.
Verzoekster heeft, ondanks dat haar asielaanvraag is afgewezen, opvang van het COa gekregen, ook nadat haar verzoek om uitstel van vertrek was afgewezen en zij eigenlijk geen recht op COa-opvang meer had. Toewijzing van het verzoek betekent dat verzoekster tijdens de bezwaarprocedure recht behoudt op die opvang. [3] Daarmee heeft zij een duidelijk en zwaarwegend belang bij toewijzing. De minister heeft in zijn reactie van 11 maart 2026 geen concrete tegenbelangen gesteld die een afwijzing rechtvaardigen, hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het COa te maken heeft met een tekort aan plaatsen en het dus wenselijk is dat de wel beschikbare plaatsen worden gevuld door personen die binnen de regeling vallen. In dit geval ziet de voorzieningenrechter echter voldoende reden om te bepalen dat verzoekster voorlopig in COa-opvang moet kunnen blijven, omdat zij minderjarig is, een vrijheidsbeperkende locatie geen wenselijk plek voor minderjarigen is, de beslissing op het bezwaar al lang op zich laat wachten en omdat de minister onlangs heeft besloten om het BMA om nader advies te vragen en zich ook niet verzet tegen een voorlopig verblijf van verzoekster in Nederland. Onder deze omstandigheden wegen de belangen van verzoekster zwaarder dan die van de minister.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Verzoekster moet gedurende de bezwaarprocedure worden behandeld als ware aan haar uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000. Dit betekent dat zij recht behoudt op de Rva-verstrekkingen.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister de proceskosten van verzoekster vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 934, omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- draagt de minister op verzoekster te behandelen als ware artikel 64 van Pro de Vw 2000 op haar van toepassing, tot op het bezwaar is beslist;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.
3.Op grond van artikel 3, derde lid onder f van de Rva 2005