ECLI:NL:RBDHA:2026:5211

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 BorArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaard beroep tegen verlening omgevingsvergunning verbouw bedrijfsruimte tot woning

Eiseres maakte bezwaar tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het verbouwen van een bedrijfsruimte tot woning, het wijzigen van de voorgevel en tuinmuur, en het toevoegen van een parkeerplaats op eigen terrein. De vergunning werd verleend door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, ondanks dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan "Gemengd-2".

De rechtbank oordeelde dat de aanvraag omgevingsvergunning vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was ingediend, zodat de oude Wabo van toepassing bleef. De vergunning kon worden verleend op grond van artikel 2.12 Wabo, mits de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank stelde vast dat het bouwplan inderdaad in strijd was met het bestemmingsplan, maar dat het college de vergunning terecht had verleend.

Eiseres voerde onder meer aan dat de verkeersveiligheid in de straat zou worden aangetast door het bouwplan, mede door een onjuiste inschatting van de straatbreedte en het aantal garages. De rechtbank vond echter dat de verkeersveiligheid niet in het geding was, mede omdat er een parkeerplaats op eigen terrein was en de straat rustig was.

Daarnaast stelde eiseres dat het college in 2021 nog niet akkoord ging met het toestaan van een woonfunctie in een bedrijfsruimte vanwege het belang van het behoud van bedrijfsruimten. De rechtbank overwoog dat elke aanvraag op zijn eigen merites moet worden beoordeeld en dat de huidige situatie, met een krappe woningmarkt en een verwaarloosd pand, een andere beoordeling rechtvaardigt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter D.A.J. Overdijk op 10 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlening van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/24

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats 1], eiseres

(gemachtigde: mr. A.A.M. van der Linden)
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[vergunninghoudster],uit [woonplaats 2] (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het verbouwen en veranderen van de bedrijfsruimte aan de [adres 1] in een woning, het wijzigen van de voorgevel en tuinmuur en het toevoegen van een parkeerplaats op eigen terrein aan de achterzijde (het bouwplan). Eiseres is het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 1 december 2023 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het bouwplan. Deze aanvraag ziet op de activiteit “bouwen” zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.1.
Verweerder heeft vastgesteld dat de aangevraagde activiteit niet voldoet aan de gebruiksregels van het geldende bestemmingsplan “[bestemmingsplan]” (het bestemmingsplan). Gelet op de op het perceel rustende bestemming “Gemengd-2” is ter plaatse een woonfunctie uitsluitend op de verdiepingen toegestaan en niet op de begane grond. Verweerder heeft de aanvraag om die reden mede aangemerkt als een aanvraag voor het bouwen in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Verweerder de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). De Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed Den Haag (de welstandscommissie) heeft, na toetsing aan de welstandsnota, op 21 februari en 20 maart 2024 negatief geadviseerd. Na indiening van gewijzigde bouwtekeningen heeft de welstandscommissie op 3 april 2024 een positief advies afgegeven.
2.2.
Bij besluit van 26 april 2024 heeft het college de gevraagde vergunning verleend.
Bij het bestreden besluit van 25 november 2024 heeft het college de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster is verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen is vóór 1 januari 2024 ingediend, zodat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3.1.
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat project geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
3.2.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, voor zover hier van belang, kan de omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
3.3.
Op grond van het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming “Gemengd-2”. Op gronden met de bestemming “Gemengd-2” is op grond van artikel 6, eerste lid, van het bestemmingsplan een woonfunctie uitsluitend op de verdiepingen toegestaan. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.
Ingetrokken grond
4. Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgrond met betrekking tot de aantasting van het straatbeeld ingetrokken.
Verkeersveiligheid
5. Eiseres betoogt dat de verkeersveiligheid wordt aangetast door het bouwplan. Het college is uitgegaan van een breedte van de [straatnaam] van 4,50 meter, terwijl die maar 3,75 meter bedraagt. Dit zorgt ervoor dat er meer manoeuvres moeten worden gemaakt in de straat, terwijl haar kinderen in die straat spelen. Ook het argument van het college dat er zich al meer garages in de [straatnaam] zouden bevinden klopt niet. Er bevindt zich slechts één garage in de [straatnaam], op het adres [adres 2] en die garage wordt niet gebruikt om te parkeren maar als opslagruimte.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat er een parkeerplek op eigen terrein is vergund en dat de verkeersveiligheid daarom niet in het geding is.
5.2.
De rechtbank overweegt dat in de omgevingsvergunning is toegelicht dat de parkeereis op 0 parkeerplaatsen is gesteld, omdat vergunninghoudster op eigen terrein parkeert. Eiseres heeft weliswaar aangetoond dat de breedte van de [straatnaam] 3,75 meter bedraagt en niet 4,5 meter, maar hieruit vloeit nog niet rechtstreeks voort dat ter plaatse sprake is van een verkeersonveilige situatie. Het college heeft onweersproken gesteld dat het gaat om een rustige straat. Ook het feit dat eiseres haar kinderen daar laat spelen wijst in die richting. Het aantal verkeersbewegingen door vergunninghoudster is, gelet op de woonfunctie, als zeer laag in te schatten. Tot slot is niet gebleken dat de draai vanuit het terrein van vergunninghoudster de weg op niet goed mogelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
Bedrijfsruimte
6. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte akkoord is gegaan met het toestaan van een woonfunctie in een bedrijfsruimte. In 2021 is het college niet akkoord gegaan met een dergelijke afwijking van het bestemmingsplan. Het college vond het belangrijk om de aanwezige bedrijfsruimten in stand te houden en waar mogelijk uit te breiden omdat het stadsdeel Scheveningen een tekort aan bedrijfsruimten had.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de bestemming “bedrijf” niet van toepassing is.
6.2.
De rechtbank overweegt dat elke aanvraag om een vergunning op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. Niet gebleken is dat de situatie waar eiseres naar verwijst met de huidige situatie te vergelijken is. Het college wijst op de krappe woningmarkt en op het feit dat het pand zeer verwaarloosd is, leeg stond en jaren te koop heeft gestaan. Deze motivering is toereikend. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep slaagt niet.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.