ECLI:NL:RBDHA:2026:5202

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/09/691370 / HA RK 25-490
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor over totstandkoming koopovereenkomst onroerend goed

Verzoekster, een recent opgerichte B.V., stelt dat zij een koopovereenkomst heeft gesloten met verweerster 1 voor de aankoop van een pand, welke verweerster 1 betwist. Verzoekster wenst daarom een voorlopig getuigenverhoor om vier getuigen te horen die betrokken waren bij de onderhandelingen en het tot stand komen van de overeenkomst.

De rechtbank overweegt dat het verzoek voldoet aan de wettelijke criteria voor een voorlopig getuigenverhoor, waarbij de gevraagde informatie voldoende bepaald is en er voldoende belang bestaat bij het verkrijgen van bewijs. Verweerster 1 voert verweer met onder meer niet-ontvankelijkheid en gebrek aan belang, maar wordt niet gevolgd. Ook het verweer dat sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid of strijd met de goede procesorde wordt verworpen.

De rechtbank beveelt het voorlopig getuigenverhoor en bepaalt dat de getuigen op een nader te bepalen datum zullen worden gehoord door een rechter-commissaris. Partijen dienen hun verhinderdata binnen twee weken te melden. De beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen om vier getuigen te horen over de totstandkoming van de koopovereenkomst van het pand.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/691370 / HA RK 25-490
Beschikking van 26 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster] B.V., te [plaats 1] ,
verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaten: mrs. S.A. Amrani en L.C. Varkevisser,
tegen

1.[verweerster 1] B.V., te [plaats 2] ,

verweerster, hierna te noemen: [verweerster 1] ,
advocaten: mrs. D. Hoff en I.J. den Toom,

2.2. de vennootschap onder firma [verweerster 2] , te [plaats 3] ,

verweerster, hierna te noemen: [verweerster 2] ,
verschenen bij haar vennoot de heer [belanghebbende] ,

3.[belanghebbende] , te [woonplaats] ,

belanghebbende, hierna te noemen: [belanghebbende] ,
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met twaalf producties, ingekomen op 10 september 2025;
  • het verweerschrift van [verweerster 1] met zes producties, ingekomen op 29 december 2025.
1.2.
Op 8 januari 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling. Hierbij waren aanwezig:
  • namens [verzoekster] : de heer [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1] ), bijgestaan door mrs. Amrani en Varkevisser voornoemd;
  • namens [verweerster 1] : de heer [naam 2] (hierna te noemen: [naam 2] ), bijgestaan door mrs. Hoff en Den Toom voornoemd;
  • namens [verweerster 2] en voor zichzelf [belanghebbende] .
Mr. Amrani heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen, welke zijn overgelegd.
1.3.
Ter zitting is beschikking bepaald op 19 februari 2026 en deze is nader bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] is op 17 juni 2025 opgericht met als doel de verwerving van de onroerende zaak aan de [adres] , kadastraal bekend als [kadastraal nummer] (hierna te noemen: het pand). Enig aandeelhouder en bestuurder van [verzoekster] is [naam 1] .
2.2.
[verweerster 1] houdt zich bezig met de handel in en verhuur en beheer van onroerend goed. [naam 2] staat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven als gevolmachtigde van [verweerster 1] met volledige volmacht. [verweerster 1] was in juni 2025 eigenaar van het pand.
2.3.
[verweerster 2] houdt zich onder andere bezig met de handel in onroerend goed. Hierbij fungeert [verweerster 2] onder meer als tussenpersoon bij de aan- en verkoop van onroerend goed. [belanghebbende] is één van de twee vennoten van [verweerster 2] . De andere vennoot van [verweerster 2] is de heer [naam 3] . Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 28 augustus 2025 geldt voor beide vennoten dat zij zelfstandig bevoegd zijn tot € 500,00.
2.4.
[verweerster 1] heeft het pand inmiddels verkocht aan een derde partij.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Het verzoek strekt, zakelijk weergegeven, tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor teneinde vier getuigen, te weten [belanghebbende] , [naam 2] , [naam 4] (hierna te noemen: [naam 4] ) en de heer [naam 5] (hierna te noemen: [naam 5] ), te horen over de totstandkoming van een gestelde koopovereenkomst van het pand tussen [verweerster 1] en [verzoekster] .
3.2.
[verzoekster] legt aan het verzoek, kort gezegd, ten grondslag dat tussen haar en [verweerster 1] een koopovereenkomst tot stand is gekomen voor het pand, maar dat [verweerster 1] dit betwist zodat zij recht en belang heeft bij het horen van de personen die bij het tot stand komen van de overeenkomst betrokken waren. De koopovereenkomst is volgens [verzoekster] op 12 juni 2025 per Whatsapp tot stand gekomen en op 13 juni 2025 bevestigd tijdens een telefonisch overleg tussen [naam 1] namens [verzoekster] en [naam 4] namens [verweerster 1] . Volgens [verzoekster] heeft zich het navolgende afgespeeld.
Sinds mei 2025 is [naam 1] met [belanghebbende] in onderhandeling over de aan- en verkoop van het pand. Deze onderhandelingen verliepen zowel telefonisch als via Whatsapp. [belanghebbende] trad daarbij op als tussenpersoon voor [verweerster 1] en liet weten in dat kader te overleggen met de broers [naam 2 & 4] , te weten [naam 2] en [naam 4] Op 30 mei 2025 heeft [naam 1] samen met [naam 5] het pand bezichtigd. [belanghebbende] begeleidde hen tijdens deze bezichtiging. [naam 1] heeft op een bepaald moment via Whatsapp aan [belanghebbende] een bod van € 980.000,- op het pand uitgebracht. Naar aanleiding daarvan heeft via Whatsapp het volgende gesprek tussen [belanghebbende] (in onderstaand gesprek aangeduid als: [belanghebbende] [verzoekster] ) en [naam 1] (in onderstaand gesprek aangeduid als: !!!!) plaatsgevonden:
[afbeelding van tekst verwijderd i.v.m. moeilijk te pseudonimiseren privacygevoelige informatie]
Uit deze Whatsapp-correspondentie blijkt volgens [verzoekster] dat [naam 1] op 12 juni 2025 heeft ingestemd met de vraagprijs van € 1 miljoen en dat hij daarbij meteen heeft aangegeven dat de koopovereenkomst op naam van [verzoekster] gezet moest worden. [verzoekster] stelt verder dat [belanghebbende] vervolgens de contactgegevens van [naam 4] met [naam 1] deelde en stelde dat hij de aanvaarding moest voorleggen aan de broers [naam 2 & 4] . Daarop heeft [naam 1] op 13 juni 2025 met [naam 4] en [naam 5] gebeld (hierna: het telefoongesprek). [naam 4] heeft volgens [verzoekster] tijdens het telefoongesprek geprobeerd nog een extra € 10.000,- tot € 20.000,- los te peuteren maar stemde daarna in met het uitgebrachte bod op het pand en liet weten dat [belanghebbende] de verkoop verder zou regelen.
3.3.
[verzoekster] overweegt [verweerster 1] , dan wel [verweerster 2] , dan wel [belanghebbende] in rechte te betrekken om nakoming van de koopovereenkomst, dan wel vergoeding van de schade ontstaan door de tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst, dan wel de schade door het stoppen van de onderhandelingen te vorderen. Alvorens een dergelijke procedure te entameren wenst [verzoekster] getuigen te horen om zo te kunnen bewijzen dat de gestelde koopovereenkomst tot stand is gekomen, dat [belanghebbende] als al dan niet bevoegde vertegenwoordiger van [verweerster 1] heeft gehandeld en dat de koopovereenkomst is bevestigd tijdens het telefoongesprek met [naam 4]
3.4.
[verweerster 1] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel afwijzing van het verzoek van [verzoekster] , met veroordeling van [verzoekster] in de werkelijk door [verweerster 1] gemaakte proceskosten.
3.5.
[belanghebbende] heeft voor zichzelf en namens [verweerster 2] , tijdens de mondelinge behandeling aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het houden van het voorlopig getuigenverhoor.
3.6.
Hierna wordt, voor zover van belang, nader op de standpunten van partijen ingegaan.

4.De beoordeling

De conclusie
4.1.
Het verzoek van [verzoekster] wordt toegewezen.
Het beoordelingskader
4.2.
Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel de verzoeker in staat te stellen duidelijkheid te verkrijgen over bepaalde feiten waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben. Daarnaast biedt het de verzoeker de mogelijkheid zijn proceskansen beter te kunnen inschatten.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan worden toegewezen in de gevallen waarin volgens de wet het bewijs door getuigen is toegelaten. Uitgangspunt daarbij is dat de feiten die met het verhoor bewezen kunnen worden tot een beslissing van de zaak kunnen leiden. Op grond van artikel 196 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor alleen worden afgewezen als: (1) de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, (2) onvoldoende belang bestaat bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor, (3) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, (4) sprake is van misbruik van bevoegdheid of (5) andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen het voorlopig getuigenverhoor. Als geen van deze situaties zich voordoet en het verzoek verder aan alle formele vereisten voldoet, wordt het verzoek toegewezen.
4.4.
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank allereerst vast dat uit de stellingen van [verzoekster] volgt dat de feiten die met het verhoor bewezen kunnen worden tot een beslissing van de zaak kunnen leiden. Vervolgens wordt beoordeeld of sprake is van een van de wettelijke afwijzingsgronden.
Is de informatie die verlangd wordt voldoende bepaald?
4.5.
[verzoekster] stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat de informatie die wordt verlangd voldoende duidelijk en bepaald is, namelijk informatie over de contacten met betrekking tot de totstandkoming van de gestelde koopovereenkomst van het pand tussen [verweerster 1] en [verzoekster] in de periode mei/juni 2025. [verweerster 1] wordt dan ook niet gevolgd in haar standpunt dat sprake is van een fishing expedition en dat de verlangde informatie onvoldoende bepaald is.
Heeft [verzoekster] voldoende belang bij het verzoek?
4.6.
[verweerster 1] stelt dat [verzoekster] onvoldoende belang heeft bij het getuigenverhoor. Daartoe voert zij in de eerste plaats aan dat [verzoekster] hoe dan ook geen vordering op [verweerster 1] kan hebben nu zij pas is opgericht nadat de vermeende koopovereenkomst tot stand zou zijn gekomen. In dat standpunt wordt zij niet gevolgd. [verzoekster] stelt immers dat [naam 1] bij het tot stand komen van de koopovereenkomst direct heeft gemeld dat zij als koper zou optreden en, zo begrijpt de rechtbank, dat dit door [verweerster 1] is aanvaard, waarmee [verzoekster] dus wel degelijk als de koper heeft te gelden. Een dergelijk koopconstructie is op zichzelf niet onmogelijk.
4.7.
[verweerster 1] heeft in de tweede plaats aangevoerd dat de vordering van [verzoekster] evident kansloos is en dat [verzoekster] ook daarom geen belang heeft bij het verzoek. Zij stelt in dat verband dat het helder is wie de eigenaar was van het pand: [verweerster 1] , en wie [verweerster 1] mag vertegenwoordigen: niet [naam 4] die ook geen functie binnen [verweerster 1] heeft en ook niet [belanghebbende] . [verweerster 1] stelt dat hieruit volgt dat het pand niet door [naam 4] of [belanghebbende] kan zijn verkocht. Ook hierin wordt zij niet gevolgd. De omstandigheid dat helder is dat [verweerster 1] de eigenaar van het pand was, en dat uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat [naam 2] de gevolmachtigde van [verweerster 1] is en dat [naam 4] daarin niet wordt vermeld, sluit immers op zichzelf niet uit dat de daartoe bevoegde persoon binnen [verweerster 1] aan [belanghebbende] en/of [naam 4] zou kunnen hebben gevraagd om namens haar het pand te koop aan te bieden, te verkopen of te bemiddelen in de verkoop van het pand, zoals [verzoekster] lijkt te (veronder)stellen.
4.8.
Ook het verweer van [verweerster 1] tegen de door [verzoekster] gestelde schade brengt niet mee dat het verzoek moet worden afgewezen wegens een gebrek aan belang. In het kader van deze procedure ligt de toewijsbaarheid van de in te stellen vordering immers niet ter toetsing voor. [verzoekster] hoeft niet aannemelijk te maken dat zij de door haar in deze procedure gestelde schade heeft geleden. Dat enige schadevergoedingsvordering van [verzoekster] wegens het niet doorgaan van de gestelde koopovereenkomst geen kans van slagen heeft, is niet gebleken.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat [verweerster 1] niet wordt gevolgd in haar standpunt dat een vordering verband houdend met de gestelde koop van het pand evident kansloos is en [verzoekster] voldoende belang heeft bij haar verzoek.
Is het verzoek in strijd met de goede procesorde of is er sprake van misbruik van bevoegdheid?
4.10.
Volgens [verweerster 1] heeft [verzoekster] gehandeld in strijd met de op haar rustende waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro doordat [verzoekster] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en belangrijke feiten niet heeft gemeld in het verzoekschrift. [verweerster 1] stelt zich op het standpunt dat dit in strijd is met de goede procesorde en dat door deze schending tevens sprake is van misbruik van bevoegdheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verweerster 1] onvoldoende onderbouwd waarover [verzoekster] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en welke belangrijke feiten [verzoekster] niet heeft gemeld. [verweerster 1] heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de waarheidsplicht uit artikel 21 Rv Pro is geschonden, dat het verzoek in strijd is met de goede procesorde of dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Aan dit verweer van [verweerster 1] wordt dan ook voorbij gegaan.
Zijn er andere gewichtige redenen die zich verzetten tegen het voorlopig getuigenverhoor?
4.11.
[verweerster 1] voert in haar verweerschrift nog aan dat er ook voldoende zwaarwegende redenen zijn om tot afwijzing van het verzochte voorlopig getuigenverhoor te komen. [verzoekster] stelt terecht dat [verweerster 1] heeft nagelaten deze stelling op enige wijze te onderbouwen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen gewichtige redenen zijn gebleken die zich verzetten tegen het houden van een voorlopig getuigenverhoor.
Slotsom
4.12.
Aangezien er geen sprake is van een afwijzingsgrond en het verzoek verder aan alle formele vereisten voldoet, zal de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor bevelen.
Het voorlopig getuigenverhoor
4.13.
Aan partijen zal worden verzocht hun verhinderdata aan de rechtbank te sturen. Aan de hand van de verhinderdata zal de rechtbank een datum bepalen voor het verhoor en een rechter-commissaris aanzoeken die het verhoor zal leiden.
4.14.
De ervaring leert dat voor het horen van de eerste getuige veelal minimaal een uur moet worden uitgetrokken en voor de overige getuigen ongeveer drie kwartier. De rechtbank verzoekt de advocaat van [verzoekster] hier met het oproepen van de getuigen rekening mee te houden. Daarnaast verzoekt de rechtbank de advocaat van [verzoekster] het oproepschema tijdig voor het verhoor aan [verweerster 1] , [verweerster 2] , [belanghebbende] en de griffier te sturen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor teneinde vier getuigen te horen over het al dan niet tot stand komen van een koopovereenkomst betreffende het pand aan de [adres] tussen [verweerster 1] en de [verzoekster] in de periode mei/juni 2025;
5.2.
bepaalt dat het verhoor van de vier in het verzoekschrift genoemde getuigen zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie te Den Haag aan de Prins Clauslaan 60 op een nader te bepalen datum en tijdstip ten overstaan van een nader te bepalen rechter-commissaris;
5.3.
bepaalt dat partijen binnen twee weken na heden hun verhinderdata over de komende vier maanden dienen door te geven aan de rechtbank;
5.4.
bepaalt dat [verzoekster] uiterlijk twee weken na deze beschikking een afschrift van de beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan [verweerster 1] , [verweerster 2] en [belanghebbende] moet doen toekomen.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
type: 3384