ECLI:NL:RBDHA:2026:516

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
NL25.53688 en AWB 25/20920
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Vreemdelingenwet 2000Art. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken voorlopige voorziening tegen plaatsing en vrijheidsbeperkende maatregel COA en minister

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter twee verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening beoordeeld. Het eerste verzoek betrof de plaatsing van verzoeker in een Handhaving- en Toezichtslocatie (HTL) in Hoogeveen door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Het tweede verzoek betrof een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie.

De verzoeken waren connex aan de beroepen van verzoeker tegen de respectievelijke besluiten van het COa en de minister. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken gelijktijdig behandeld op 18 december 2025, samen met andere samenhangende beroepen tegen de terugplaatsing van verzoeker in de HTL.

Na behandeling heeft de rechtbank de samenhangende beroepen ongegrond verklaard. Hierdoor is een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk. De voorzieningenrechter heeft daarom de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen omdat de samenhangende beroepen ongegrond zijn verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/20920 en NL25.53688

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

geboren op [geboortedatum],
van Iraanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J. Hoppenbrouwer),

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter twee verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het eerste verzoek van verzoeker is connex aan het beroep van verzoeker gericht tegen het besluit van het COa van 25 oktober 2025 (AWB 25/20918). In dat besluit heeft het COa besloten om verzoeker vanaf 25 oktober 2025 in een HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [2] Het tweede verzoek van verzoeker is connex aan het beroep van verzoeker gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld ing artikel 56 van Pro de Vw 2000 [3] op te leggen (NL25.53686).
1.1.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 18 december 2025 gelijktijdig, en samen met de samenhangende beroepen en de beroepen tegen de terugplaatsing van eiser in de HTL op 23 november 2025 (NL25.61134 en AWB 25/23693), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van verweerders. De voorzieningenrechter heeft de onderzoeken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de samenhangende beroepen van verzoeker en de beroepen ongegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, op 14 januari 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtslocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.