ECLI:NL:RBDHA:2026:515

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
NL25.53686 en AWB 25/20918
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel in het vreemdelingenrecht

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen van een Iraanse eiser tegen besluiten van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste beroep betreft een plaatsingsbesluit van het COa van 25 oktober 2025, waarin de eiser in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen werd geplaatst. Het tweede beroep richt zich tegen een vrijheidsbeperkende maatregel die de minister op dezelfde datum oplegde. De rechtbank constateert dat de eiser op 9 november 2025 de HTL vrijwillig heeft verlaten en dat de minister de vrijheidsbeperkende maatregel op 10 november 2025 heeft opgeheven. De rechtbank heeft de beroepen op 18 december 2025 behandeld, waarbij de eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals vertegenwoordigers van het COa en de minister. De rechtbank oordeelt dat de beroepen ongegrond zijn, omdat het COa het incident dat leidde tot de plaatsing als een incident met een zeer grote impact heeft gekwalificeerd. De rechtbank concludeert dat er geen medische belemmeringen zijn voor de plaatsing van de eiser in de HTL en dat het COa terecht heeft gehandeld. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/20918 en NL25.53686

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Iraanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. F.J. Hoppenbrouwer),

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 25 oktober 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 25 oktober 2025 in een HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [2] Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw 2000 [3] op te leggen (de vrijheidsbeperkende maatregel). Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 9 november 2025 de HTL vrijwillig verlaten en afgezien van opvang bij het COa. De minister heeft de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel met ingang van 10 november 2025 daarom opgeheven.
1.2.
Eiser heeft op 10 november 2025 gronden ingediend. De minister heeft op
1 december 2025 een verweerschrift ingediend. Het COa heeft op 9 december 2025 een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 december 2025 gelijktijdig, en samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening (NL25.53688 en AWB 25/20920) en de beroepen tegen de terugplaatsing van eiser in de HTL op 23 november 2025 (NL25.61134 en AWB 25/23693), op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende. Na een eerder incident zat eiser op 22 oktober 2025 omstreeks 21:45 uur nog bij de receptie. Eiser stond op, liep naar de glazen tussenwand en begon uit het niets te schreeuwen tegen een Trigion medewerker (beveiligingsmedewerker). Hij eiste dat de Trigion medewerker hem zou vertellen welke COa medewerker had gezegd dat hij geen medische aandoening heeft. Hierop heeft de Trigion medewerker de schuiframen van de receptie dichtgeschoven en aangegeven dat hij geen gesprek met eiser aangaat. Eiser begon vervolgens op de schuiframen te bonken. Toen hier niet op werd gereageerd door de Trigion medewerkers sloeg eiser met twee armen/ vuisten de schuiframen uit de rails in de richting van de Trigion medewerkers. Als gevolg hiervan heeft een medewerker van Trigion fysiek letsel opgelopen in de vorm van twee schaafwonden en een blauwe plek aan haar bovenbeen. Ook was haar werkbroek kapot. De Trigion medewerkers hebben vervolgens de politie gebeld. Eiser is door de politie gefouilleerd, aangehouden en meegenomen naar het politiebureau in Apeldoorn. Het COa heeft aangifte gedaan van vernieling.
3.1.
Het COa heeft het incident gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact. Het gedrag van eiser is aangemerkt als gedrag met als doel om een COa-medewerker ernstige fysieke schade toe te brengen. Er is daarmee sprake van onaanvaardbaar gedrag met een zeer grote impact. Het gedrag van eiser heeft volgens het COa verstrekkende gevolgen gehad op de veiligheid, gevoelsveiligheid, de leefbaarheid, werkprocessen, rust en orde, werkvreugde en beheersbaarheid op de locatie. Daarnaast heeft het COa geconstateerd dat er reeds eerder incidenten met een grote impact hebben plaatsgevonden. Omdat het incident los daarvan is gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact heeft het COa dit enkele incident voldoende geacht om eiser in de HTL te plaatsen. Het COa heeft geen reden gezien om van de HTL-plaatsing af te zien.
Feitelijke verslaglegging
4. Eiser voert aan dat in de verslaglegging van het COa onvoldoende inzichtelijk is gemaakt wat er daadwerkelijk is gebeurd op 22 oktober 2025. Eiser kwam zich bij de receptie melden, omdat hij zich niet goed voelde. Hij voelde zich zo slecht dat hij omviel en niet meer op zijn benen kon staan. Hij verzocht om medische hulp, maar werd op geen enkele wijze serieus genomen door de betreffende COa-medewerkers. Eiser was in paniek en raakte gefrustreerd omdat hij niet werd geholpen. Volgens eiser heeft hij vervolgens niet tegen het raam gebonkt, maar slechts op het raam geduwd in de hoop aandacht te krijgen van de betreffende medewerkers. Het betrof een soort plastic schuifraam die, zonder dat dit de bedoeling was van eiser, uit de rails schoot en viel.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de feitelijke weergave van het incident in het plaatsingsbesluit. Dat eiser voorafgaand aan het incident om medische hulp zou hebben gevraagd, maakt nog niet dat het incident niet op de beschreven wijze heeft plaatsgevonden. Verder acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiser slechts tegen het schuifraam zou hebben geduwd in plaats van geslagen, gelet op de materiële schade en het fysiek letsel dat als gevolg van het incident is ontstaan. De rechtbank is verder van oordeel dat in het plaatsingsbesluit het incident en de feitelijke gedragingen van eiser gedetailleerd zijn omschreven. Bovendien is het incident door meerdere personen waargenomen. De rechtbank overweegt daarbij dat een Trigion medewerker geen belang heeft om niet naar waarheid te verklaren en er ook in dat opzicht geen reden is om te twijfelen aan de verslaglegging.
Kwalificatie
5. Eiser voert aan dat het incident ten onrechte is aangemerkt als een incident met een zeer grote impact. Eiser heeft immers niet als doel gehad om schade aan te richten. Eiser wijst op de verslaglegging van het COa waarin staat beschreven dat de politie na het incident heeft aangegeven dat er geen sprake is geweest van een persoonlijke aanval jegens een medebewoner of tegen een medewerker en dat daarvan ook geen aangifte kon worden gedaan. Ook wijst eiser op de zitting op de sepotbeslissing die hij heeft overgelegd ten aanzien van de beroepen tegen de terugplaatsing in de HTL op 23 november 2025 en waaruit blijkt dat er geen verder strafrechtelijk onderzoek zal plaatsvinden naar het incident. Daarnaast heeft het COa bij de kwalificatie van het incident onvoldoende rekening gehouden de psychische klachten van eiser. Verder voert eiser in dit kader aan dat ook de verwijzingen naar eerdere incidenten het plaatsingsbesluit niet kunnen rechtvaardigen omdat die eerdere incidenten niet kunnen worden aangemerkt als gedragingen met een grote impact. Ook is van belang dat uit het incidentenoverzicht blijkt dat eiser tussen 24 december 2024 en 21 oktober 2025 goed gedrag heeft vertoond. Een minder ingrijpende maatregel had daarom voor de hand gelegen.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit het plaatsingsbesluit, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting voldoende duidelijk blijkt dat de impact van het incident terecht is gekwalificeerd als een gedraging met een zeer grote impact. Dat in de verslaglegging staat opgenomen dat de politie zou hebben opgemerkt dat er geen sprake is geweest van een persoonlijke aanval tegen een medebewoner of medewerker en dat er daarom ten aanzien daarvan geen aangifte kon worden gedaan, maakt het oordeel niet anders. Het strafrecht kent immers een ander toetsingskader dan het toegepaste bestuursrecht. Dit geldt ook voor de verwijzing naar de sepotbeslissing van het OM. Bovendien blijkt uit zowel de opmerking van de politie als uit de sepotbeslissing niet dat het incident niet als zodanig heeft plaatsgevonden of dat er geen fysiek letsel is ontstaan als gevolg ervan. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het getoonde gedrag hem niet kan worden verweten. In dit kader heeft de gemachtigde van het COa op de zitting terecht opgemerkt dat het feit dat eiser zowel het binnen- als het buitenraam heeft vernield wijst op een zekere vorm van doelgerichtheid. Eiser had ook kunnen stoppen op het moment dat het eerste raam kapotging. Verder acht de rechtbank van belang dat het bij de kwalificatie van het incident gaat om de impact van het incident op de algehele omgeving. De door eiser aangehaalde eerdere incidenten laat de rechtbank onbesproken nu deze incidenten niet aan de plaatsing in de HTL ten grondslag zijn gelegd. Ook het feit dat eiser voorafgaand aan het incident een periode goed gedrag heeft vertoond, maakt niet dat het COa na een incident met een zeer grote impact een lichtere maatregel aan eiser had moeten opleggen.
Psychische klachten
6. Eiser voert verder aan dat het COa onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische klachten. Eiser is gediagnostiseerd met PTSS en er is een vermoeden van AS II problematiek. Ter onderbouwing heeft eiser een verklaring van zijn voormalig psycholoog overgelegd. Eiser heeft al meermaals aangekaart dat hij vanwege deze psychische klachten graag op een eenpersoonskamer verblijft.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het COa voorafgaand aan de plaatsing van eiser in de HTL aan het GZA heeft gevraagd of er medische belemmeringen zijn voor plaatsing van eiser in de HTL. Daarbij heeft het COa ook gewezen op de overgelegde verklaring van de voormalig psycholoog van eiser. Het GZA heeft op 23 oktober 2025 akkoord gegeven voor plaatsing van eiser in de HTL. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de medische situatie van eiser zorgvuldig is beoordeeld en dat niet is gebleken dat zijn psychische klachten plaatsing in de HTL in de weg staat. Eiser heeft niet op een andere wijze onderbouwd waarom hij gelet op zijn psychische klachten niet in de HTL kan verblijven. Bovendien heeft het COa in het verweerschrift aangegeven dat indien zal blijken dat eiser extra medische hulp nodig zal hebben, bijvoorbeeld vanuit ATT Veldzicht [4] , dat het COa dat ook zal faciliteren. De beroepsgrond slaagt niet.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
7. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank wijst daarom het verzoek om schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht opleggen. Eiser krijgt daarom geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling..

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, op 14 januari 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open..

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Het Ambulant Transcultureel Team van het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht.