3.5.Bewijsoverwegingen feit 1 en feit 2
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
De overval
In de nacht van 6 op 7 juli 2024 heeft in een woning aan de [adres 1] te Wassenaar een overval plaatsgevonden. De daders hebben zich de toegang tot de woning verschaft door middel van inklimming, wat uiteindelijk leidde tot een confrontatie met de bewoners. De bewoners, [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) en zijn echtgenote [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) – die hebben verklaard dat er die nacht drie overvallers in hun woning zijn geweest – zijn hierbij bedreigd, op de grond gegooid en vastgebonden met tie-wraps. [aangever 2] is tevens geslagen en geschopt, is met een koevoet tegen zijn hoofd geslagen en is met een stanleymes in zijn hand gestoken. De woning is gedurende meerdere uren doorzocht, waarna uiteindelijk kluizen zijn leeggeroofd en veel waardevolle sieraden en horloges en een telefoon zijn meegenomen.
Uit het politieonderzoek is gebleken dat de daders van de woningoverval zijn weggereden in een van diefstal afkomstige witte Mercedes die op de avond en in de nacht van de overval geparkeerd stond om de hoek van de woning aan de [adres 1] .
Tijdens de overval werd – naar de rechtbank begrijpt voor onderling contact – gebruik gemaakt van twee prepaid simkaarten, die geplaatst waren in twee telefoons van het merk Nokia. Genoemde simkaarten zijn in de middag voor de overval gekocht en geactiveerd in Nieuwegein en hebben zich in de avond van de overval gelijktijdig met een taxi met kenteken [kenteken 2] (hierna: de taxi) verplaatst richting Wassenaar. De eigenaar van voornoemde taxi is [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Een van de Nokia’s straalde tijdens de overval een zendmast aan binnen het bereik van de plaats delict; de andere Nokia straalde – net als de taxi en de telefoon die toebehoort aan [medeverdachte 1] – andere zendmasten aan in de directe omgeving van Wassenaar en in Leidschendam. Na de overval zijn beide simkaarten niet meer actief geweest in het telefoonnetwerk.
(Eerdere) reisbewegingen
Uit onderzoek naar de boordcomputer van de taxi blijkt dat de taxi op de dag van de overval en in de daaraan voorafgaande maand drie keer een reisbeweging vanuit [plaats 2] (de woonplaats van [medeverdachte 1] ) via [plaats 3] naar Wassenaar heeft gemaakt. Dit betreft zaterdagavond/nacht van 22 op 23 juni 2024, vrijdagavond/nacht van 28 op 29 juni 2024 en de avond/nacht van de overval. De telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer 1] , die toebehoorde aan [medeverdachte 1] , maakte steeds dezelfde reisbewegingen. De rechtbank gaat ervan uit dat er in de twee weekenden in juni 2024 voor de woningoverval zogenoemde voorverkenningen hebben plaatsgevonden.
Op 22 en 23 juni 2024 was – kort en zakelijk weergegeven – sprake van de volgende reisbewegingen. Om 21.10 uur kwam de taxi aan bij het [adres 3] . Op nummer [huisnummer] aldaar is woonachtig [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Op dit adres heeft [verdachte] zich diezelfde avond blijkens een chatgesprek dat hij met zijn telefoon met nummer [telefoonnummer 2] voerde met ‘taxi [bedrijf 1] ’, laten afzetten.
De taxi vertrok om 21.18 uur vanaf het [adres 3] . Omstreeks dat moment vertrok ook de bij de overval gebruikte witte Mercedes vanuit de omgeving van het [adres 3] , waar deze sinds 8 juni 2024 onafgebroken geparkeerd stond. Beide voertuigen reden richting Wassenaar.
De Mercedes kwam omstreeks 22.50 uur aan in Wassenaar in de buurt van de [adres 1] . De taxi reed via de Slikkerveerstraat te Amsterdam naar Wassenaar, waar hij om 22.55 uur aankwam. De Mercedes en de taxi hebben die avond beide enige tijd rondgereden in Wassenaar en Leidschendam. De taxi reed om 00.00 uur via de A4 weg, stopte opnieuw kort in de Slikkerveerstraat in Amsterdam, reed daarna richting [plaats 3] , kwam om 01.29 uur aan op het [adres 3] , en eindigde bij de woning van [medeverdachte 1] in [plaats 2] . In de periode dat de taxi heen en weer naar Wassenaar reed, werden de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 2] niet actief gebruikt. De telefoons bleven al die tijd in [plaats 3] . Om 01.35 uur, zes minuten nadat de taxi op het [adres 3] aankwam, vond er met de telefoon van [verdachte] een uitgaand telefoongesprek plaats.
Op 28 en 29 juni 2024 was – kort en zakelijk weergegeven – sprake van de volgende reisbewegingen. [medeverdachte 2] maakte via WhatsApp een afspraak met [medeverdachte 1] om te worden opgehaald bij zijn ouders in [plaats 2] en om hem te brengen naar zijn woning aan het [adres 3] . De telefoon van [verdachte] bevond zich die avond ook weer in [plaats 3] . De taxi vertrok vanaf het [adres 3] naar Amstelveen, waar hij van 22.15 uur tot 22.40 uur stil stond op de [adres 4] in de buurt van de woning van [verdachte] . De taxi reed vervolgens naar de Prinsenhofwijk in Leidschendam, waar hij om 23.14 uur aankwam. Enkele minuten later vertrok vanuit deze wijk de witte Mercedes, die daar sinds 23 juni 2024 geparkeerd stond, naar Wassenaar. De taxi reed rond in de omgeving van Wassenaar en Leidschendam en stopte om 00.42 uur weer in de Prinsenhofwijk, waar op dat moment ook de witte Mercedes weer aankwam. De taxi reed uiteindelijk richting [plaats 3] waar hij om 01.52 uur aankwam op het [adres 3] .
In de periode dat de taxi heen en weer naar Wassenaar reed, werden de telefoons van [medeverdachte 2] en [verdachte] niet gebruikt en bleven deze, net als op 22 juni 2024, al die tijd in [plaats 3] .
Op 6 en 7 juli 2024 was – kort en zakelijk weergegeven – sprake van de volgende reisbewegingen. Op 6 juli 2024 om 12.00 uur had [verdachte] contact met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en spraken ze met elkaar af. De telefoon van [verdachte] verplaatste zich naar Nieuwegein, dichtbij de plek waar diezelfde middag de simkaarten van de Nokia’s zijn geactiveerd. De telefoon van [verdachte] bevond zich die dag rond 20.30 uur in [plaats 3] nabij de woning van [medeverdachte 2] . Uit een chatgesprek dat [medeverdachte 2] had met [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 2] , net als op 28 juni 2024, door [medeverdachte 1] is opgehaald bij zijn ouders in [plaats 2] en naar zijn woning op het [adres 3] is gebracht, waar hij rond 20.30 uur aan kwam. De taxi vertrok om 20.56 uur vanaf het [adres 3] over de A12 richting Den Haag, vanaf welk moment de telefoons van [medeverdachte 2] en [verdachte] opnieuw urenlang niet actief werden gebruikt.
Op het moment dat de taxi ter hoogte van Zevenhuizen reed, bevonden zich op deze locatie ook de twee – eerder die dag in Nieuwegein geactiveerde – simkaarten. De taxi kwam om 22.30 uur aan in de Prinsenhofwijk in Leidschendam, in de nabijheid van de locatie waar drie minuten later, om 22.33 uur, de witte Mercedes, die sinds 28 juni 2024 niet meer was gebruikt, vertrok richting Wassenaar.
Hierna vond in de late uren van 6 op 7 juli 2024 de overval plaats, waarbij één Nokia zich nabij de plaats delict bevond en de andere Nokia zich verplaatste met de taxi, die vanaf 23.45 uur vanuit Wassenaar weer richting de Prinsenhofwijk in Leidschendam reed. De plegers van de overval zijn na de overval met de witte Mercedes, die zich gedurende de overval in de directe nabijheid van de woning aan de [adres 1] bevond, eveneens naar Leidschendam gereden en bevonden zich om 03:32 uur in de nabijheid van de Prinsenhofwijk aldaar. De witte Mercedes en de taxi zijn op exact hetzelfde tijdstip, namelijk om 03.32 uur, vanuit hun nabij gelegen locaties in Leidschendam, vertrokken richting de snelweg.
De taxi is naar het [adres 3] gereden, waar deze om 04.25 uur arriveerde en om 06.20 uur is weggereden in de richting van de woning van [medeverdachte 1] . De Mercedes is naar Amstelveen gereden en is gestopt in de omgeving van de woning van [verdachte] .
De witte Mercedes is uiteindelijk diezelfde nacht geparkeerd op de Slikkerveerstraat in Amsterdam, de locatie waar de taxi op 22 en 23 juni 2024 onderweg naar en op terugreis van Wassenaar kort heeft stilgestaan.
Na de overval
Uit onderzoek naar de telefoons van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] is het volgende gebleken.
In de telefoon van [verdachte] is een chatgesprek aangetroffen dat hij tussen 29 juni 2024 en 7 juli 2024 voerde met ‘ [naam 2] ’. Op 29 juni 2024 stuurde [naam 2] een betaalverzoek voor € 1.000,- en op 7 juli 2024, de dag na de overval, reageerde [verdachte] hier om 09.26 uur op met ‘Bro ik geef je morgen contant’ en ‘Ik moet hier blijven tot z’n gast mij wat komt geven’. [verdachte] stuurde zijn locatie, waaruit blijkt dat hij zich op dat moment in de directe omgeving van het woonadres van [medeverdachte 2] aan het [adres 3] bevond.
Verder is gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte 2] tussen 7 juli 2024 om 23.50 uur en 8 juli 2024 om 01.19 uur gebruik maakten van dezelfde zendmast in Wijk bij Duurstede. Uit aangetroffen foto’s blijkt dat ze zich bevonden in de woning van [naam 1] . Uit het onderzoek is verder gebleken dat [verdachte] die avond/nacht filmpjes heeft gemaakt, waarop veel geld, kostbare flessen alcoholhoudende drank en meerdere personen te zien waren. Eén van de foto’s die [medeverdachte 2] diezelfde avond maakte in voornoemde woning, stuurde hij naar [medeverdachte 1] .
Op woensdag 17 juli 2024 om 01.13 uur voerde [verdachte] een chatgesprek met een persoon genaamd [naam 3] , waarin hij onder meer schreef: ‘Bro ik ben nog wat belangrijks vergeten’ en ‘Voorkant en achterkant moeten die dingen nog eraf!!!!!’ en ‘Was ik helemaal vergeten pffff’. Met de telefoon van [naam 3] werden om 03.55 uur een afbeelding en een video naar [verdachte] verstuurd die automatisch verwijderd werden. [verdachte] reageerde hierop met diverse emoticons met hartjes. Op datzelfde tijdstip kwam bij de politie de melding binnen dat er op de Slikkerveerstraat in Amsterdam een auto in brand stond. Dit bleek de witte Mercedes te zijn die bij de overval was gebruikt en waarvan de kentekenplaten aan zowel de voorkant als de achterkant verwijderd waren.
De Mercedes is aangetroffen op de locatie waar [medeverdachte 1] tijdens de eerste voorverkenning twee maal met zijn taxi naartoe is gereden.
Blijkens afbeeldingen die zijn aangetroffen in de telefoon van [verdachte] , gedateerd 13, 21 en 25 juli 2024, beschikte [verdachte] op genoemde data over aanzienlijke hoeveelheden contant geld, bestaande uit onder andere biljetten van 100, 200 en 500 euro. Ook blijkt uit de afbeeldingen en video’s in zijn telefoon dat [verdachte] eind juli/begin augustus 2024 op vakantie is geweest naar Marokko, waarbij ook [medeverdachte 2] op de afbeeldingen te zien is. Uit de afbeeldingen lijkt te volgen dat er veel geld is uitgegeven aan zaken als horeca en (huur)auto’s.
Op 26 juli 2024 voerde [verdachte] een chatgesprek met een persoon genaamd [naam 4] , waarin hij onder meer zei ‘Laat me weten hoe laat je bij mij bent’ ‘Dan laat ik [naam 5] 5 minuten later komen zodat hij dat geld heb kunnen tellen’ ‘Dus € 6000,- geef je aan [naam 5] ’ ‘€ 4000,- laat je op dezelfde plek liggen’. Nadat [naam 5] het geld kennelijk had gevonden, stuurde hij ‘Moet ik de rest
terugin kussen stoppen’. Kennelijk moest ‘ [naam 4] ’ op verzoek van [verdachte] naar zijn woning om daar geld te tellen en € 6.000,- aan een persoon genaamd ‘ [naam 5] ’ te geven en moest ‘ [naam 4] ’ € 4.000,- euro op dezelfde plek laten liggen. Vermoedelijk zat het geld in kussens.
Tenslotte is in de telefoon van [naam 1] een chat aangetroffen tussen de gebruiker van de telefoon (‘ [schuilnaam] ’; de rechtbank begrijpt [naam 1] ) en ‘ [naam 6] ’. Uit de chat blijkt dat ‘ [naam 6] ’ sieraden inkoopt die ‘ [schuilnaam] ’ te koop aanbiedt. Op 8 juli 2024 vraagt ‘ [naam 6] ’ aan ‘ [schuilnaam] ’ naar Utrecht te komen. Uit onderzoek naar de in de tijdlijn van de telefoon gedeelde locatie op 8 juli 2024 is gebleken dat op/nabij die locatie het bedrijf [naam 6] Juwelier is gevestigd. Voorts blijkt uit de chat dat ‘ [schuilnaam] ’ en ‘ [naam 6] op 7 juli 2024 in de avond contact hebben. ‘ [naam 6] ’ zegt “Morgen 4 uur”. [schuilnaam] zegt “Wat geef je voor die andere. Die jongens willen weten”.
De rol van [verdachte]
bevond zich blijkens de bewijsmiddelen op de dag van de overval in Nieuwegein, waar ook de simkaarten uit de telefoons die zijn gebruikt tijdens de overval diezelfde middag zijn geactiveerd.
Uit het onderzoek naar de boordcomputer van de taxi in combinatie met de historische gegevens van de telefoon van [medeverdachte 1] , blijkt dat [medeverdachte 1] de zaterdagavond/nacht van 22 op 23 juni 2024, de vrijdagavond/nacht van 28 op 29 juni 2024 (de twee voorverkenningen) en de avond/nacht van de overval in de omgeving van Wassenaar is geweest. Hierbij is hij telkens eerst via het adres van [medeverdachte 2] in [plaats 3] gereden, waar ook (de telefoon van) [verdachte] zich bevond.
In de avond/nacht van 22 op 23 juni 2024 is [medeverdachte 1] , alvorens hij met zijn taxi naar Wassenaar reed, eerst naar de locatie gereden waar tien dagen na de overval de witte Mercedes, die is gebruikt door de personen die de overval hebben gepleegd, brandend is aangetroffen. Vanaf deze nacht bevond de witte Mercedes zich in de Prinsenhofwijk in Leidschendam, waar de taxi van [medeverdachte 1] in de avond/nacht van 28 op 29 juni 2024 vanuit Wassenaar ook naartoe is gereden en waar de taxi zich in de nacht van de overval bevond, op enig moment ook in de nabijheid van de witte Mercedes. De rechtbank leidt hieruit af dat er kennelijk personen vanuit de plaats van de overval naar Leidschendam zijn vervoerd en vervolgens verder zijn vervoerd. De witte Mercedes werd telkens kort na aankomst van de taxi gestart om vervolgens naar de omgeving van de plaats delict te rijden.
Hoewel uit het dossier niet direct volgt dat [medeverdachte 2] en [verdachte] de personen zijn geweest die [medeverdachte 1] heeft vervoerd naar Leidschendam en Wassenaar, kan het naar het oordeel van de rechtbank echter niet anders zijn dan dat dit het geval was. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de taxi steeds van en naar het adres van [medeverdachte 2] in [plaats 3] reed, waar [verdachte] zich blijkens zijn telefoongegevens kennelijk ook bevond, en dat de taxi tijdens de eerste voorverkenning ook via het adres van [verdachte] naar Wassenaar is gereden. De telefoons van [medeverdachte 2] en [verdachte] bevonden zich tijdens de voorverkenningen en tijdens de overval steeds in [plaats 3] , maar waren telkens gedurende deze periodes inactief.
Van [verdachte] mag worden verwacht dat hij met betrekking tot deze omstandigheden een verklaring aflegt. [verdachte] heeft bij de politie enkel een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Pas tijdens de vierde pro forma terechtzitting van 3 december 2025 – en na beschikbaarheid van het dossier – heeft [verdachte] met betrekking tot deze omstandigheden verklaard dat hij destijds in [plaats 3] een vriendin had, wat zijn aanwezigheid in de nachtelijke uren in [plaats 3] zou verklaren. De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] op dit punt ongeloofwaardig, reeds gelet op het moment ervan. Bovendien is de verklaring onvoldoende onderbouwd, aangezien van deze vermeende vriendin behoudens de naam ‘ [naam 7] ’ geen verdere gegevens bekend zijn geworden, waardoor de verklaring ook niet geverifieerd kan worden.
Na de overval zijn zowel de Mercedes waarin de plegers van de overval zijn weggereden, als de taxi van [medeverdachte 1] op exact hetzelfde moment vanaf nabijgelegen locaties in Leidschendam vertrokken naar de snelweg, waarbij de Mercedes naar de woning van [verdachte] is gereden en de taxi naar de woning van [medeverdachte 2] is gereden.
De Mercedes is, nadat hij langs het adres van [verdachte] is gereden, uiteindelijk geparkeerd in de Slikkerveerstraat in Amsterdam, om daar uiteindelijk in brand te worden gestoken. [verdachte] heeft hierbij blijkens een in zijn telefoon aangetroffen chatgesprek, iemand opdracht gegeven om voorafgaand aan deze brand de kentekenplaten van het voertuig te verwijderen.
Uit gegevens uit de telefoon van [verdachte] is gebleken dat [verdachte] kort na de overval beschikte over grote hoeveelheden contant geld en dat hij in de avond van 7 juli 2024 kennelijk onder meer met [medeverdachte 2] iets te vieren had in de woning van [naam 1] . Uit de telefoon van [naam 1] is gebleken dat hij ( [naam 1] ) op 7 juli 2024 in de avond contact had met ‘ [naam 6] ’ die sieraden inkoopt, hij vraagt naar wat deze ‘ [naam 6] ’ “voor die andere geeft” en “dat de jongens willen weten” en er plannen worden gemaakt om de volgende dag, op 8 juli 2024, naar een locatie in Utrecht te komen waar de juwelierszaak van deze ‘ [naam 6] ’ is gevestigd. De rechtbank acht, gelet ook op de hiervoor genoemde bijeenkomst die in de avond van 7 juli 2024 bij [naam 1] thuis heeft plaatsgevonden, aannemelijk dat met “die jongens” onder andere [verdachte] en [medeverdachte 2] wordt bedoeld en dat wordt gevraagd welk bedrag voor te koop aangeboden sieraden wordt gegeven.
Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de inzittenden van de taxi van [medeverdachte 1] en de witte Mercedes bij de overval op de bewoners van de [adres 1] te Wassenaar betrokken waren, waarbij de rechtbank met name de locaties en de tijdstippen waar beide voertuigen zich op de drie genoemde avonden/nachten bevonden, van belang acht.
Hoewel de rechtbank op basis van het dossier niet direct kan vaststellen dat [verdachte] ten tijde van de overval fysiek in (de omgeving van) Wassenaar was, kan het naar het oordeel van de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, gelet op de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden niet anders zijn dan dat hij betrokken is geweest bij de overval. De omstandigheid dat uit de historische gegevens van de telefoon van [verdachte] niet kan worden afgeleid dat hij in Wassenaar was, omdat de telefoon kennelijk is achtergebleven in [plaats 3] , maakt dit niet anders. De rechtbank gaat ervan uit dat het onderdeel van het plan is geweest dat de telefoon van [verdachte] achterbleef in [plaats 3] .
Opzet
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat [verdachte] , die zoals hiervoor overwogen betrokken was bij de overval, ook daadwerkelijk in de woning is geweest.
Evenmin kan de rechtbank op grond van het dossier vaststellen dat [verdachte] ‘vol opzet’ heeft gehad op het (mede)plegen van de gewelddadige woningoverval. De vraag is vervolgens of [verdachte] voorwaardelijk opzet had op voornoemd delict. Daarvan is sprake als [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat goederen uit de woning zouden worden weggenomen en dat daarbij geweld zou worden gebruikt en/of met geweld zou worden gedreigd. De rechtbank overweegt in dat kader dat, voor zover daarvan niet blijkt uit de eigen verklaringen van een verdachte, bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat aan de overval een tevoren gemaakt, geraffineerd en grondig voorbereid plan vooraf is gegaan, waarbij telkens bij de woning van [medeverdachte 2] werd verzameld voordat men vertrok op de dagen van de voorverkenningen en de dag van de overval.
De rechtbank gaat er, gelet op zijn betrokkenheid tijdens zowel de twee voorverkenningen als op de dag van de overval, van uit dat [verdachte] in elk geval van alle logistieke onderdelen van het plan op de hoogte was.
Gelet op het tijdstip van de overval – te weten in de nachtelijke uren – acht de rechtbank meer dan aannemelijk dat de overvallers ervan uitgingen dat er op het moment van binnendringen in de woning één of meer personen in de woning aanwezig zouden zijn. Gelet op de aanwezigheid van de bewoners in die woning kon bovendien rekening gehouden worden met de mogelijkheid van verzet. Daar is bij de planning vooraf kennelijk over nagedacht, gelet op het meegenomen vuurwapen, de meegenomen koevoet en het binnengaan van de woning door daders met bivakmutsen. Naar het oordeel van de rechtbank was onder die omstandigheden de aanmerkelijke kans aanwezig dat bij de diefstal van de zeer waardevolle en grote hoeveelheid sieraden geweld zou worden gebruikt, dan wel met geweld gedreigd zou worden. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] de aanmerkelijke kans op de diefstal met geweld en bedreiging met geweld, door zijn betrokkenheid, zoals hiervoor omschreven, heeft aanvaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte] minst genomen voorwaardelijk opzet had op het plegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld in de woning aan de [adres 1] in Wassenaar.
Medeplegen
De vraag die de rechtbank ten slotte moet beantwoorden, is of [verdachte] als medepleger schuldig is aan deze woningoverval.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid
in verband plegen te worden gebracht (zoals het op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank – zoals hiervoor overwogen – af dat [verdachte] niet alleen op de dag van de overval, maar ook tijdens de twee voorverkenningen met mededaders in de omgeving van de plaats delict is geweest.
Na de overval hebben de daders elkaar ontmoet in de Prinsenhofwijk in Leidschendam, waarna [verdachte] met de Mercedes op exact hetzelfde moment als de betrokkenen die in de taxi zaten, is weggereden richting de snelweg. In de ochtend na de overval, op 7 juli 2024, bevond [verdachte] zich blijkens de historische gegevens van zijn telefoon, weer in de woning van [medeverdachte 2] , waar hij blijkens het hiervoor aangehaalde gesprek met ‘ [naam 2] ’ moest blijven tot z’n gast hem wat kwam geven. De rechtbank gaat ervan uit dat dit ging om contant geld dat kennelijk naar de woning van [medeverdachte 2] moest worden gebracht. Ook bevond [verdachte] zich diezelfde avond met [medeverdachte 2] in de woning van [naam 1] , waar kennelijk onder het genot van dure alcoholhoudende drank, iets gevierd werd en waarbij pakketten met bankbiljetten van verschillende coupures op tafel lagen. Die avond werd er door [naam 1] iets te koop aangeboden aan ‘ [naam 6] ’, die een juweliersbedrijf in Utrecht heeft en werd er een afspraak voor de dag erop gemaakt in Utrecht. De rechtbank gaat ervan uit dat er sieraden te koop zijn aangeboden en dat ook [verdachte] en [medeverdachte 2] wilden weten wat die sieraden zouden opleveren. Voorts beschikte [verdachte] , blijkens selfies die in zijn telefoon zijn aangetroffen, in de periode na de overval over grote hoeveelheden contant geld, terwijl uit onderzoek naar zijn financiële situatie in de periode voorafgaand aan de overval geen rooskleurig beeld naar voren komt. De rechtbank gaat er, al deze omstandigheden bij elkaar genomen, van uit dat [verdachte] kennelijk heeft gedeeld in de buit. De verklaring van [verdachte] dat hij de hoeveelheden contant geld heeft gekregen als fooitjes voor zijn (koeriers)werkzaamheden, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig, alleen al gelet op de omvang van de stapels bijeen gebonden geld, veelal in grote coupures, die op de afbeeldingen te zien zijn.
Na de overval heeft [verdachte] ten slotte tevens een rol gespeeld bij het vernietigen van bewijsmateriaal door opdracht te geven om de kentekenplaten van de witte Mercedes te laten verwijderen, alvorens deze in brand is gestoken.
[verdachte] heeft door te handelen, zoals hiervoor omschreven, zowel voor, tijdens als na de overval een wezenlijke rol gespeeld bij de uitvoering daarvan. Uit het voorgaande volgt dat [verdachte] de overval in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders heeft gepleegd.
Conclusie feit 1
De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde bewezen.
Conclusie feit 2
Tevens acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] op 17 juli 2024 aan ‘ [naam 3] ’ opdracht heeft gegeven om de kentekenplaten te verwijderen van de bij de overval gebruikte Mercedes, die daarna in brand is gestoken. Uit het chatgesprek volgt niet concreet dat [verdachte] opdracht heeft gegeven tot het in brand steken van het voertuig, waardoor de rechtbank [verdachte] zal vrijspreken van de onder 2 primair ten laste gelegde brandstichting en de onder 2 subsidiair ten laste gelegde vernieling van de Mercedes. Wel acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] , door de kentekenplaten te laten verwijderen, zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair ten laste gelegde vernietigen van bewijsmateriaal.