ECLI:NL:RBDHA:2026:5100

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12050
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbVreemdelingenwet 2000Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking beroep na opheffing bewaring en toewijzing proceskostenvergoeding

Verzoeker had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie tot oplegging van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Tijdens de procedure heeft de minister de bewaring opgeheven en aangegeven bereid te zijn proceskosten en schadevergoeding te vergoeden.

Op de zitting heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om toewijzing van de proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelt dat bij intrekking van het beroep na tegemoetkoming door het bestuursorgaan, proceskosten kunnen worden toegewezen op grond van artikel 8:75a Awb.

De rechtbank volgt de minister in het voorstel om de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van € 934,- en ziet geen reden om een punt toe te kennen voor het verschijnen ter zitting. De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van de proceskosten aan verzoeker.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten van € 934,- na intrekking van het beroep wegens opheffing van de bewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12050

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 9 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. Bij brief van 10 maart 2026 heeft verweerder meegedeeld bereid te zijn aan verzoeker een schadevergoeding te betalen en de proceskosten te vergoeden.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Verzoeker heeft ter zitting het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb [2] en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Verweerder heeft toegezegd de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van € 934,-. De rechtbank volgt verweerder hierin. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor het verschijnen ter zitting. De rechtbank acht een zitting, zeker na de aangehaalde brief van verweerder van 10 maart 2026, niet nodig.
3. De rechtbank wijst het verzoek toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan op 12 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.