3.4.Bewijsoverwegingen
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
De overval
In de nacht van 6 op 7 juli 2024 heeft in een woning aan de [adres 1] te Wassenaar een overval plaatsgevonden. De daders hebben zich de toegang tot de woning verschaft door middel van inklimming, wat uiteindelijk leidde tot een confrontatie met de bewoners. De bewoners, [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) en zijn echtgenote [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) – die hebben verklaard dat er die nacht drie overvallers in hun woning zijn geweest – zijn hierbij bedreigd, op de grond gegooid en vastgebonden met tie-wraps. [aangever 2] is tevens geslagen en geschopt, is met een koevoet tegen zijn hoofd geslagen en is met een stanleymes in zijn hand gestoken. De woning is gedurende meerdere uren doorzocht, waarna uiteindelijk kluizen zijn leeggeroofd en veel waardevolle sieraden en horloges en een telefoon zijn meegenomen.
Betrokkenheid verdachte
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het de verdachte is geweest die bij deze woningoverval betrokken is geweest, en zo ja, wat zijn rol daarbij is geweest. De rechtbank acht voor de beantwoording van die vraag de volgende omstandigheden van belang.
Uit het politieonderzoek is gebleken dat de daders van de woningoverval zijn weggereden in een van diefstal afkomstige witte Mercedes die op de avond en in de nacht van de overval geparkeerd stond om de hoek van de woning aan de [adres 1] .
Tijdens de overval werd – naar de rechtbank begrijpt voor onderling contact – gebruik gemaakt van twee prepaid simkaarten, die geplaatst waren in twee telefoons van het merk Nokia. Genoemde simkaarten zijn in de middag voor de overval gekocht en geactiveerd in Nieuwegein en hebben zich in de avond van de overval gelijktijdig met een taxi met kenteken [kenteken 1] (hierna: de taxi) verplaatst richting Wassenaar. De eigenaar van voornoemde taxi is de verdachte (hierna: [verdachte] ). Een van de Nokia’s straalde tijdens de overval een zendmast aan binnen het bereik van de plaats delict; de andere Nokia straalde – net als de taxi en de telefoon die toebehoort aan [verdachte] – andere zendmasten aan in de directe omgeving van Wassenaar en in Leidschendam. Na de overval zijn beide simkaarten niet meer actief geweest in het telefoonnetwerk.
(Eerdere) reisbewegingen
Uit onderzoek naar de boordcomputer van de taxi blijkt dat de taxi op de dag van de overval en in de daaraan voorafgaande maand drie keer een reisbeweging vanuit [plaats 2] (de woonplaats van [verdachte] ) via [plaats 3] naar Wassenaar heeft gemaakt. Dit betreft zaterdagavond/nacht van 22 op 23 juni 2024, vrijdagavond/nacht van 28 op 29 juni 2024 en de avond/nacht van de overval. De telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer 1] , die toebehoorde aan [verdachte] , maakte steeds dezelfde reisbewegingen. De rechtbank gaat ervan uit dat er in de twee weekenden in juni 2024 voor de woningoverval zogenoemde voorverkenningen hebben plaatsgevonden.
Op 22 en 23 juni 2024 was – kort en zakelijk weergegeven – sprake van de volgende reisbewegingen. Om 21.10 uur kwam de taxi aan bij het [adres 2] . Op nummer [huisnummer] aldaar woont medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Op dit adres heeft medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) zich diezelfde avond blijkens een chatgesprek dat hij met zijn telefoon met nummer [telefoonnummer 2] voerde met ‘taxi [bedrijf 1] ’, laten afzetten. De taxi vertrok om 21.18 uur vanaf het [adres 2] . Omstreeks dat moment vertrok ook de bij de overval gebruikte witte Mercedes vanuit de omgeving van het [adres 2] , waar deze sinds 8 juni 2024 onafgebroken geparkeerd stond. Beide voertuigen reden richting Wassenaar.
De Mercedes kwam omstreeks 22.50 uur aan in Wassenaar in de buurt van de [adres 1] . De taxi reed via de Slikkerveerstraat te Amsterdam naar Wassenaar, waar hij om 22.55 uur aankwam. De Mercedes en de taxi hebben die avond beide enige tijd rondgereden in Wassenaar en Leidschendam. De taxi reed om 00.00 uur via de A4 weg, stopte opnieuw kort in de Slikkerveerstraat in Amsterdam, reed daarna richting [plaats 3] , kwam om 01.29 uur aan op het [adres 2] , en eindigde bij de woning van [verdachte] in [plaats 2] . In de periode dat de taxi heen en weer naar Wassenaar reed, werden de telefoons van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] niet actief gebruikt. De telefoons bleven al die tijd in [plaats 3] . Om 01.35 uur, zes minuten nadat de taxi op het [adres 2] aankwam, vond er met de telefoon van [medeverdachte 2] een uitgaand telefoongesprek plaats.
Op 28 en 29 juni 2024 was – kort en zakelijk weergegeven – sprake van de volgende reisbewegingen. [medeverdachte 1] maakte via WhatsApp een afspraak met [verdachte] om te worden opgehaald bij zijn ouders in [plaats 2] en om hem te brengen naar zijn woning aan het [adres 2] . De telefoon van [medeverdachte 2] bevond zich die avond ook weer in [plaats 3] . De taxi vertrok vanaf het [adres 2] naar Amstelveen, waar hij van 22.15 uur tot 22.40 uur stil stond op de [adres 3] in de buurt van de woning van [medeverdachte 2] . De taxi reed vervolgens naar de Prinsenhofwijk in Leidschendam, waar hij om 23.14 uur aankwam. Enkele minuten later vertrok vanuit deze wijk de witte Mercedes, die daar sinds 23 juni 2024 geparkeerd stond, naar Wassenaar. De taxi reed rond in de omgeving van Wassenaar en Leidschendam en stopte om 00.42 uur weer in de Prinsenhofwijk, waar op dat moment ook de witte Mercedes weer aankwam. De taxi reed uiteindelijk richting [plaats 3] waar hij om 01.52 uur aankwam op het [adres 2] .
In de periode dat de taxi heen en weer naar Wassenaar reed, werden de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet gebruikt en bleven deze, net als op 22 juni 2024, al die tijd in [plaats 3] .
Op 6 en 7 juli 2024 was – kort en zakelijk weergegeven – sprake van de volgende reisbewegingen. Op 6 juli 2024 om 12.00 uur had [medeverdachte 2] contact met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en spraken ze met elkaar af. De telefoon van [medeverdachte 2] verplaatste zich naar Nieuwegein, dichtbij de plek waar diezelfde middag de simkaarten van de Nokia’s zijn geactiveerd. De telefoon van [medeverdachte 2] bevond zich die dag rond 20.30 uur in [plaats 3] nabij de woning van [medeverdachte 1] . Uit een chatgesprek dat [medeverdachte 1] had met [verdachte] blijkt dat [medeverdachte 1] , net als op 28 juni 2024, door [verdachte] is opgehaald bij zijn ouders in [plaats 2] en naar zijn woning op het [adres 2] is gebracht, waar hij rond 20.30 uur aan kwam. De taxi vertrok om 20.56 uur vanaf het [adres 2] over de A12 richting Den Haag, vanaf welk moment de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opnieuw urenlang niet actief werden gebruikt. Op het moment dat de taxi ter hoogte van Zevenhuizen reed, bevonden zich op deze locatie ook de twee – eerder die dag in Nieuwegein geactiveerde – simkaarten. De taxi kwam om 22.30 uur aan in de Prinsenhofwijk in Leidschendam, in de nabijheid van de locatie waar drie minuten later, om 22.33 uur, de witte Mercedes, die sinds 28 juni 2024 niet meer was gebruikt, vertrok richting Wassenaar.
Hierna vond in de late uren van 6 op 7 juli 2024 de overval plaats, waarbij één Nokia zich nabij de plaats delict bevond en de andere Nokia zich verplaatste met de taxi, die vanaf 23.45 uur vanuit Wassenaar weer richting de Prinsenhofwijk in Leidschendam reed. De plegers van de overval zijn na de overval met de witte Mercedes, die zich gedurende de overval in de directe nabijheid van de woning aan de [adres 1] bevond, eveneens naar Leidschendam gereden en bevonden zich om 03:32 uur in de nabijheid van de Prinsenhofwijk aldaar. De witte Mercedes en de taxi zijn op exact hetzelfde tijdstip, namelijk om 03.32 uur, vanuit hun nabij gelegen locaties in Leidschendam, vertrokken richting de snelweg.
De taxi is naar het [adres 2] gereden, waar deze om 04.25 uur arriveerde en om 06.20 uur is weggereden in de richting van de woning van [verdachte] . De Mercedes is naar Amstelveen gereden en is gestopt in de omgeving van de woning van [medeverdachte 2] .
De witte Mercedes is uiteindelijk diezelfde nacht geparkeerd op de Slikkerveerstraat in Amsterdam, de locatie waar de taxi op 22 en 23 juni 2024 onderweg naar en op terugreis van Wassenaar kort heeft stilgestaan.
Na de overval
Uit onderzoek naar de telefoons van [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is gebleken dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tussen 7 juli 2024 om 23.50 uur en 8 juli 2024 om 01.19 uur, gebruik maakten van dezelfde zendmast in Wijk bij Duurstede . Uit aangetroffen foto’s blijkt dat ze zich bevonden in de woning van [naam 1] . Uit het onderzoek is verder gebleken dat [medeverdachte 2] die avond/nacht filmpjes heeft gemaakt, waarop veel geld, kostbare flessen alcoholhoudende drank en meerdere personen te zien waren. Een van de foto’s die [medeverdachte 1] die avond maakte in voornoemde woning, stuurde hij naar [verdachte] .
Op woensdag 17 juli 2024 om 01.13 uur voerde [medeverdachte 2] een chatgesprek met een persoon genaamd [naam 2] , waarin hij onder meer schreef: ‘Bro ik ben nog wat belangrijks vergeten’ en ‘Voorkant en achterkant moeten die dingen nog eraf!!!!!’ en ‘Was ik helemaal vergeten pffff’. Met de telefoon van [naam 2] werden om 03.55 uur een afbeelding en een video naar [medeverdachte 2] verstuurd die automatisch verwijderd werden. [medeverdachte 2] reageerde hierop met diverse emoticons met hartjes. Op datzelfde tijdstip kwam bij de politie de melding binnen dat er op de Slikkerveerstraat in Amsterdam een auto in brand stond. Dit bleek de witte Mercedes te zijn die bij de overval was gebruikt en waarvan de kentekenplaten aan zowel de voorkant als de achterkant verwijderd waren.
De rol van [verdachte]
heeft ter terechtzitting bevestigd dat daar waar blijkens de onderzoeksgegevens zijn taxi en telefoon zich bevonden, hij ook aanwezig is geweest.
Uit het onderzoek naar de boordcomputer van de taxi in combinatie met de historische gegevens van de telefoon van [verdachte] , blijkt dat [verdachte] de zaterdagavond/nacht van 22 op 23 juni 2024, de vrijdagavond/nacht van 28 op 29 juni 2024 (de twee voorverkenningen) en de avond/nacht van de overval in de omgeving van Wassenaar is geweest. Hierbij is hij telkens eerst via het adres van [medeverdachte 1] in [plaats 3] gereden, waar ook (de telefoon van) [medeverdachte 2] zich bevond.
In de avond/nacht van 22 op 23 juni 2024 is [verdachte] , alvorens hij met zijn taxi naar Wassenaar reed, eerst naar de locatie gereden waar tien dagen na de overval de witte Mercedes, die is gebruikt door de personen die de overval hebben gepleegd, brandend is aangetroffen. Vanaf deze nacht bevond de witte Mercedes zich in de Prinsenhofwijk in Leidschendam, waar de taxi van [verdachte] in de avond/nacht van 28 op 29 juni 2024 vanuit Wassenaar ook naartoe is gereden en waar de taxi zich in de nacht van de overval bevond, op enig moment ook in de nabijheid van de witte Mercedes. De rechtbank leidt hieruit af dat er kennelijk personen vanuit de plaats van de overval naar Leidschendam zijn vervoerd en vervolgens verder zijn vervoerd. Hoewel uit het dossier niet direct volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de personen zijn geweest die [verdachte] heeft vervoerd naar Leidschendam en Wassenaar, kan het naar het oordeel van de rechtbank echter niet anders zijn dan dat dit het geval was. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de taxi steeds van en naar het adres van [medeverdachte 1] in [plaats 3] reed, waar [medeverdachte 2] zich blijkens zijn telefoongegevens kennelijk ook bevond, en dat de taxi tijdens de eerste voorverkenning ook via het adres van [medeverdachte 2] naar Wassenaar is gereden. De telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bevonden zich tijdens de voorverkenningen en tijdens de overval steeds in [plaats 3] , maar waren telkens gedurende deze periodes inactief. Na de overval zijn zowel de Mercedes waarin de plegers van de overval zijn weggereden, als de taxi van [verdachte] op exact hetzelfde moment vanaf nabijgelegen locaties in Leidschendam vertrokken naar de snelweg, waarbij de Mercedes naar de woning van [medeverdachte 2] is gereden en de taxi naar de woning van [medeverdachte 1] is gereden.
[verdachte] heeft niet ontkend op deze momenten de genoemde reisbewegingen te hebben gemaakt en in de omgeving van Leidschendam en Wassenaar te zijn geweest. Volgens [verdachte] reisde hij in het kader van zijn werk als taxichauffeur en had hij niets met de overval te maken. De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] op dit punt ongeloofwaardig. Uit de bewijsmiddelen blijkt namelijk dat hij op de momenten van de voorverkenningen en de overval veelal onbezette – en naar de rechtbank begrijpt onbetaalde – ritten van aanzienlijke afstand (van Ede naar Wassenaar en terug) in zijn rittensysteem heeft genoteerd, hetgeen bevreemding wekt, omdat [verdachte] heeft verklaard op die momenten aan het werk te zijn geweest. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat de taxi van [verdachte] , behoudens de genoemde data, in de maanden voorafgaand aan de overval nooit in de omgeving van Leidschendam en Wassenaar is geweest. Hierbij acht de rechtbank van belang dat [verdachte] blijkens het dossier in de weekenden druk was met zijn werk als taxichauffeur en veelvuldig en langdurig telefonisch contact had met zijn vriendin, terwijl hij tijdens de voorverkenningen en de overval, niet bereikbaar was voor taxiritten en geen enkel contact had met zijn vriendin, die wel contact met hem zocht.
Ook de verklaring van [verdachte] , inhoudende dat hij in de avond/nacht van de overval wegens autopech veelvuldig gedurende korte periodes op diverse locaties is gestopt met zijn taxi om de motor af te laten koelen – hetgeen het reisschema van die avond zou verklaren – acht de rechtbank niet geloofwaardig, aangezien uit ditzelfde reisschema blijkt dat [verdachte] kort na de overval, ondanks de vermeende autopech, zonder te stoppen via de snelweg terug is gereden naar [plaats 3] . Ook de verklaring van [verdachte] , inhoudende dat hij de dag na de overval door middel van een noodoplossing de taxi heeft laten repareren voordat hij zijn taxi naar zijn vaste garage in België heeft gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank niet concreet geworden en bovendien niet geloofwaardig, omdat uit onderzoek naar de telefoon van [verdachte] blijkt dat hij op 7 juli 2024 in de avond bevestigend antwoordt op de vraag van [medeverdachte 1] of hij ( [verdachte] ) hem de volgende dag naar werk kan brengen. Ten overvloede overweegt de rechtbank in dit kader nog dat eventuele autopech in de nacht/avond van de overval betrokkenheid van [verdachte] bij die overval niet uitsluit.
Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de inzittenden van de taxi van [verdachte] en de witte Mercedes bij de overval op de bewoners van de [adres 1] te Wassenaar betrokken waren, waarbij de rechtbank met name de locaties en de tijdstippen waar beide voertuigen zich op de drie genoemde avonden/nachten bevonden, van belang acht.
[verdachte] heeft door drie keer (zowel op de dagen van de voorverkenningen als op de dag van de overval) personen te vervoeren naar Wassenaar en Leidschendam, door in de omgeving te wachten en door personen na de voorverkenningen en direct na de overval wederom te vervoeren, een wezenlijke bijdrage geleverd aan de overval.
Opzet
De rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen niet vaststellen dat [verdachte] gedurende de overval in de woning is geweest. Evenmin kan de rechtbank op grond van het dossier vaststellen dat [verdachte] ‘vol opzet’ heeft gehad op het (mede)plegen van de gewelddadige woningoverval. De vraag is vervolgens of [verdachte] voorwaardelijk opzet had op voornoemd delict. Daarvan is sprake als [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat goederen uit de woning zouden worden weggenomen en dat daarbij geweld zou worden gebruikt en/of met geweld zou worden gedreigd. De rechtbank overweegt in dat kader dat, voor zover daarvan niet blijkt uit de eigen verklaringen van een verdachte, bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat aan de overval een tevoren gemaakt, geraffineerd en grondig voorbereid plan vooraf is gegaan. De rechtbank gaat er, gelet op zijn betrokkenheid tijdens zowel de twee voorverkenningen als op de dag van de overval, van uit dat [verdachte] in elk geval van alle logistieke onderdelen van het plan op de hoogte was.
Gelet op het tijdstip van de overval – te weten in de nachtelijke uren – acht de rechtbank meer dan aannemelijk dat de overvallers ervan uitgingen dat er op het moment van binnendringen in de woning één of meer personen in de woning aanwezig zouden zijn. Gelet op de aanwezigheid van de bewoners in die woning kon bovendien rekening gehouden worden met de mogelijkheid van verzet. Daar is bij de planning vooraf kennelijk over nagedacht, gelet op het meegenomen vuurwapen, de meegenomen koevoet en het binnengaan van de woning door daders met bivakmutsen. Naar het oordeel van de rechtbank was onder die omstandigheden de aanmerkelijke kans aanwezig dat bij de diefstal van de zeer waardevolle en grote hoeveelheid sieraden geweld zou worden gebruikt, dan wel met geweld gedreigd zou worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat, naast de drie daders die de woning ingegaan zijn, ook [verdachte] die aanmerkelijke kans heeft aanvaard door daders op meerdere momenten naar de omgeving van de woning te vervoeren, daar in de buurt te wachten en zijn reisschema op dat van de daders af te stemmen en vervolgens met één of meer daders weg te rijden. [verdachte] heeft hierbij met een bepaalde mate van coördinatie geholpen en heeft zich op geen enkele zichtbare manier gedistantieerd van de uitvoering van het plan.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat [verdachte] minst genomen voorwaardelijk opzet had op het plegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld door de drie daders die in de woning zijn geweest.
Medeplegen
De vraag die de rechtbank ten slotte moet beantwoorden, is of [verdachte] als medepleger schuldig is aan deze woningoverval.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid
in verband plegen te worden gebracht (zoals het op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank – zoals hiervoor overwogen – af dat [verdachte] niet alleen op de dag van de overval een belangrijke rol heeft gespeeld, maar ook tijdens de twee voorverkenningen, door daders van de overval naar (de omgeving van) Wassenaar te vervoeren, op ze te wachten en ze uiteindelijk weer weg te brengen. Tijdens de overval is [verdachte] gedurende de uren dat de overval plaatsvond, beschikbaar gebleven voor de daders die zich in de woning bevonden. Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat het telefoonnummer van één van de voor de overval aangeschafte simkaarten, gedurende de overval in de directe nabijheid van [verdachte] was. De rechtbank gaat ervan uit dat de Nokia waarin dit telefoonnummer zat, zich in de taxi van [verdachte] bevond. Uit de onderzoeksgegevens blijkt voorts dat tijdens de overval tussen deze Nokia en de andere Nokia die zich op de plaats delict bevond, sms- en belcontact heeft plaatsgevonden. Of [verdachte] de Nokia die zich in zijn taxi bevond op die momenten heeft bediend, is onduidelijk, maar wel kan worden vastgesteld dat er tijdens de overval vanuit de taxi van [verdachte] direct contact met de overvallers in de woning is geweest. Ook op die manier heeft [verdachte] ter beschikking van de daders in de woning gestaan. Hij heeft uiteindelijk in de Prinsenhofwijk in Leidschendam op de daders gewacht en is gelijktijdig met de Mercedes die van de plaats delict kwam, vertrokken richting de snelweg. De verdachte heeft hiermee zowel voor, tijdens als na de overval een wezenlijke rol gespeeld bij de uitvoering van de overval. Uit het voorgaande volgt dat [verdachte] de overval in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders heeft gepleegd.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen.