ECLI:NL:RBDHA:2026:5095

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
09/341091-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 312 SrArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewelddadige woningoverval met zware mishandeling en diefstal

In de nacht van 6 op 7 juli 2024 vond een gewelddadige woningoverval plaats in Wassenaar waarbij drie overvallers de bewoners bedreigden, mishandelden en urenlang vasthielden. Er werden kostbare sieraden, horloges en een telefoon gestolen. Verdachte werd aangewezen als medepleger die logistieke ondersteuning bood door de daders te vervoeren, te wachten en na de overval weg te brengen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op uitgebreid politieonderzoek, waaronder telefoon- en boordcomputergegevens van de taxi van verdachte, die meerdere keren ritten maakte naar de omgeving van de woning en contact had met de daders. Verdachte ontkende betrokkenheid, maar zijn verklaringen werden als ongeloofwaardig beoordeeld.

De rechtbank stelde vast dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het delict en dat hij in nauwe en bewuste samenwerking met de daders handelde. De bewezenverklaring omvatte diefstal met geweld en bedreiging, gepleegd door meerdere personen met inklimming en valse sleutels.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, de omvang van de buit, het gebruik van wapens en het letsel van slachtoffers. Verdachte kreeg een gevangenisstraf van 54 maanden opgelegd, lager dan de eis van 8 jaar, mede vanwege zijn rol als chauffeur en het ontbreken van bewijs dat hij in de woning was geweest.

De rechtbank kende aan de slachtoffers materiële en immateriële schadevergoeding toe, waarbij de waarde van de sieraden werd gehalveerd vanwege onzekerheid over de taxatie. Ook werd een personenauto van verdachte verbeurd verklaard. Het vonnis werd uitgesproken op 12 maart 2026 door de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding aan slachtoffers.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/341091-24
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 februari 2025, 22 april 2025, 10 juli 2025, 1 oktober 2025 en 3 december 2025 (telkens pro forma) en 11 en 12 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).
Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 26 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. Y. Bouchikhi naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na nadere omschrijving van de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 oktober 2025 – ten laste gelegd dat:
1. primair
hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2024 tot en met 7 juli 2024 te Wassenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning staat, te weten de woning gelegen aan de [adres 1] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een of meerdere juwelen en/of sieraden en/of horloges en/of flessen alcoholische drank en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met meerdere personen en/of voorzien van bivakmutsen en/of handschoenen, althans gezichts- en/of lichaamsbedekkende kleding, die [aangever 1] en/of [aangever 2] te overrompelen in hun woning, en/of
- tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen “U bent toch juwelier? Wij willen geld. Waar is het geld? Waar zijn de horloges? Waar zijn de Rolexen? Waar is de kluis? Wij willen de code van de kluis”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- die [aangever 1] en/of [aangever 2] op de grond te gooien, en/of
- ( meermalen) (met kracht) tegen het lichaam van die [aangever 2] te schoppen en/of slaan/stompen, en/of
- ( meermalen) (met kracht) met een koevoet, althans een (hard) voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [aangever 2] te slaan, en/of
- ( meermalen) tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen dat zij, verdachten, hen zouden doodmaken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- aan die [aangever 1] en/of [aangever 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen, en/of
- tiewraps, althans (een) voorwerp(en), om de polsen/handen en/of de enkels/voeten van die [aangever 1] en/of [aangever 2] te binden en/of hen aan elkaar vast te binden en/of hen (urenlang) vast te houden in de woning, en/of
- ( een) handdoek(en), althans (een) voorwerp(en), over het/de hoofd(en) van die [aangever 1] en/of [aangever 2] te doen, en/of (daarbij) tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen dat zij niet mochten kijken en/of niet mochten bewegen anders zouden zij, verdachten, hen vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- tegen die [aangever 2] te zeggen dat hij de code van de kluis moest geven en dat hij zou worden vermoord als hij de code niet zou zeggen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- ( nadat [aangever 2] de verkeerde code van de kluis had genoemd) met een (stanley)mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in de hand, althans het lichaam van die [aangever 2] te steken/prikken en/of tegen die [aangever 2] te zeggen “Geef de code anders snij ik je vinger eraf of die van je vrouw", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
1. subsidiair
een of meer personen in of omstreeks de periode van 6 juli 2024 tot en met 7 juli 2024 te Wassenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en/of op een
besloten erf waarop een woning staat, te weten de woning gelegen aan de [adres 1] , alwaar de (mede)verdachte(n) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een of meerdere juwelen en/of sieraden en/of horloges en/of flessen alcoholische drank en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan de (mede)dader(s) toebehoorde(n) heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de (mede)verdachte(n) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met meerdere personen en/of voorzien van bivakmutsen en/of handschoenen, althans gezichts- en/of lichaamsbedekkende kleding, die [aangever 1] en/of [aangever 2] te overrompelen in hun woning, en/of
- tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen “U bent toch juwelier? Wij willen geld. Waar is het geld? Waar zijn de horloges? Waar zijn de Rolexen? Waar is de kluis? Wij willen de code van de kluis", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- die [aangever 1] en/of [aangever 2] op de grond te gooien, en/of
- ( meermalen) (met kracht) tegen het lichaam van die [aangever 2] te schoppen en/of slaan/stompen, en/of
- ( meermalen) (met kracht) met een koevoet, althans een (hard) voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [aangever 2] te slaan, en/of
- ( meermalen) tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen dat zij, verdachten, hen zouden doodmaken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- aan die [aangever 1] en/of [aangever 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen, en/of
- tiewraps, althans (een) voorwerp(en), om de polsen/handen en/of de enkels/voeten van die [aangever 1] en/of [aangever 2] te binden en/of hen aan elkaar vast te binden en/of hen (urenlang) vast te houden in de woning, en/of
- ( een) handdoek(en), althans (een) voorwerp(en), over het/de hoofd(en) van die [aangever 1] en/of [aangever 2] te doen, en/of (daarbij) tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen dat zij niet mochten kijken en/of niet mochten bewegen anders zouden zij, verdachten, hen vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- tegen die [aangever 2] te zeggen dat hij de code van de kluis moest geven en dat hij zou worden vermoord als hij de code niet zou zeggen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- ( nadat [aangever 2] de verkeerde code van de kluis had genoemd) met een (stanley)mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in de hand, althans het lichaam van die [aangever 2] te steken/prikken en/of tegen die [aangever 2] te zeggen “Geef de code anders snij ik je vinger eraf of die van je vrouw”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 22 juni 2024 tot en met 7 juli 2024 te Ede en/of Veenendaal en/of Nieuwegein en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Wassenaar en/of Leidschendam, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft
verschaft, door
- op of omstreeks (de voorverkenningsdag) 22 en/of 23 juni 2024 met zijn auto (kenteken [kenteken 1] ) te rijden naar (de directe omgeving van) de plek (in Veenendaal) waar (een bij de woningoverval gebruikte) Mercedes (voorzien van kenteken [kenteken 2] ) geparkeerd stond en/of (vervolgens) samen met een of meerdere (mede)verdachte(n), althans alleen, (in de directe nabijheid van en/of gelijktijdig met die Mercedes) naar Nieuwegein en/of Amsterdam en/of (de omgeving van de [adres 1] in) Wassenaar en/of Leidschendam te rijden, althans een of meerdere (mede)verdachte(n) op te halen (in Veenendaal en/of Nieuwegein en/of Amsterdam en/of Amstelveen) en/of te vervoeren (naar Wassenaar en/of Leidschendam en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Veenendaal), althans de op de overvaldag te rijden route te verkennen en/of een of meerdere (mede)verdachte(n) te voorzien van vervoer naar en/of vanaf (de omgeving van) Wassenaar, en/of
- op of omstreeks (de voorverkenningsdag) 28 en/of 29 juni 2024 een of meerdere (mede)verdachte(n) op te halen (in Ede en/of Veenendaal en/of Amsterdam en/of Amstelveen) en/of (vervolgens) samen met een of meerdere (mede)verdachte(n), althans alleen, met zijn auto (kenteken [kenteken 1] ) te rijden naar (de directe omgeving van) de plek (in Leidschendam) waar (een bij de woningoverval gebruikte) Mercedes (voorzien van kenteken [kenteken 2] ) geparkeerd stond en/of (vervolgens) (in de directe nabijheid van en/of gelijktijdig met die Mercedes) naar (de omgeving van de [adres 1] in) Wassenaar en/of (vervolgens) Leidschendam te rijden, althans een of meerdere (mede)verdachte(n) op te halen (in Veenendaal en/of Amsterdam en/of Amstelveen) en/of te
vervoeren (naar Wassenaar en/of Leidschendam en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Veenendaal), althans de op de overvaldag te rijden route te verkennen en/of een of meerdere (mede)verdachte(n) te voorzien van vervoer naar en/of vanaf (de omgeving van) Wassenaar, en/of
- op of omstreeks (de overvaldag) 6 en/of 7 juli 2024 een of meerdere (mede)verdachte(n) op te halen (in Ede en/of Veenendaal en/of Nieuwegein) en/of (vervolgens) samen met een of meerdere (mede)verdachte(n), althans alleen, met zijn auto (kenteken [kenteken 1] ) te rijden naar (de directe omgeving van) de plek (in Leidschendam) waar (een bij de woningoverval gebruikte) Mercedes (voorzien van kenteken [kenteken 2] ) geparkeerd stond en/of (vervolgens) samen met een of meerdere (mede)verdachte(n), althans alleen, (in de directe nabijheid van en/of gelijktijdig met die Mercedes en/of de mobiele telefoons die zijn gebruikt tijdens de overval) naar (de omgeving van de [adres 1] in) Wassenaar te rijden, en/of
- gedurende de overval op 6 juli 2024 en/of 7 juli 2024 zich met zijn auto (urenlang) in (de omgeving van de [adres 1] in) Wassenaar en/of Leidschendam op te houden en/of per telefoon te communiceren met, althans in contact te staan met (een van) de in voornoemde woning aanwezige overvaller(s)/(mede)verdachte(n), althans voorafgaand aan en/of gedurende en/of na de voorverkenning(en) en/of de woningoverval het vervoer van en/of het contact met/tussen een of meerdere (mede)verdachte(n) te faciliteren.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
De overval
In de nacht van 6 op 7 juli 2024 heeft in een woning aan de [adres 1] te Wassenaar een overval plaatsgevonden. De daders hebben zich de toegang tot de woning verschaft door middel van inklimming, wat uiteindelijk leidde tot een confrontatie met de bewoners. De bewoners, [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) en zijn echtgenote [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) – die hebben verklaard dat er die nacht drie overvallers in hun woning zijn geweest – zijn hierbij bedreigd, op de grond gegooid en vastgebonden met tie-wraps. [aangever 2] is tevens geslagen en geschopt, is met een koevoet tegen zijn hoofd geslagen en is met een stanleymes in zijn hand gestoken. De woning is gedurende meerdere uren doorzocht, waarna uiteindelijk kluizen zijn leeggeroofd en veel waardevolle sieraden en horloges en een telefoon zijn meegenomen.
Betrokkenheid verdachte
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het de verdachte is geweest die bij deze woningoverval betrokken is geweest, en zo ja, wat zijn rol daarbij is geweest. De rechtbank acht voor de beantwoording van die vraag de volgende omstandigheden van belang.
Uit het politieonderzoek is gebleken dat de daders van de woningoverval zijn weggereden in een van diefstal afkomstige witte Mercedes die op de avond en in de nacht van de overval geparkeerd stond om de hoek van de woning aan de [adres 1] .
Tijdens de overval werd – naar de rechtbank begrijpt voor onderling contact – gebruik gemaakt van twee prepaid simkaarten, die geplaatst waren in twee telefoons van het merk Nokia. Genoemde simkaarten zijn in de middag voor de overval gekocht en geactiveerd in Nieuwegein en hebben zich in de avond van de overval gelijktijdig met een taxi met kenteken [kenteken 1] (hierna: de taxi) verplaatst richting Wassenaar. De eigenaar van voornoemde taxi is de verdachte (hierna: [verdachte] ). Een van de Nokia’s straalde tijdens de overval een zendmast aan binnen het bereik van de plaats delict; de andere Nokia straalde – net als de taxi en de telefoon die toebehoort aan [verdachte] – andere zendmasten aan in de directe omgeving van Wassenaar en in Leidschendam. Na de overval zijn beide simkaarten niet meer actief geweest in het telefoonnetwerk.
(Eerdere) reisbewegingen
Uit onderzoek naar de boordcomputer van de taxi blijkt dat de taxi op de dag van de overval en in de daaraan voorafgaande maand drie keer een reisbeweging vanuit [plaats 2] (de woonplaats van [verdachte] ) via [plaats 3] naar Wassenaar heeft gemaakt. Dit betreft zaterdagavond/nacht van 22 op 23 juni 2024, vrijdagavond/nacht van 28 op 29 juni 2024 en de avond/nacht van de overval. De telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer 1] , die toebehoorde aan [verdachte] , maakte steeds dezelfde reisbewegingen. De rechtbank gaat ervan uit dat er in de twee weekenden in juni 2024 voor de woningoverval zogenoemde voorverkenningen hebben plaatsgevonden.
Op 22 en 23 juni 2024 was – kort en zakelijk weergegeven – sprake van de volgende reisbewegingen. Om 21.10 uur kwam de taxi aan bij het [adres 2] . Op nummer [huisnummer] aldaar woont medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Op dit adres heeft medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) zich diezelfde avond blijkens een chatgesprek dat hij met zijn telefoon met nummer [telefoonnummer 2] voerde met ‘taxi [bedrijf 1] ’, laten afzetten. De taxi vertrok om 21.18 uur vanaf het [adres 2] . Omstreeks dat moment vertrok ook de bij de overval gebruikte witte Mercedes vanuit de omgeving van het [adres 2] , waar deze sinds 8 juni 2024 onafgebroken geparkeerd stond. Beide voertuigen reden richting Wassenaar.
De Mercedes kwam omstreeks 22.50 uur aan in Wassenaar in de buurt van de [adres 1] . De taxi reed via de Slikkerveerstraat te Amsterdam naar Wassenaar, waar hij om 22.55 uur aankwam. De Mercedes en de taxi hebben die avond beide enige tijd rondgereden in Wassenaar en Leidschendam. De taxi reed om 00.00 uur via de A4 weg, stopte opnieuw kort in de Slikkerveerstraat in Amsterdam, reed daarna richting [plaats 3] , kwam om 01.29 uur aan op het [adres 2] , en eindigde bij de woning van [verdachte] in [plaats 2] . In de periode dat de taxi heen en weer naar Wassenaar reed, werden de telefoons van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] niet actief gebruikt. De telefoons bleven al die tijd in [plaats 3] . Om 01.35 uur, zes minuten nadat de taxi op het [adres 2] aankwam, vond er met de telefoon van [medeverdachte 2] een uitgaand telefoongesprek plaats.
Op 28 en 29 juni 2024 was – kort en zakelijk weergegeven – sprake van de volgende reisbewegingen. [medeverdachte 1] maakte via WhatsApp een afspraak met [verdachte] om te worden opgehaald bij zijn ouders in [plaats 2] en om hem te brengen naar zijn woning aan het [adres 2] . De telefoon van [medeverdachte 2] bevond zich die avond ook weer in [plaats 3] . De taxi vertrok vanaf het [adres 2] naar Amstelveen, waar hij van 22.15 uur tot 22.40 uur stil stond op de [adres 3] in de buurt van de woning van [medeverdachte 2] . De taxi reed vervolgens naar de Prinsenhofwijk in Leidschendam, waar hij om 23.14 uur aankwam. Enkele minuten later vertrok vanuit deze wijk de witte Mercedes, die daar sinds 23 juni 2024 geparkeerd stond, naar Wassenaar. De taxi reed rond in de omgeving van Wassenaar en Leidschendam en stopte om 00.42 uur weer in de Prinsenhofwijk, waar op dat moment ook de witte Mercedes weer aankwam. De taxi reed uiteindelijk richting [plaats 3] waar hij om 01.52 uur aankwam op het [adres 2] .
In de periode dat de taxi heen en weer naar Wassenaar reed, werden de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet gebruikt en bleven deze, net als op 22 juni 2024, al die tijd in [plaats 3] .
Op 6 en 7 juli 2024 was – kort en zakelijk weergegeven – sprake van de volgende reisbewegingen. Op 6 juli 2024 om 12.00 uur had [medeverdachte 2] contact met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en spraken ze met elkaar af. De telefoon van [medeverdachte 2] verplaatste zich naar Nieuwegein, dichtbij de plek waar diezelfde middag de simkaarten van de Nokia’s zijn geactiveerd. De telefoon van [medeverdachte 2] bevond zich die dag rond 20.30 uur in [plaats 3] nabij de woning van [medeverdachte 1] . Uit een chatgesprek dat [medeverdachte 1] had met [verdachte] blijkt dat [medeverdachte 1] , net als op 28 juni 2024, door [verdachte] is opgehaald bij zijn ouders in [plaats 2] en naar zijn woning op het [adres 2] is gebracht, waar hij rond 20.30 uur aan kwam. De taxi vertrok om 20.56 uur vanaf het [adres 2] over de A12 richting Den Haag, vanaf welk moment de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opnieuw urenlang niet actief werden gebruikt. Op het moment dat de taxi ter hoogte van Zevenhuizen reed, bevonden zich op deze locatie ook de twee – eerder die dag in Nieuwegein geactiveerde – simkaarten. De taxi kwam om 22.30 uur aan in de Prinsenhofwijk in Leidschendam, in de nabijheid van de locatie waar drie minuten later, om 22.33 uur, de witte Mercedes, die sinds 28 juni 2024 niet meer was gebruikt, vertrok richting Wassenaar.
Hierna vond in de late uren van 6 op 7 juli 2024 de overval plaats, waarbij één Nokia zich nabij de plaats delict bevond en de andere Nokia zich verplaatste met de taxi, die vanaf 23.45 uur vanuit Wassenaar weer richting de Prinsenhofwijk in Leidschendam reed. De plegers van de overval zijn na de overval met de witte Mercedes, die zich gedurende de overval in de directe nabijheid van de woning aan de [adres 1] bevond, eveneens naar Leidschendam gereden en bevonden zich om 03:32 uur in de nabijheid van de Prinsenhofwijk aldaar. De witte Mercedes en de taxi zijn op exact hetzelfde tijdstip, namelijk om 03.32 uur, vanuit hun nabij gelegen locaties in Leidschendam, vertrokken richting de snelweg.
De taxi is naar het [adres 2] gereden, waar deze om 04.25 uur arriveerde en om 06.20 uur is weggereden in de richting van de woning van [verdachte] . De Mercedes is naar Amstelveen gereden en is gestopt in de omgeving van de woning van [medeverdachte 2] .
De witte Mercedes is uiteindelijk diezelfde nacht geparkeerd op de Slikkerveerstraat in Amsterdam, de locatie waar de taxi op 22 en 23 juni 2024 onderweg naar en op terugreis van Wassenaar kort heeft stilgestaan.
Na de overval
Uit onderzoek naar de telefoons van [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is gebleken dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tussen 7 juli 2024 om 23.50 uur en 8 juli 2024 om 01.19 uur, gebruik maakten van dezelfde zendmast in Wijk bij Duurstede . Uit aangetroffen foto’s blijkt dat ze zich bevonden in de woning van [naam 1] . Uit het onderzoek is verder gebleken dat [medeverdachte 2] die avond/nacht filmpjes heeft gemaakt, waarop veel geld, kostbare flessen alcoholhoudende drank en meerdere personen te zien waren. Een van de foto’s die [medeverdachte 1] die avond maakte in voornoemde woning, stuurde hij naar [verdachte] .
Op woensdag 17 juli 2024 om 01.13 uur voerde [medeverdachte 2] een chatgesprek met een persoon genaamd [naam 2] , waarin hij onder meer schreef: ‘Bro ik ben nog wat belangrijks vergeten’ en ‘Voorkant en achterkant moeten die dingen nog eraf!!!!!’ en ‘Was ik helemaal vergeten pffff’. Met de telefoon van [naam 2] werden om 03.55 uur een afbeelding en een video naar [medeverdachte 2] verstuurd die automatisch verwijderd werden. [medeverdachte 2] reageerde hierop met diverse emoticons met hartjes. Op datzelfde tijdstip kwam bij de politie de melding binnen dat er op de Slikkerveerstraat in Amsterdam een auto in brand stond. Dit bleek de witte Mercedes te zijn die bij de overval was gebruikt en waarvan de kentekenplaten aan zowel de voorkant als de achterkant verwijderd waren.
De rol van [verdachte]
heeft ter terechtzitting bevestigd dat daar waar blijkens de onderzoeksgegevens zijn taxi en telefoon zich bevonden, hij ook aanwezig is geweest.
Uit het onderzoek naar de boordcomputer van de taxi in combinatie met de historische gegevens van de telefoon van [verdachte] , blijkt dat [verdachte] de zaterdagavond/nacht van 22 op 23 juni 2024, de vrijdagavond/nacht van 28 op 29 juni 2024 (de twee voorverkenningen) en de avond/nacht van de overval in de omgeving van Wassenaar is geweest. Hierbij is hij telkens eerst via het adres van [medeverdachte 1] in [plaats 3] gereden, waar ook (de telefoon van) [medeverdachte 2] zich bevond.
In de avond/nacht van 22 op 23 juni 2024 is [verdachte] , alvorens hij met zijn taxi naar Wassenaar reed, eerst naar de locatie gereden waar tien dagen na de overval de witte Mercedes, die is gebruikt door de personen die de overval hebben gepleegd, brandend is aangetroffen. Vanaf deze nacht bevond de witte Mercedes zich in de Prinsenhofwijk in Leidschendam, waar de taxi van [verdachte] in de avond/nacht van 28 op 29 juni 2024 vanuit Wassenaar ook naartoe is gereden en waar de taxi zich in de nacht van de overval bevond, op enig moment ook in de nabijheid van de witte Mercedes. De rechtbank leidt hieruit af dat er kennelijk personen vanuit de plaats van de overval naar Leidschendam zijn vervoerd en vervolgens verder zijn vervoerd. Hoewel uit het dossier niet direct volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de personen zijn geweest die [verdachte] heeft vervoerd naar Leidschendam en Wassenaar, kan het naar het oordeel van de rechtbank echter niet anders zijn dan dat dit het geval was. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de taxi steeds van en naar het adres van [medeverdachte 1] in [plaats 3] reed, waar [medeverdachte 2] zich blijkens zijn telefoongegevens kennelijk ook bevond, en dat de taxi tijdens de eerste voorverkenning ook via het adres van [medeverdachte 2] naar Wassenaar is gereden. De telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bevonden zich tijdens de voorverkenningen en tijdens de overval steeds in [plaats 3] , maar waren telkens gedurende deze periodes inactief. Na de overval zijn zowel de Mercedes waarin de plegers van de overval zijn weggereden, als de taxi van [verdachte] op exact hetzelfde moment vanaf nabijgelegen locaties in Leidschendam vertrokken naar de snelweg, waarbij de Mercedes naar de woning van [medeverdachte 2] is gereden en de taxi naar de woning van [medeverdachte 1] is gereden.
[verdachte] heeft niet ontkend op deze momenten de genoemde reisbewegingen te hebben gemaakt en in de omgeving van Leidschendam en Wassenaar te zijn geweest. Volgens [verdachte] reisde hij in het kader van zijn werk als taxichauffeur en had hij niets met de overval te maken. De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] op dit punt ongeloofwaardig. Uit de bewijsmiddelen blijkt namelijk dat hij op de momenten van de voorverkenningen en de overval veelal onbezette – en naar de rechtbank begrijpt onbetaalde – ritten van aanzienlijke afstand (van Ede naar Wassenaar en terug) in zijn rittensysteem heeft genoteerd, hetgeen bevreemding wekt, omdat [verdachte] heeft verklaard op die momenten aan het werk te zijn geweest. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat de taxi van [verdachte] , behoudens de genoemde data, in de maanden voorafgaand aan de overval nooit in de omgeving van Leidschendam en Wassenaar is geweest. Hierbij acht de rechtbank van belang dat [verdachte] blijkens het dossier in de weekenden druk was met zijn werk als taxichauffeur en veelvuldig en langdurig telefonisch contact had met zijn vriendin, terwijl hij tijdens de voorverkenningen en de overval, niet bereikbaar was voor taxiritten en geen enkel contact had met zijn vriendin, die wel contact met hem zocht.
Ook de verklaring van [verdachte] , inhoudende dat hij in de avond/nacht van de overval wegens autopech veelvuldig gedurende korte periodes op diverse locaties is gestopt met zijn taxi om de motor af te laten koelen – hetgeen het reisschema van die avond zou verklaren – acht de rechtbank niet geloofwaardig, aangezien uit ditzelfde reisschema blijkt dat [verdachte] kort na de overval, ondanks de vermeende autopech, zonder te stoppen via de snelweg terug is gereden naar [plaats 3] . Ook de verklaring van [verdachte] , inhoudende dat hij de dag na de overval door middel van een noodoplossing de taxi heeft laten repareren voordat hij zijn taxi naar zijn vaste garage in België heeft gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank niet concreet geworden en bovendien niet geloofwaardig, omdat uit onderzoek naar de telefoon van [verdachte] blijkt dat hij op 7 juli 2024 in de avond bevestigend antwoordt op de vraag van [medeverdachte 1] of hij ( [verdachte] ) hem de volgende dag naar werk kan brengen. Ten overvloede overweegt de rechtbank in dit kader nog dat eventuele autopech in de nacht/avond van de overval betrokkenheid van [verdachte] bij die overval niet uitsluit.
Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de inzittenden van de taxi van [verdachte] en de witte Mercedes bij de overval op de bewoners van de [adres 1] te Wassenaar betrokken waren, waarbij de rechtbank met name de locaties en de tijdstippen waar beide voertuigen zich op de drie genoemde avonden/nachten bevonden, van belang acht.
[verdachte] heeft door drie keer (zowel op de dagen van de voorverkenningen als op de dag van de overval) personen te vervoeren naar Wassenaar en Leidschendam, door in de omgeving te wachten en door personen na de voorverkenningen en direct na de overval wederom te vervoeren, een wezenlijke bijdrage geleverd aan de overval.
Opzet
De rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen niet vaststellen dat [verdachte] gedurende de overval in de woning is geweest. Evenmin kan de rechtbank op grond van het dossier vaststellen dat [verdachte] ‘vol opzet’ heeft gehad op het (mede)plegen van de gewelddadige woningoverval. De vraag is vervolgens of [verdachte] voorwaardelijk opzet had op voornoemd delict. Daarvan is sprake als [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat goederen uit de woning zouden worden weggenomen en dat daarbij geweld zou worden gebruikt en/of met geweld zou worden gedreigd. De rechtbank overweegt in dat kader dat, voor zover daarvan niet blijkt uit de eigen verklaringen van een verdachte, bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat aan de overval een tevoren gemaakt, geraffineerd en grondig voorbereid plan vooraf is gegaan. De rechtbank gaat er, gelet op zijn betrokkenheid tijdens zowel de twee voorverkenningen als op de dag van de overval, van uit dat [verdachte] in elk geval van alle logistieke onderdelen van het plan op de hoogte was.
Gelet op het tijdstip van de overval – te weten in de nachtelijke uren – acht de rechtbank meer dan aannemelijk dat de overvallers ervan uitgingen dat er op het moment van binnendringen in de woning één of meer personen in de woning aanwezig zouden zijn. Gelet op de aanwezigheid van de bewoners in die woning kon bovendien rekening gehouden worden met de mogelijkheid van verzet. Daar is bij de planning vooraf kennelijk over nagedacht, gelet op het meegenomen vuurwapen, de meegenomen koevoet en het binnengaan van de woning door daders met bivakmutsen. Naar het oordeel van de rechtbank was onder die omstandigheden de aanmerkelijke kans aanwezig dat bij de diefstal van de zeer waardevolle en grote hoeveelheid sieraden geweld zou worden gebruikt, dan wel met geweld gedreigd zou worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat, naast de drie daders die de woning ingegaan zijn, ook [verdachte] die aanmerkelijke kans heeft aanvaard door daders op meerdere momenten naar de omgeving van de woning te vervoeren, daar in de buurt te wachten en zijn reisschema op dat van de daders af te stemmen en vervolgens met één of meer daders weg te rijden. [verdachte] heeft hierbij met een bepaalde mate van coördinatie geholpen en heeft zich op geen enkele zichtbare manier gedistantieerd van de uitvoering van het plan.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat [verdachte] minst genomen voorwaardelijk opzet had op het plegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld door de drie daders die in de woning zijn geweest.
Medeplegen
De vraag die de rechtbank ten slotte moet beantwoorden, is of [verdachte] als medepleger schuldig is aan deze woningoverval.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid
in verband plegen te worden gebracht (zoals het op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank – zoals hiervoor overwogen – af dat [verdachte] niet alleen op de dag van de overval een belangrijke rol heeft gespeeld, maar ook tijdens de twee voorverkenningen, door daders van de overval naar (de omgeving van) Wassenaar te vervoeren, op ze te wachten en ze uiteindelijk weer weg te brengen. Tijdens de overval is [verdachte] gedurende de uren dat de overval plaatsvond, beschikbaar gebleven voor de daders die zich in de woning bevonden. Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat het telefoonnummer van één van de voor de overval aangeschafte simkaarten, gedurende de overval in de directe nabijheid van [verdachte] was. De rechtbank gaat ervan uit dat de Nokia waarin dit telefoonnummer zat, zich in de taxi van [verdachte] bevond. Uit de onderzoeksgegevens blijkt voorts dat tijdens de overval tussen deze Nokia en de andere Nokia die zich op de plaats delict bevond, sms- en belcontact heeft plaatsgevonden. Of [verdachte] de Nokia die zich in zijn taxi bevond op die momenten heeft bediend, is onduidelijk, maar wel kan worden vastgesteld dat er tijdens de overval vanuit de taxi van [verdachte] direct contact met de overvallers in de woning is geweest. Ook op die manier heeft [verdachte] ter beschikking van de daders in de woning gestaan. Hij heeft uiteindelijk in de Prinsenhofwijk in Leidschendam op de daders gewacht en is gelijktijdig met de Mercedes die van de plaats delict kwam, vertrokken richting de snelweg. De verdachte heeft hiermee zowel voor, tijdens als na de overval een wezenlijke rol gespeeld bij de uitvoering van de overval. Uit het voorgaande volgt dat [verdachte] de overval in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders heeft gepleegd.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1. primair
hij in de periode van 6 juli 2024 tot en met 7 juli 2024 te Wassenaar, tezamen en in vereniging met anderen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, te weten de woning gelegen aan de [adres 1] , juwelen en sieraden en horloges en een telefoon, die aan [aangever 1] en/of [aangever 2] toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming en een valse sleutel, welke diefstal werd vergezeld van geweld
enbedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- met meerdere personen en voorzien van bivakmutsen en handschoenen, die [aangever 1] en [aangever 2] te overrompelen in hun woning en
- tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen “U bent toch juwelier? Wij willen geld. Waar is het geld? Waar zijn de horloges? Waar zijn de Rolexen? Waar is de kluis? Wij willen de code van de kluis” en
- die [aangever 1] en [aangever 2] op de grond te gooien en
- meermalen met kracht tegen het lichaam van die [aangever 2] te schoppen en
- meermalen met kracht met een koevoet tegen het hoofd van die [aangever 2] te slaan en
- tegen die [aangever 1] en [aangever 2] te zeggen dat zij, verdachten, hen zouden doodmaken en
- aan die [aangever 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en
- tiewraps om de polsen/handen en de enkels/voeten van die [aangever 1] en/of [aangever 2] te binden en hen aan elkaar vast te binden en hen urenlang vast te houden in de woning en
- een handdoek over de hoofden van die [aangever 1] en [aangever 2] te doen en daarbij tegen die [aangever 1] en [aangever 2] te zeggen dat zij niet mochten kijken en niet mochten bewegen anders zouden zij, verdachten, hen vermoorden en
- tegen die [aangever 2] te zeggen dat hij de code van de kluis moest geven en dat hij zou worden vermoord als hij de code niet zou zeggen en
- ( nadat [aangever 2] de verkeerde code van de kluis had genoemd) met een stanleymes in de hand, van die [aangever 2] te steken en tegen die [aangever 2] te zeggen “Geef de code anders snij ik je vinger eraf of die van je vrouw".
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd, inhoudende dat een lagere gevangenisstraf dan geëist, dient te worden opgelegd en heeft hiertoe verwezen naar uitspraken in vergelijkbare zaken.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige woningoverval, waarbij veel sieraden en horloges (van zeer, zeer grote waarde) en een telefoon zijn weggenomen. Door tijdens twee voorverkenningen en op de dag van de overval met zijn taxi de bij de overval betrokken personen naar de omgeving van de plaats delict te vervoeren, hier te wachten en na de overval ervoor te zorgen dat de betrokken personen weg konden komen, heeft de verdachte een belangrijke rol gespeeld bij deze gewelddadige overval.
De mededaders zijn laat in de avond van 6 juli 2024, vermomd met bivakmutsen, de woning van de slachtoffers binnengedrongen, hebben de slachtoffers bedreigd en mishandeld, waarbij grof geweld is toegepast, onder meer door met een koevoet op het hoofd te slaan en met een stanleymes in de hand te steken. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een dergelijke gewelddadige beroving hier nog lange tijd zowel fysiek als geestelijk last van kunnen hebben. De overval, die uren heeft geduurd, is uitermate beangstigend geweest voor de slachtoffers, zoals ook blijkt uit hun verklaringen die ter terechtzitting zijn voorgedragen. De slachtoffers hebben tijdens de overval doodsangsten uitgestaan. Naast persoonlijk leed voor de slachtoffers leidt dit soort delicten ook tot maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij volledig voorbij is gegaan aan de gevolgen van zijn daden voor de slachtoffers en rekent dit de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 januari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoonlijke omstandigheden
Ter terechtzitting heeft de verdachte met betrekking tot zijn huidige persoonlijke omstandigheden verklaard dat hij door zijn detentie alles kwijt is en dat het niet goed gaat op het gebied van werk en familie.
LOVS-oriëntatiepunten
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld bij een woningoverval, waarbij er sprake is van ‘ander (dan licht) geweld’, een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de woningoverval in vereniging is gepleegd, heeft plaatsgevonden in de nachtelijke uren, enkele uren heeft geduurd, heeft geresulteerd in een extreem waardevolle buit, dat gebruik is gemaakt van een (nep)vuurwapen en een mes en dat (steek)letsel is toegebracht aan een van de slachtoffers.
De rechtbank komt door genoemde omstandigheden in dit geval uit op een uitgangspunt van een gevangenisstraf voor de duur van 6,5 jaar (78 maanden).
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de verdachte als chauffeur een beperktere rol heeft gehad, dat niet kan worden vastgesteld dat hij in de woning is geweest en dat niet duidelijk is geworden of en op welke wijze hij in de buit heeft gedeeld.
Alles overwegende acht de rechtbank passend en geboden om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 54 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van die gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv).

7.De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 93.249,25, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 68.249,25 aan materiële schade (€ 66.500,- aan weggenomen horloges en € 1.749,25 aan medische kosten) en € 25.000,00 aan immateriële schade.
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert – na vermindering van haar eis ter terechtzitting – een schadevergoeding van € 1.991.278,14, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.966.278,14 aan materiële schade (€ 1.964.617,- aan weggenomen sieraden en € 1.661,14 aan medische kosten) en € 25.000,00 aan immateriële schade.
Op 13 februari 2026, na afloop van de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting doch voor de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, heeft de raadsvrouw van de benadeelde partijen, mr. D.M.P. van Eijsden, per e-mail de vordering van [aangever 2] voor wat betreft de post weggenomen sieraden naar beneden bijgesteld naar een bedrag van € 12.000,- en heeft zij de vordering van [aangever 1] voor wat betreft de post weggenomen sieraden bijgesteld naar een bedrag van € 1.280.367,-.
Als reden hiervoor heeft zij aangevoerd dat zij in de oorspronkelijke vorderingen, abusievelijk ook de waarde van sieraden heeft meegenomen die toebehoorden aan [bedrijf 2] B.V., het voormalige bedrijf van [aangever 2] .
7.1.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met toewijzing van de gevorderde wettelijke rente. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.1.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vorderingen, voor zover deze betrekking hebben op het bedrag aan weggenomen sieraden, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partijen om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vorderingen op dit punt te matigen.
Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsman verzocht het bedrag te matigen tot een bedrag tussen € 3.000,- en € 8.000,-, hetgeen overeenkomt met de categorie ‘meest ernstig’ van smartengeld voor ‘Bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal (artikel 312 van Pro het Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr) en/of afpersing (artikel 317 Sr Pro)’ in de zogenoemde ‘Rotterdamse schaal’.
In reactie op de e-mail van mr. Van Eijsden van 13 februari 2026, waarin zij de vorderingen naar beneden heeft bijgesteld, heeft de raadsman per e-mail gepersisteerd bij zijn eerder ingenomen standpunten en zich op het standpunt gesteld dat de nagekomen correspondentie in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
7.1.3 Het oordeel van de rechtbank
De latere bijstelling van de vorderingen
Op grond van artikel 334 lid 3 Sv Pro kan de benadeelde partij haar vordering, nadat de officier van justitie overeenkomstig artikel 311 Sv Pro het woord heeft gevoerd, toelichten of doen toelichten. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting pas op 26 februari 2026 gesloten. De rechtbank beschouwt de op 13 februari 2026 ontvangen e-mail, waarin mr. Van Eijsden de ingediende vorderingen naar beneden bijstelt, als een schriftelijke toelichting, passend binnen het nog niet gesloten onderzoek. De rechtbank acht deze schriftelijke toelichting toelaatbaar en gaat voor de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen dan ook uit van de naar beneden bijgestelde bedragen. De rechtbank merkt daarbij op dat de verlaging van de vorderingen van de benadeelde partijen de verdachte in zijn positie op zich niet benadeelt.
Materiële schade
Ten aanzien van de posten ‘weggenomen sieraden’ merkt de rechtbank op dat duidelijk is dat door de benadeelde partijen aanzienlijke schade is geleden. De rechtbank stelt vast dat de sieraden en horloges zijn getaxeerd door [naam 3] , aan de hand van foto’s. Hoewel het overgelegde taxatierapport pas op 2 december 2025 door de taxateur is ondertekend, heeft mr. Van Eijsden desgevraagd verklaard dat de daadwerkelijke taxatie vrijwel direct na de pleegdatum van de overval heeft plaatsgevonden en derhalve dus de actuele waarde betreft van de sieraden en/of horloge ten tijde van de overval.
Aangezien beide vorderingen voor wat betreft de post weggenomen sieraden geheel is gebaseerd op het taxatierapport en deze taxatie door de verdediging wordt betwist, zal de rechtbank de beide vorderingen voor zover het deze post betreft, kritisch beoordelen.
De rechtbank overweegt dat de taxatie wordt weergegeven op briefpapier van [bedrijf 2] , het voormalige bedrijf van [aangever 2] . Mr. Van Eijsden heeft ter terechtzitting mondeling toegelicht dat de taxatie desondanks is verricht door een onafhankelijke taxateur. Ter onderbouwing van de deskundigheid van de taxateur heeft zij een certificaat overgelegd, waaruit volgt dat voornoemde taxateur voldoet aan de criteria van taxateur ‘Edelstenen’, met een geldigheid van 29 oktober 2024 tot en met 29 oktober 2029. De taxatie van (gouden) sieraden en horloges van vrijwel direct na de pleegdatum, lijkt daarmee plaats te hebben gevonden buiten het deskundigheidsgebied van de taxateur en voor de ingangsdatum van de geldigheid van het certificaat.
Gelet op voornoemde omstandigheden, acht de rechtbank zich niet gebonden aan het taxatierapport voor wat betreft de waarde van de weggenomen sieraden. De rechtbank zal voor wat betreft de waarde van de sieraden gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade thans niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Gelet op de aard en de omvang van de weggenomen goederen, waarvan naar het oordeel van de rechtbank wel vaststaat dat het gaat om zeer waardevolle goederen, gaat de rechtbank uit van de helft van het gevorderde bedrag en zal zij de schade voor [aangever 2] bepalen op € 6.000,- en zal zij de schade voor [aangever 1] bepalen op € 640.183,50.
De rechtbank zal, voor zover de vorderingen betrekking hebben op de posten ‘weggenomen sieraden’, de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen. Dit deel van de vorderingen is namens de verdachte voldoende gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vorderingen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vorderingen, voor zover deze betrekking hebben op de posten ‘medische kosten’, zijn namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het onder 1 primair bewezen verklaarde feit, ter grootte van de gevorderde bedragen ( [aangever 2] een bedrag van € 1.749,25 en [aangever 2] - [aangever 1] een bedrag van € 1.661,14).
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het bewezen verklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de aard en de ernst van het door de verdachte gepleegde feit meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat voor de benadeelde partijen kan worden aangenomen dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. Dit kan aan de verdachte worden toegerekend. De rechtbank zal, gelet op de nu beschikbare onderbouwing van de vordering, vergelijkbare gevallen uit de rechtspraak en met inachtneming van de zogenoemde ‘Rotterdamse schaal’, de immateriële schade van de benadeelde partijen op dit moment naar billijkheid vaststellen op € 10.000,- per persoon en zal de benadeelden voor wat betreft de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie benadeelde partij [aangever 2]
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering van [aangever 2] toewijzen tot een bedrag van € 17.749,25, bestaande uit € 7.749,25 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 juli 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Omdat de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn ze daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De verdachte zal voor het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.749,25, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
ten behoeve van [aangever 2] .
Conclusie benadeelde partij [aangever 1]
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering van [aangever 1] toewijzen tot een bedrag van € 651.844,64, bestaande uit € 641.844,64 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 juli 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Omdat de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn ze daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De verdachte zal voor het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 651.844,64, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 1] .

8.De in beslag genomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage 2 aan dit vonnis is gehecht) onder 2 genoemde voorwerp zal worden verbeurd verklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 2 genoemde voorwerp (personenauto) verbeurd verklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp het onder 1 primair bewezen verklaarde feit is begaan of voorbereid.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Omdat het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 1. genoemde geldbedrag van € 245,-.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 primair:
diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming en valse sleutels;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
54 (vierenvijftig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
vordering benadeelde partij [aangever 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] deels toe tot een bedrag van € 17.749,25 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2024, te betalen aan [aangever 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.749,25, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
vordering benadeelde partij [aangever 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 651.844,64 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 651.844,64, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 355 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 2 genoemde voorwerp, te weten een personenauto (merk Volvo) met kenteken [kenteken 1] ;
gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 245,-.
Dit vonnis is gewezen door
mr. V.J. de Haan, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. J.J. Balfoort, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2026.