Eiser, een Koerdische politieke activist en lid van de SYKP, vreesde vervolging in Turkije vanwege zijn politieke activiteiten en etniciteit. Hij stelde dat hij door politie met de dood was bedreigd en dat hij mogelijk vervolgd zou worden wegens dienstplichtweigering.
De minister wees de asielaanvraag af, stellende dat eiser en zijn vader geen zichtbare of leidende rol binnen de SYKP vervullen en dat de incidenten niet leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook werd de vrees voor dienstplichtweigering en discriminatie niet aannemelijk geacht.
De rechtbank oordeelde dat de minister het primaire standpunt over de doodsbedreiging onvoldoende motiveerde, maar volgde het subsidiaire standpunt dat eiser na het incident nog zonder problemen in Turkije verbleef en zijn politieke activiteiten voortzette. Hierdoor is geen reëel risico op vervolging of ernstige schade aannemelijk.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter G. Schnitzler op 12 februari 2026.