ECLI:NL:RBDHA:2026:5060

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
672556
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:118 BWArt. 1022 RvArt. 706 RvArt. 1062 RvArt. 767 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Doorbraak van aansprakelijkheid tussen PDVSA en Bariven toegewezen op grond van Venezolaans recht

Agira, een Argentijnse rechtspersoon, leverde gascompressiemotoren aan Bariven, een dochter van het Venezolaanse staatsoliebedrijf PDVSA. Bariven betaalde de facturen niet, waarna Agira arbitrage startte en een arbitraal vonnis verkreeg tot betaling van de openstaande bedragen en arbitragekosten. Agira verkreeg vervolgens verlof tot tenuitvoerlegging en legde conservatoir beslag op aandelen van PDVSA.

Agira vorderde bij de rechtbank Den Haag dat PDVSA en Bariven hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de schulden van Bariven, op grond van het Venezolaanse leerstuk van doorbraak van aansprakelijkheid binnen een economische groep. PDVSA c.s. voerde verweer en stelde dat de rechtbank onbevoegd was jegens Bariven vanwege het arbitragebeding.

De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd was om over de vordering tegen Bariven te oordelen vanwege het arbitragebeding, maar wel bevoegd was jegens PDVSA. Op basis van het leerstuk van doorbraak van aansprakelijkheid volgens Venezolaans recht, zoals bevestigd in eerdere hofarresten, stelde de rechtbank PDVSA aansprakelijk voor de schulden van Bariven. De gevorderde rente over arbitragekosten werd afgewezen omdat deze niet in het arbitraal vonnis waren toegekend.

De rechtbank wees de vorderingen tegen PDVSA toe, veroordeelde PDVSA tot betaling van de hoofdsommen, rente en proceskosten, en wees de vorderingen tegen Bariven af wegens onbevoegdheid. De proceskosten werden begroot en toegewezen aan Agira ten laste van PDVSA, terwijl Agira in het ongelijk werd gesteld jegens Bariven.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt PDVSA tot betaling van de vorderingen van Agira en verklaart zich onbevoegd jegens Bariven vanwege het arbitragebeding.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/672556 / HA ZA 24-787
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
AGIRA S.A., te Argentinië,
eisende partij,
advocaat: mr. T. Stouten,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
PETRÓLEOS DE VENEZUELA SA., te Caracas, Venezuela,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BARIVEN S.A., te Caracas, Venezuela,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. M. Deckers.
De partijen worden hierna Agira, PDVSA en Bariven genoemd. PDVSA en Bariven worden hierna gezamenlijk aangeduid als PDVSA c.s.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 15 april 2024, met producties AGI-1 tot en met AGI-10;
  • de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 24 en het verzoek tot aanhouding in verband met lopende procedures bij het gerechtshof Den Haag;
  • het bericht van de griffie van de rechtbank van 26 november 2024 dat de mondelinge behandeling zal worden aangehouden tot het gerechtshof Den Haag arrest heeft gewezen in de hierboven genoemde procedures;
  • de akte namens gedaagden, met producties 25 tot en met 28.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling waren namens Agira aanwezig de advocaat voornoemd, mrs. J. Biezenaar en A.J.J. Kool, twee tolken en (via videoverbinding) mw. [naam 1] (Argentijnse advocaat van Agira) en dhr. [naam 2] (bestuurder van Agira). Voor PDVSA c.s. zijn verschenen de advocaat voornoemd en mr. S. Martina. Partijen hebben hun standpunten verder toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Agira is een rechtspersoon naar Argentijns recht.
2.2.
PDVSA is het staatsolie- en gasbedrijf van de staat Venezuela.
2.3.
Bariven is een dochtermaatschappij van PDVSA. Zij is verantwoordelijk voor de inkoop van hulpmiddelen voor de olie- en gaswinning van PDVSA.
2.4.
Agira heeft, aan de hand van een
purchase ordermet nummer 51000102871, gascompressiemotoren geleverd aan Bariven. De facturen met betrekking tot de levering van twee van die gascompressiemotoren (factuurnummers 343 en 402, ieder met een factuurwaarde van $ 647.000,00) zijn door Bariven niet voldaan.
2.5.
In
purchase order51000102871 wordt verwezen naar een
request for quotation(genummerd 6500212165). Daarin is opgenomen dat Bariven de ‘buyer’ is en (in artikel 27) dat “
any and all disputes, controversies and claims arising out of, invoicing or relating to the Order” zullen worden beslecht door middel van ICC-arbitrage met als plaats van arbitrage Den Haag.
2.6.
Bij arbitraal vonnis van 9 april 2021 is Bariven, kort gezegd, veroordeeld tot betaling aan Agira van $1.294.000,00 uit hoofde van de twee facturen, te vermeerderen met 8% rente, en tot betaling van de arbitragekosten van € 113.820,00 en $18.600,00.
2.7.
Op 26 maart 2024 heeft Agira verlof verkregen tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis in Nederland. Onder het verlof staat vermeld “
Met veroordeling van gerekestreerde in de kosten, begroot op € 155,= aan griffierecht.
2.8.
Agira heeft op 28 maart 2024 verlof verkregen tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van PDVSA. Op 2 april 2024 heeft Agira conservatoir beslag gelegd op de door PDVSA gehouden aandelen in Propernyn B.V.

3.Het geschil

3.1.
Agira vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, verklaart dat aan het identiteitsverschil tussen PDVSA en Bariven voorbij kan worden gegaan en dat de rechtbank hen hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:
$ 1.084.295,48 (inclusief 8% enkelvoudige rente tot 15 april 2024) vermeerderd met 8% enkelvoudige rente vanaf 15 april 2024 tot aan de dag van betaling;
$ 1.002.755,75 (inclusief 8% enkelvoudige rente tot 15 april 2024) vermeerderd met 8% enkelvoudige rente vanaf 15 april 2024 tot aan de dag van betaling;
€ 113.820 en $ 18.600, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 15 april 2024 tot aan de dag van betaling;
de proceskosten, inclusief beslagkosten en kosten voor het verlof tot tenuitvoerlegging (berekend op € 1.198,31) en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
PDVSA c.s. voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van Agira, met veroordeling van Agira in de proceskosten (inclusief nakosten).
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vooropstelling: het Transporte Saet-leerstuk
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat Bariven, en niet PDVSA, de directe contractspartij is van Agira. Uitgangspunt is dan ook dat Agira haar vorderingen op Bariven moet verhalen. Ten aanzien van de aansprakelijkheid van PDVSA beroept Agira zich echter op het
Transporte Saet-leerstuk naar Venezolaans recht over doorbraak van aansprakelijkheid. Dit leerstuk is, op grond van de incorporatieleer, van toepassing op Bariven en PDVSA (art. 10:118 BW Pro).
4.2.
Naar aanleiding van geschillen tussen andere leveranciers van Bariven enerzijds, en (onder meer) PDVSA c.s. anderzijds heeft het gerechtshof Den Haag op 5 augustus 2025 een viertal arresten gewezen (hierna: de hofarresten). [1] Daarin heeft het hof, samengevat, als volgt geoordeeld over het
Transporte Saet-leerstuk en de toepasselijkheid daarvan op Bariven en PDVSA:
  • om naar Venezolaans recht de aansprakelijkheid van een groep van vennootschappen vast te stellen, is nodig dat wordt gesteld en aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de criteria die gelden voor het kunnen aannemen van een ‘groep’ (zoals die uitvoerig worden besproken in
  • de in
  • in
  • in
4.3.
Verder heeft het hof overwogen dat PDVSA en Bariven het oordeel van de rechtbank dat zij op basis van de hiervoor bedoelde criteria onderdeel zijn van een economische groep niet (gemotiveerd) hebben bestreden. Het hof heeft vastgesteld dat PDVSA c.s. ook in hoger beroep niet hebben betwist dat indien wordt getoetst aan de door de rechtbank genoemde criteria (die zijn ontleend aan hetgeen is overwogen in
Transporte Saet), zij geacht kunnen worden tot eenzelfde groep te behoren.
4.4.
PDVSA c.s. heeft tegen de hofarresten geen cassatie ingesteld, zo heeft zij ter zitting toegelicht.
4.5.
De rechtbank sluit zich ten aanzien van het
Transporte Saet-leerstuk aan bij de overwegingen van het hof. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderliggende feiten en omstandigheden in deze zaak – voor zover relevant – gelijk zijn aan die in de zaken die bij het gerechtshof voorlagen. Het gaat daarbij immers met name om de (concern)verhoudingen tussen Bariven en PDVSA. In zoverre heeft PDVSA c.s. dus ook in deze procedure onvoldoende (gemotiveerd) betwist dat PDVSA en Bariven op grond van de
Transporte Saet-criteria geacht kunnen worden tot eenzelfde groep te behoren. Dat betekent dat de rechtbank van oordeel is dat PDVSA op grond van dat leerstuk aansprakelijk is voor de, in deze procedure aan de orde zijnde, schulden van Bariven jegens Agira.
4.6.
Ter zitting is gebleken dat tussen partijen de vraag resteert hoe verstrekkend het
Transporte-Saet-leerstuk is, en met name de vraag of op grond van dit leerstuk sprake is van ‘vereenzelviging’. Agira lijkt zich in dat kader op het standpunt te stellen dat het identiteitsverschil tussen PDVSA en Bariven geheel moet worden weggedacht. PDVSA c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het
Transporte Saet-leerstuk niet volgt dat sprake is van ‘vereenzelviging’.
4.6.1.
De rechtbank oordeelt in dit kader als volgt. Uit rov. 6.94 e.v. van het hofarrest met ECLI-nummer ECLI:NL:GHDHA:2025:2063 volgt dat het
Transporte Saet-leerstuk verder gaat dan doorbraak van aansprakelijkheid naar Nederlands recht. Dat laatste leerstuk is gebaseerd op onrechtmatige daad, terwijl uit het
Transporte Saet-leerstuk, zo oordeelt het hof, volgt dat ‘
indivisable obligationszijn aanvaard voor de vennootschappen die onderdeel uitmaken van een economische groep, met als gevolg dat de groepsvennootschappen aansprakelijk zijn voor elkaars schulden jegens derden’. Consequentie daarvan is, in die zaak, dat PDVSA ook aansprakelijk is voor de wettelijke
handelsrente (omdat Bariven dat in die zaak ook is), en niet de gewone wettelijke rente die bij een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad verschuldigd zou zijn.
4.6.2.
Het voorgaande brengt echter nog niet met zich dat sprake is van vereenzelviging in die zin dat het onderscheid tussen PDVSA en Bariven geheel moet worden weggedacht. In dat geval zou PDVSA immers geacht moeten worden zelf contractspartij te zijn van Agira. [2] Naar het oordeel van de rechtbank volgt dat niet uit
Transporte Saet. In die uitspraak is onder meer als volgt overwogen (Engelse vertaling):
“Consequently, because there exists an indivisible or comparable obligation, each of the member of the group assumes and is bound for the totality (article 1254 of the Civil Code) wherefore payment and fulfillment by one of the members of the group releases the others.”
Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een eigen,
comparable, verplichting van, in dit geval, PDVSA, tot nakoming van de (volledige) verplichting van Bariven waarbij, zoals bij hoofdelijkheid naar Nederlands recht, betaling door de één de ander bevrijdt. Tot volledige vereenzelviging van beide vennootschappen, waarbij het vennootschapsrechtelijke onderscheid wordt weggedacht, leidt dit niet.
De vordering op Bariven – ontvankelijkheid en inhoudelijke beoordeling
4.7.
Agira heeft in deze procedure van zowel PDVSA als Bariven betaling gevorderd. Zoals hiervoor is geoordeeld beschouwt de rechtbank de (gestelde) vorderingen als twee zelfstandige
comparablevorderingen. De grondslag van de vordering op Bariven is daarbij niet het
Transporte Saet-leerstuk, maar de tussen partijen gesloten overeenkomst (zie hiervoor onder 2.4 en 2.5). Niet in geschil is dat die overeenkomst een arbitragebeding bevat (en die arbitrage ook is gevoerd, zie hiervoor onder 2.6).
4.8.
PDVSA c.s. heeft zich er in haar conclusie van antwoord, aldus in haar eerste schriftelijke conclusie, op beroepen dat Agira niet-ontvankelijk is jegens Bariven en daarbij verwezen naar het arbitraal vonnis. De rechtbank vat dit op als een beroep op artikel 1022 Rv Pro.
4.9.
Nu gesteld noch gebleken is dat de arbitrageovereenkomst ongeldig is, is de rechtbank van oordeel dat zij op grond van artikel 1022 lid 1 Rv Pro niet bevoegd is van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen voor wat betreft Bariven. Dit betreft zowel de gevraagde verklaring voor recht, de gevorderde hoofdsommen (plus rente) als de kosten van de arbitrage en de beslagkosten. Ten aanzien van die laatste overweegt de rechtbank dat niet Bariven, maar PDVSA de beslagene is. Artikel 706 Rv Pro biedt daarom jegens Bariven geen zelfstandige grondslag voor vergoeding van de beslagkosten. Voor zover Agira heeft betoogd dat deze kosten (mede) voor rekening van Bariven dienen te komen omdat zij het rechtstreekse gevolg zijn van haar niet-nakoming (de rechtbank begrijpt aldus: schadevergoeding), vallen ook deze kosten onder de in het arbitragebeding opgenomen beschrijving “
any and all disputes […] and claims arising out of […] or relating to the Order”.
4.10.
De rechtbank acht zich in het verlengde van artikel 1062 Rv Pro wel bevoegd ten aanzien van de door Agira gevorderde kosten voor het verlof tot tenuitvoerlegging, nu als plaats van arbitrage Den Haag is overeengekomen. De rechtbank wijst deze vordering echter af nu in de verlofbeschikking al een veroordeling in de kosten is opgenomen (zie hiervoor onder 2.7) en Agira niet voldoende heeft onderbouwd welke nadere kosten zij heeft gemaakt en op welke grond zij die, naast voornoemde kostenveroordeling, van Bariven zou kunnen vorderen.
De vordering op PDVSA
4.11.
De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is van de vordering op PDVSA kennis te nemen op grond van artikel 10 jo Pro. 767 Rv, waarop Agira zich heeft beroepen. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe bij gebrek aan een andere weg voor Agira om een executoriale titel jegens PDVSA te verkrijgen.
4.12.
Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen acht de rechtbank PDVSA aansprakelijk voor de schulden van Bariven uit hoofde van de onder 2.4 en 2.5 omschreven overeenkomst. De hoogte van die vorderingen is door PDVSA c.s. niet betwist zodat deze vorderingen zullen worden toegewezen als gevorderd. De over de arbitragekosten gevorderde (handels)rente wordt afgewezen nu deze in het arbitrale vonnis ook niet is toegewezen ten aanzien van Bariven en Agira niet heeft onderbouwd op welke grond zij deze dan (wel) van PDVSA zou kunnen vorderen.
4.13.
Nu de rechtbank de gevorderde veroordelingen tot betaling zal toewijzen, ontbreekt het naar het oordeel van de rechtbank aan belang bij de gevraagde verklaring voor recht, nog daargelaten de vraag of de formulering daarvan voldoende aansluit bij hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.6 e.v. heeft overwogen over de reikwijdte van het
Transporte Saet-leerstuk. De vordering van Agira zal in zoverre daarom worden afgewezen.
4.14.
De beslagkosten, waarvoor artikel 706 Rv Pro een zelfstandige grondslag biedt, zullen worden toegewezen voor zover deze blijken uit de overgelegde exploten (€ 385,83), te vermeerderen met het betaalde griffierecht (€ 688,00). Daarnaast wordt bij de proceskostenveroordeling ½ punt extra toegekend voor het opstellen van het beslagrekest (½ punt vanwege de grote overlap met de dagvaarding).
4.15.
De rechtbank wijst de gevorderde (nadere) kosten voor het verkrijgen van het verlof tot tenuitvoerlegging af op de gronden als hiervoor onder 4.10 genoemd.
De proceskosten
4.16.
PDVSA is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Agira worden begroot op:
- kosten dagvaarding
135,97
- griffierecht
9.137,00
- salaris advocaat
11.577,50
(2½ punt × tarief VIII á € 4.631,00)
- beslagkosten
1.073,83
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
22.113,30
4.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.18.
Agira is ten aanzien van Bariven in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Bariven betalen. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

5.De beslissing

De rechtbank
Ten aanzien van Bariven
5.1.
verklaart zich onbevoegd van het geschil kennis te nemen, behoudens ten aanzien van de kosten voor het verkrijgen van het verlof tot tenuitvoerlegging en wijst het gevorderde voor het overige af,
5.2.
veroordeelt Agira in de proceskosten van Bariven, tot op heden begroot op nihil,
Ten aanzien van PDVSA
5.3.
veroordeelt PDVSA om aan Agira te betalen $ 1.084.295,48, vermeerderd met 8% enkelvoudige rente vanaf 15 april 2024 tot aan de dag van betaling,
5.4.
veroordeelt PDVSA om aan Agira te betalen $ 1.002.755,75, vermeerderd met 8% enkelvoudige rente vanaf 15 april 2024 tot aan de dag van betaling,
5.5.
veroordeelt PDVSA om aan Agira te betalen € 113.820 en $ 18.600,
5.6.
veroordeelt PDVSA in de proceskosten van € 22.113,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als PDVSA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
3516

Voetnoten

2.Vgl. HR 16 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1758, waarin door het hof was aangenomen dat ‘de verwevenheid tot gevolg heeft dat [eiseres] geacht moet worden de steenfabriek ook na 1974 zelf te hebben geëxploiteerd, zodat zij rechtstreeks voor de gevolgen van haar eventuele onrechtmatige bedrijfsactiviteiten aansprakelijk is’.